+ Meer informatie

En Zijn Naam ter ere leven

bondsdagverhaal

12 minuten leestijd

„Zo, dat was het. Iemand nog wat te vragen? " Meneer Glastra, leraar godsdienst en maatschappijleer, kijkt de klas rond. Mark van Driel steekt een beetje aarzelend zijn vinger op. „Ik.... eh...." begint hij, maar dan ineens resoluut, „ik ben het niet me u eens". De leraar moet wat wegslikken.

„Hoezo? " vraagt hij stroef. „Nou als ik goed geluisterd heb, vindt u abortus en euthanasie niet verkeerd. Maar dat is niet bijbels. Als je het leven van een mens of hij nou een paar weken oud is of eh.... tachtig jaar zomaar beëindigt, begaje een moord", 't Blijft muisstil na de opmerking van Mark. 't Lijkt alsof iedereen even zijn adem inhoudt. Maar dan breekt er een geroezemoes van geluiden los. Schampere woorden, sarkastische opmerkingen, een spottend gelach. „Doe niet zo ouderwets! Vrome poeperd. Was in Zeeland gebleven!" De bel maakt een abrupt einde aan de herrie. De leerlingen van 3b kijken hun leraar afwachtend aan. „Pakje agenda", zegt deze kortaf. „Huiswerk voor volgende week: maken de vragen bij les 8 en 9". Hij wacht even. „Morgen zullen we tijdens de godsdienstles op deze kwestie ingaan. Dan kun jij", hij kijkt naar Mark, en zijn stem krijgt een scherpe klank, „dan kun jij jouw standpunt verdedigen en wij het onze, nietwaar jongelui".

„Ja meneer, natuurlijk meneer, we praten hem wel om. Dat is geen standpunt. Mark is 50 jaar te laat geboren". Meneer Glastra knikt. Er is een triomfantelijke blik in zijn ogen als de groep het lokaal verlaat. „Ik ben het niet me u eens". Wat verbeeldt zo'n snotaap zich wel!

Alliteratie

Met een vervelend gevoel in z'n maag loopt Mark naar lokaal 6. Bah, had ie z'n mond maar gehouden. Da's nou de tweede keer al in het poosje dat hij hier op school zit, dat ze hem dwars zitten. De eerste les maatschappijleer die hij meemaakte, lag hij in de clinch met de meesten van de groep over popmuziek. En nou dit. En toch zal hij z'n.... „Hé, van Driel", snerpt Frits van Manen, „wat heb jij nou? " „Nederlands", antwoordt Mark kort. Frits begint te grinniken, , , 'k Hoop voor je dat Bergsma de rijmsoorten gaat behandelen. Ik weet een heel goed voorbeeld van alliteratie. Je weet wel: de beginletters van de beklemtoonde lettergrepen rijmen". Mark trekt niet begrijpend zijn wenkbrauwen op. „Luister maar", grijnst Frits gemeen.

„Vrome vent. Ik weet er nog één", zegt hij snel: „Gereformeerde Gemeente Gabber". Mark voelt een heftige woede in zich opstijgen. Met moeite onderdrukt hij deze. Hij haalt diep adem, dan zegt hij schijnbaar kalm: „Ik weet er ook twee, luister maar: Glastra, goeie godsdienstleraar", hij wacht even, „buitengewoon bijbelvast". Voor de verbouwereerde Frits een weerwoord heeft, verdwijnt Mark in lokaal 6.

Niet bijbels?

„En hoe was 't vandaag? " Meneer van Driel hanteert vaardig de afwaskwast. Mark is met de theedoek in de weer. Ze hebben samen keukenbeurt. Moeder brengt de tweeling naar bed en Loes en Mieke zijn naar zang.

„Hoe was 't vandaag? Waardeloos. We hadden 't eerste uur maatschappijleer. Na de les vroeg Glastra of er nog vragen waren. Ik durfde eerst niet, maar 'k stak toch m'n vinger op". Meneer Van Driel laat de vatenkwast even rusten. Hij kijkt z'n zoon met een zekere spanning aan. „En? " vraagt hij kort. „Nou, ik zei dat ik het niet met hem eens was. Hij had een hele verhandeling gehouden over de noodzaak van abortus en euthanasie", verduidelijkt Mark. „Ik zei dat zijn standpunt niet bijbels was en noemde abortus en euthanasie moord. De hele groep was het met Glastra eens. In de pauze jouwden ze me uit. Ik zal maar niet herhalen wat sommigen riepen. Toen ik er even tussen kon komen, zei ik: „Ik dacht dat ik hier op een christelijke school was". Frits van Manen nam dat niet en gaf me een dreun in m'n gezicht. Ik sloeg natuurlijk terug en.... „Dat was nou niet bepaald bijbels, jongen", valt vader hem in de rede. Met een

nijdig gebaar smijt Mark een vork in de keukenla. „Ik laat me niet slaan, als u dat maar weet". Z'n stem slaat over. , , 't Is.... 't is een rötschool, daar, nou weet u het". Meneer Van Driel spoelt vakkundig de aardappelpan schoon en zet hem omgekeerd in het afdruiprek. Dan zegt hij rustig: „Ik kan je uitval heel goed begrijpen, Mark, maar ik heb liever dat je andere woorden gebruikt". Mark haalt z'n schouders op. , Ze zitten me geregeld dwars. Waren we maar in Zeeland gebleven of, nou ja, dat kon natuurlijk niet". En in een poging om z'n uitval van daarnet weer goed te maken, lacht hij: „U kunt moeilijk elke dag tussen Goes en Groningen heen en weer reizen".

Vader hangt het afwaskwastje weg en haalt de vaatdoek over de aanrecht.

„Zo, dat is weer gepiept. Heb je veel huiswerk? " , , 't Gaat wel, een rip voor Engels, twee lessen Nederlands en een paragraaf scheikunde. Fijne leraar hebben we voor dat vak. Hij is van de Bond, hij zal 't best wel eens moeilijk hebben tussen dat soort als Glastra".

„Mark, ik wil niet dat je zó over je godsdienstleraar spreekt", zegt vader boos. „Je hebt het over een mens en niet over een dier, denk daar om. Ga maar gauw aan je werk beginnen, 't Is nou zeven uur. Misschien red je 't wel in een dikke anderhalf uur, dan zullen we samen eens onderzoeken wat Gods Woord zegt over abortus en euthanasie. Je moet morgen goed beslagen ten ijs komen".

Een goeie spreekbeurt, dat wel, maar....

„Ga je gang". Meneer Glastra maakt een uitnodigend gebaar in de richting van het bord. Mark komt, uiterlijk kalm, maar inwendig behoorlijk nerveus, naar voren. Hij mag als eerste zijn standpunt uiteenzetten en er is afgesproken dat niemand hem in de rede zal vallen, maar zal wachten tot hij uitgesproken is.

„In de Bijbel wordt niet gesproken over abortus en euthanasie", begint Mark. Even is er een lichte onrust, een onderdrukt gemompel in de klas. Maar dat verdwijnt al gauw als Mark verder gaat. Er komt zelfs een zekere spanning, een aandachtig luisteren als hij vertelt hoe de Heere Jezus Zich juist tot hulpelozen en verstotenen wendt. Hoe Hij bezetenen geneest, verlamden en melaatsen, juist ongeneeslijk zieken. Hoe Hij zich ontfermt over mensen die geen uitzicht meer hebben. Hij geeft ze niet de raad er maar een eind aan te maken. „God heeft ons het leven gegeven, of dat nu in het allereerste begin of in het laatste stadium verkeert. Zijn gebod: Gij zult niet doden, geldt ook in déze tijd".

't Blijft — net als gisteren — even muisstil. Meneer Glastra is de eerste die deze stilte vertreekt. „Bedankt voor je duidelijke uiteenzetting. Mark", zegt hij en er is nu geen scherpe, smalende klank in. „Blijf maar staan, er zullen wel vragen komen". Hij kijkt de klas rond. Met een resoluut gebaar steekt Frits van Manen zijn vinger op. „Ik heb geen vragen, ik wil alleen maar zeggen dat ik het niet met Mark eens ben. Ik.... eh, het was best een goeie spreekbeurt, maar zo'n standpunt in deze tijd is een lachertje. Je moet de Bijbel niet overal voor gebruiken. We leven nou in een heel andere tijd". Met een gezicht van en-noujij gaat Frits weer zitten. Mark haalt nauw merkbaar zijn schouders op en kijkt naar de leraar. Voordat deze iets kan zeggen, gaat Karine van Liere staan. „Ik heb ook geen vragen, maar wil even zeggen dat ik er nooit zo over gedacht heb. Abortus en euthanasie is voor mij heel gewoon, daar maken ze bij ons thuis geen punt van, dus ik ook niet. Ik vind dat Mark me wel aan het nadenken heeft gezet". Als ze gaat zitten bijt Frits haar woedend toe: „Je bent wel gauw van gedachten veranderd". „Doe jij dat dan nooit? ", vraagt Karine poeslief. Hier en daar wordt gegrinnikt. Iedereen weet dat Frits net zo veranderlijk is als het weer. Meneer Glastra maakt een eind aan het gekibbel. „Ga maar naar je plaats Mark. Ik waardeer het datje je standpunt zo principieel verdedigd hebt, maar ik deel het niet". Hij kijkt op zijn horloge. „Zo, we hebben nog twintig minuten. Verleden week maakten we een begin met het boek Daniël. Karei, lees jij het eerste hoofdstuk eens tot en met vers 14.

Op werkweek

't Is maandagmorgen half 12. Over de A45, de zogenaamde Sauerlandroute, rijdt een Nederlandse bus. De chauffeur heeft er — ondanks het drukke vrachtvervoer — de sokken in. Moeiteloos passeert hij auto na auto. De beide derde klassen van de Julianamavo zijn op weg naar Olpe, een flinke stad ten zuiden van de Biggesee. Vanmorgen om zeven uur zijn ze uit Groningen vertrokken en ze hopen zaterdagmiddag tegen vier uur weer terug te zijn. De mededeling dat dit jaar de werkweek

van de derde klassen niet in België maar in Duitsland zal gehouden worden, was met een hoeraatje begroet. En nu is het zo ver. Twee leraren met hun vrouwen en 45 jongens en meisjes zullen samen vijf dagen doorbrengen in een vakantieboerderij enkele kilometers buiten Olpe. Er staan verschillende excursies op het programma, onder andere naar de Dillenburg. Maar er zal ook tijd genoeg zijn voor ontspanning. Mark heeft er tegenop gezien als tegen een berg. De houding van z'n klasgenoten is wel wat veranderd na zijn spreekbeurt, maar Frits blijft hem dwars zitten en heeft altijd wel een bepaalde groep van de klas op zijn hand. Zijn spottende woorden, zijn hatelijke opmerkingen zijn soms zó gemeen, dat Mark de grootste moeite heeft zijn handen thuis te houden of niet met dezelfde bijtende spot terug te slaan. Voor hij vanmorgen wegging, heeft vader hem nog een hart onder de riem gestoken. , , Ik hoop datje een fijne werkweek zult hebben, kerel. Kom, zoals je dat tot nu toe mocht doen, eerlijk voor je mening uit. Weetje wat de duivel nou met al die spot wil bereiken? Dat jij op den duur moedeloos zult worden, datje je opvoeding zult verloochenen, omdat je er niet meer tegenop kunt. Hij is er op uit om je zo te bewerken, dat je Gods Woord en Zijn dienst vaarwel zult zeggen. Spot is een scherp wapen, dat de satan vaardig hanteert en waarmee hij zijn duizenden verslaat. Maar er is een wapen dat oneindig veel beter is, Mark. Dat is het gebed".

„Nog 10 kilometer jöh". Karinevan Liere geeft Mark een por. „Je zit te dromen geloof ik". „Hè, wat? Mark schrikt op. „Ik zei: nog 10 kilometer, dan zijn we er". De chauffeur mindert nu wat vaart en verlaat de A45. Tien minuten later staan ze voor de kampeerboerderij.

De eerste dag

Meneer Stam, de biologieleraar kijkt op zijn horloge, „'t Is nu 2 uur. Jullie zijn vrij tot half drie. Ga niet te ver van huis, want om kwart voor drie moet je in de bus zitten. We gaan naar de Biggesee. Zwemspullen meenemen". Na veel geharrewar heeft iedereen een slaapplaats veroverd. De meisjes hebben een grote slaapzaal boven. Mark heeft een bed vlak naast de gangdeur, boven hem ligt Jacco de Jong, een stille, rustige jongen uit 3a. Achterin bij de buitendeur heeft Frits een bed veroverd, naast en boven hem liggen zijn volgelingen. Tegenover deze ruimte, gescheiden door een smalle gang, slapen de leraren met de rest van de jongens. Daarnaast is de doucheruimte. Als Mark z"n zwemspullen uit z'n koffer wil pakken, hoort hij achterin de slaapzaal wat gerucht. Hij let er niet op. knipt de koffer dicht en gaat naar buiten. De meesten zitten al in de bus, precies op tijd vertrekken ze.

Welterusten

Na een korte avondsluiting door meneer Jongeling, de geschiedenisleraar, wordt het programma voor de volgende dag bekend gemaakt, 's Morgens de druipsteenggrotten bij Attendorn, 's middags een tocht naar de Sorpestausee.

„Je krijgt nu een halfuur om je bed op te zoeken. Om elf uur gaat het licht uit. Je kent de regels: herrieschoppers kunnen de nacht doorbrengen in de keuken. Voor de meisjes is een plekje in de huiskamer gereserveerd. Denk niet alleen aan jezelf, al wil jij niet gaan slapen, daarom hoefje een ander nog niet te hinderen. Welterusten".

Bommen op de Roerdam

De volgende morgen zit ieder gewapend met een stevig lunchpakket, regenkleding en een goed humeur om negen uur in de bus. Mark is voorin naast Jacco gaan zitten. Hij heeft behoorlijk geslapen, hoewel Frits geprobeerd heeft de boel op stelten te zetten, 't Begon al gauw nadat het licht uit was. Met een staaflantaarn gewapend schuifelde hij tussen de bedden door.

„Ik wil nog even bij Mark kijken", zei hij met 'n hoge stem. „Je hebt je bijbeltje toch wel bij je? Heb je al gebeden nvn jongen? " Hij kreeg wat lachers op z'n hand, maar toen Mark geen antwoord gaf en Jacco hem vriendelijk, maar nadrukkelijk verzocht op te hoepelen, droop hij toch af. Nog lang klonk er achterin onderdrukt gelach en gestommel, maar nadat om half één meneer Stam voor de tweede keer waarschuwde, was het stil geworden,

't Werd een fijne dag, ondanks de regen die in stromen neerviel. Meneer Jongeling vertelde op weg naar de Sorpesee het verhaal van de bommen op de Roerdam. Hoe de vliegers van de Royal Airforce op 17 mei 1943 een aanval deden op de Möhnedam. de Ederdam en de Sorpedam.

wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.