+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

69.

Door het kinderlijk spreken vanuit het geestelijk kennen van de Heere was de band der liefde in het hart van de pelgrims versterkt. Daarin werd de zegen van Gods gunst en goedkeuring gesmaakt. Het was dan ook naar Zijn bevel, dat Hoop rekenschap gaf aan de Pelgrim van de hoop, die in hem was voor de eeuwigheid.

Als vanzelf sprak hij met verwondering vanuit zijn komen tot het geloof in Jezus Christus, waarin de liefde des Vaders en het getuigenis van de Heilige Geest gesmaakt werd.

Dat nu vervulde het hart met bewogenheid bij het ontmoeten van verschillende reizigers naar de eeuwigheid, bij wie de geestelijke kennis van de Heere gemist werd. Zij redeneerden wel vanuit een godsdienstige beschouwing met een oppervlakkige kennis van de Schrift, maar wisten niet te spreken vanuit de innerlijke beleving des geloofs. De verborgen omgang met de Heere werd bij hen ten enenmale gemist en dat gemis drukte niet, zelfs niet in het minst. En toch hielden Onkunde en velen, die met hem bevriend waren, ’t vast van ingang te zullen bekomen in de eeuwige heerlijkheid. Het was de Pelgrim en Hoop tot smart, dat zij deze mensen van hun godsdienstige inbeeldingen niet konden bevrijden. Vanwege de geestelijke onkunde, die in deze harten de overhand had, kwamen de ernstigste vermaningen en de eenvoudigste onderwijzingen er op af te stuiten. Daarom voelden die mensen zich goed thuis op deze betoverde gronden.

Naar het apostolisch vragen van Paulus: „O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn?” werd niet geluisterd. Een betovering, waarvan de kanttekening toepasselijk zegt: „Dat is, de ogen uws ver stands alzo verblind, dat gij de rechte waarheid niet kunt zien, gelijk de goochelaars de uiterlijke ogen der mensen betoveren, dat zij menen te zien hetgeen zij niet zien. Hij vergelijkt deze valse leraars bij goochelaars en geeft hun de voornaamste schuld van deze verleiding, die als bedriegers met schoon spreken en listigheden de eenvoudigen verleiden”.

Laten wij het ter harte nemen, dat de weg naar Sion loopt over deze betoverde gronden. U komt er van alle kanten mee in aanraking. Om er niet door beïnvloed te worden, hebben wij ons bezig te houden met een ernstig onderzoek van de Schrift en te staan naar de geestelijke kennis des geloofs, die dorst naar een verborgen omgang met de Heere. De bestendige oefeningen van het geloof, dat de Heere aankleeft en ons kinderlijk doet zitten aan Zijn voeten, kunnen niet gemist worden.

Wordt het gemoed met een godsdienstige vertoning en met beelden, die aantrekkelijk zijn, ingenomen, dan is dat op zichzelf niet meer dan een morgenwolk, een vroegkomende dauw, die heen gaat. Want het wezen der zaak, de praktijk der godzaligheid wordt er in gemist. En dat werkt de betovering niet weinig in de hand. Als reizigers naar een allesbeslissende eeuwigheid hebben wij het leven met de Heere biddende te zoeken in Zijn Woord. En dat zegt ons: „Ik bidu dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst”. „En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij”.

In deze heerlijke les gaat het om de praktijk der godzaligheid, die voortvloeit uit Gods ontfermende liefde in Christus. Een les, die wij ter harte hebben te nemen om te volharden in het zoeken van de Heere, tot verkrijging van de eeuwige zaligheid.

Aldus zijn deze geoefende reizigers, die mochten vertrouwen op en leven uit het Woord, gebleven in het geloof en gekomen in het land Beulah, waarvan gesproken wordt door Jesaja (62 : 4): „Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want de Heere heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden”.

Hier denkt de profeet aan de kastijdingen des Heeren, waarvan hij zo menigmaal heeft gesproken tot het afwijkende volk. Door Hem te verlaten kwam Hij ons te verlaten met het licht van Zijn vriendelijk aangezicht, zodat de dagen der duisternis ons kwamen te bezwaren. Het land, door de Heere gegeven tot een onderpand van de eeuwige heerlijkheid, werd verwoest, daarom kon de Korting niet aanschouwd worden in Zijn schoonheid. In het vergelegen land van Zijn heerlijkheid kon het volk dan niet blikken om zich daarin te verblijden door de Koningin Zijn heerlijkheid te aanschouwen.

Maar tot beschaming van de vijanden zal de Heere opstaan over Zijn volk om niet weer gekastijd te worden. In het land Beulah houden de kastijdingen op. Zij worden in die zoete en zalige vertroostingen niet gevonden. De grote en heerlijke trouwdag is aangebroken, de hemelse trouwzalen worden hier vanuit de verte reeds aanschouwd.

Maar, en bedenkt het wel, dat heeft plaats als er geen onverzoende schuld op onzekonsciëntie rust. Door hoog van de toren te blazen om een slordig leven te verbergen, zijner kinderen Gods, die een bang en donker sterfbed hebben. De Schrift zegt: „Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus”. Daar staat niet, dat wel eens gedaan te hebben, maar dat doende, en dat is het wandelen voor het aangezicht des Heeren. De lucht in het land Beulah was liefelijk en mild, en daar hun weg middendoor die streek voerde, zagen zij een heerlijke tijd tegemoet. Voortdurend hoorden zij het heerlijk gezang der vogels, zij zagen elke dag de aarde haar bloemen voortbrengen en zij hoorden de stem der tortelduif. Hier schijnt de zon nacht en dag, want het is aan de overzijde van de Vallei van de schaduw des doods en dus buiten bereik van de reus Wanhoop. Het kasteel Twijfel konden zij van daar niet eens zien. Zij aanschouwden nu uit de verte de stad, waar zij heengingen; ook ontmoetten zij reeds enigen van haar inwoners, want in dat land wandelden gewoonlijk de lichtende gestalten, omdat hier de nabijheid des hemels was. Hier werd ook het verbond vernieuwd tussen de bruid en de Bruidegom; ja gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo verheugt God Zich over hen. Hier hadden zij overvloed van koren en most, want in deze plaats vonden zij in milde overvloed alles, wat zij op hun pelgrimstocht gezocht hadden. Hier vernamen zij stemmen uit de stad, die luid riepen: „Zegt de dochter Sions: Zie, uw heil komt! Zie, Zijn loon is met Hem!” Hier noemden hen al de inwoners des lands: Het heilige volk, de verlosten des Heeren, de gezochten.

Vader Jakob was reeds in dit land toen hij tot zijn kinderen sprak vanuit de zegeningen des verbonds. Delende in het licht van Gods vriendelijk aangezicht, riep hij uit: „Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!”

Kom, laat ons toch letten op het deelachtig worden van de eeuwige zaligheid, op het zoeken van de dingen der eeuwigheid. Zie, nu is het de welaangename tijd; zie, nu is het de dag der zaligheid”.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.