+ Meer informatie

De ambtsdragers en ethische vragen

9 minuten leestijd

Het zal menig ambtsdrager overkomen dat hem vragen op ethisch terrein worden voorgelegd. Het kan ook gebeuren dat de vragen hem niet voorgelegd worden, maar dat hij in ethische problemen zelf verwikkeld wordt. Een ouderling die met zijn wijk meeleeft, blijft niet buiten de problemen die in de wijk leven. Wanneer de mensen vertrouwen in hun wijkouderling hebben, zullen ze zelf met hun vragen bij hem aankomen. Het kan ook gebeuren dat de ouderling er zelf op uittrekt om in vragen behulpzaam te zijn.

Ik noemde nu speciaal de ouderling. De titel van het artikel spreekt over de ambtsdrager. Dat is met opzet gedaan. Het lijkt me toe dat ook diakenen met ethische vragen te maken krijgen. Men kan denken aan wat ter diakenconferentie werd besproken over de begeleiding van werklozen. Mag een diaken tegen een gemeentelid zeggen, dat hij aan het werk moet, zelfs al betekent dat een zekere achteruitgang in werkkring?

Het zijn stellig niet alleen de ouderlingen die met ethische vragen in de gemeente te maken krijgen. Het zal duidelijk zijn dat naast ouderling en diaken ook de predikant genoemd moet worden. Hoe daarop in te gaan? Wat daarop te zeggen? De probleemstelling zal in dit artikel eerst nog wel wat verscherpt moeten worden, alvorens een antwoord te kunnen geven. Tot heden is het onderwerp heel algemeen bij de lezer geïntroduceerd. Het antwoord zal mede afhangen van de vraag om welk ethisch probleem het gaat. Terwijl ik dit artikel zit te typen word ik gebeld door een ambtsdrager onzer kerken over hulp die gegeven kan worden aan een gemeentelid met lesbische aanleg. De ambtsdrager die mij belde wilde graag wat informatie hebben over goede psychiatrische hulp die zou kunnen worden gegeven.

Daar is een voorbeeld van problemen waarin ambtsdragers gewikkeld kunnen worden.

Alvorens verder op de vraagstelling in te gaan, zou ik één ding willen benadrukken: onttrekt U zich niet aan het probleem waarop U stuit. Ieder van ons is geneigd, om wanneer moeilijke zaken op zijn weg komen, die te laten voor wat zij zijn, en zelf verder te gaan. Dat betekent dat men het gemeentelid met zijn probleem aan zich zelf overlaat. Men laat hem in de kou staan. Dat is een houding, die in de gemeente van Christus niet mag voorkomen. Het maakt daarbij geen enkele verschil of het gemeentelid zelf het probleem naar voren bracht dan wel of de ambtsdrager er „toevallig” op is gestuit. Een ambtsdrager is er om — naar vermogen — te helpen. Niemand mag zich van het probleem van een ander afmaken. Hij moet zijn volle verantwoordelijkheid beleven. Dat moet voorop staan. Hulp kan geblokkeerd worden door de onwilligheid van het gemeentelid om zich te laten helpen. Dan stuit de ambtsdrager op een barrière, waar hij niet door heen kan. Zelfs in zo’n geval mag hij het niet direct laten afweten. Hij zal er zijn uiterste best voor moeten doen om door de onwil om geholpen te worden, heen te breken. Wanneer hij zich daarvoor zo veel als mogelijk is ingespannen heeft, en het hem niet gelukt is, mag hij spreken over: de onmogelijkheid om te helpen vanwege de onwil om geholpen te worden. In zo’n geval heeft de ambtsdrager ook het recht die onwil aan het gemeentelid voor te houden. Het is dan duidelijk bij wie de oorzaak ligt.

In alle andere gevallen zal de ambtsdrager zich moeten openstellen voor de vragen die hij ontmoet. Natuurlijk kan men met een tegenvraag antwoorden: stel nu eens dat de ambtsdrager er zelf geen raad mee weet, wat moet hij dan? Het mag toch beter heten geen hulp te bieden dan hulp die een verkeerde richting uitwijst.

Wellicht zitten we nu midden in het probleem van dit artikel. Men kan niet verwachten dat alle ambtsdragers op alle vragen van ethische aard antwoord weten te geven. Kan men hen dan toch de eis stellen, zich met al die vragen te bemoeien? Zou dat niet teveel gevraagd zijn?

Mijn uitgangspunt zou ik niet in de eerste plaats willen zoeken in de mate van bekwaamheid en deskundigheid van de ambtsdrager. Wanneer we van die kant beginnen, zou het wel eens kunnen zijn, dat geen enkele ambtsdrager aan het werk in de gemeente zou durven beginnen, op een heel enkele uitzondering na. Uitgangspunt moet liggen in de vragen die bij de mensen leven. Daarop moet worden ingegaan.

Wanneer de ambtsdrager niet weet hoe hij dat moet doen, ligt het op zijn weg zich daarover met anderen te verstaan. Men begrijpe mij niet verkeerd, alsof ik direct zou voorstellen dat er dan maar een ander aan te pas moet komen. Die ander kan er wel eens bijgehaald moeten worden, maar toch niet in eerste instantie.

Het zou kunnen zijn, dat de ambtsdrager eerst maar eens zich in het probleem wat moest gaan verdiepen. Hij moest zich dan maar eens oriënteren in wat daarover geschreven is. Hij kan, zonder namen te noemen, met een predikant of enig ander mens die er meer van afweet dan hij zelf, over het probleem praten. Hij heeft te bedenken dat hij nooit de naam van het gemeentelid mag noemen zonder diens toestemming. Anders zou hij zijn ambtsgeheim schenden. Is dat alles niet wat erg omslachtig en misschien ook beschamend voor de ambtsdrager? Dat is maar net hoe men het bekijkt. Wie uitgaat van de gedachte dat je je alleen met vragen waarop je een antwoord weet moet bezighouden, is gauw klaar. Die hoeft niet te tillen aan vragen, waarop hij geen antwoord weet. Maar is dat in overeenstemming met wat God van de ambtsdragers in de kerk vraagt? Ik dacht van niet.

De mensen die hulp nodig hebben, moeten geholpen worden. Het is helemaal geen schande, wanneer een ambtsdrager moet zeggen: over deze zaak moet ikzelf nog eens nadenken. Het is nog minder een schande, als hij moet zeggen: ik wil er zelf graag eerst eens iets over nalezen. Dat wordt wel een schande, wanneer men zulk een argument gebruikt om het antwoord op de lange baan te schuiven. Niets is zo verdrietig voor gemeenteleden dan te ervaren dat wel beloofd wordt, dat op hun vragen ingegaan zal worden, terwijl het in feite niet gebeurt. Dat schokt het vertrouwen. Dan zeg ik het nog maar zacht. Dat kan zelfs het vertrouwen in ambtsdragers in het algemeen helemaal teloor doen gaan. De ambtsdrager mag er dus best zelf nog eens over moeten denken. Dan zal hij toch met een (vorm van) antwoord moeten komen. Het ligt voor de hand, dat dit antwoord niet geïmproviseerd wordt gegeven. Het moet getuigen van kennis van het probleem, van inzicht in de Schriften terzake van het vraagstuk, en van zicht op de situatie van de mensen wie het aangaat.

En als de ambtsdrager er niet uitkomt? Dan is het beter dat eerlijk te zeggen. Beter noem ik dit, omdat een antwoord dat de verkeerde kant uitwijst, de mensen nog verder in de moeilijkheden brengt.

Men behoeft zich er niet voor te schamen dat men op een ingewikkeld ethisch vraagstuk geen antwoord weet. Natuurlijk moet men het daarbij niet laten. De mensen moeten geholpen worden.

Dan zijn er twee mogelijkheden: Men stelt het gemeentelid voor, dat deze er met een ander (e ambtsdrager) over spreekt. Dat moet dan een man zijn van wie men verwachten kan, dat hij wel hulp kan bieden. Zo zal een ouderling misschien wel eens naar de predikant verwijzen. Dat is geen bezwaar, als het maar geen afschuifsysteem wordt.

Men bedenke daarbij wel dat wie zich van een probleem terugtrekt en de mensen met het probleem aan een ander overgeeft, niet meer het recht heeft om te doen alsof hij de eerstbetrokken ambtsdrager blijft. Wanneer hij er nog eens iets van hoort, is dat meer welwillendheid dan verplichting van de zijde van de gemeenteleden.

Het kan ook anders. Het laat zich denken, dat de ambtsdrager vraagt of hij er met een ander over spreken mag. Waarschijnlijk zal de eerste mogelijkheid over het algemeen wel de voorkeur hebben, en ook verdienen. Toch is het niet bij voorbaat uitgesloten dat de ambtsdrager er een ander in betrekt. Dat mag natuurlijk nooit geschieden zonder voorkennis en instemming van het betrokken gemeentelid. Men mag nooit achter diens rug om met een derde over zijn probleem gaan praten.

Intussen is wel duidelijk hoe belangrijk het is dat ambtsdragers zich op ethische vraagstukken bezinnen. Men kan geen hulp bieden, wanneer men niet bereid is met de vragen zelf bezig te zijn. Een ambtsdrager zal niet alleen zelf de Bijbel moeten lezen en de prediking op zich laten inwerken, hij zal niet minder moeten bezig zijn met de vragen van de wil des Heren in deze tijd.

Dan lijkt het mij van groot belang dat er ook gemeenschappelijk in de kring van ambtsdragers over deze vragen gesproken wordt. Daarbij denk ik niet slechts aan de conferenties in landelijk of regionaal verband. Ik denk niet minder aan gesprekken in de kerkeraad over zulke vraagstukken. Dergelijke gesprekken bevorderen ook dat er door de verschillende ambtsdragers één lijn getrokken wordt. Dat is wel heel dringend geboden in de gemeente van Christus. Bovendien werkt het ook ontspannend in de onderlinge verhouding van ambtsdragers. Men durft eerder een ander in te schakelen, wanneer men zelf het antwoord niet zou weten.

Laat men op kerkeraadsvergaderingen van tijd tot tijd ethische vraagstukken die voor de eigen gemeente van direct belang zijn, in bespreking nemen. Wellicht dat ook de prediking van de eigen predikant daardoor op zulke vragen meer gericht wordt. Men versta mij wel. Ik zeg niet dat de predikant allerlei ethische kwesties gedetailleerd in zijn preek moet behandelen. Ik stel wel, dat de predikant ook voor de beantwoording van ethische vragen stof moet aanreiken vanuit het Woord van God. Het laat zich denken dat predikanten er zelf soms geen raad mee weten hoe ze dat moeten doen. Welnu, een gesprek in kerkeraadsverband kan stimulerend werken voor de preekarbeid van de predikant.

Wellicht heeft dit artikel een lezer wat onbevredigd gelaten. Hij zal denken: er is op concrete vragen niet ingegaan. Laat ik dan aan het eind mogen zeggen dat dit van het begin af aan mijn bedoeling ook niet is geweest. Het opschrift is heel algemeen gesteld. Ik wilde de relatie tussen ambtsdrager en ethische vragen graag onder de aandacht van ambtsdragers brengen. Daarbij hen op het hart binden, dat ze om de vragen niet moeten heenlopen. Tegelijk hen zeggen, dat indien de vragen hun te machtig zijn, ze niet moeten schromen de hulp van anderen — hoe dan ook — in te roepen, opdat er vanuit de kerk hulp geboden wordt. Verstoppertje spelen is wel het laatste wat ambtsdragers mogen doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.