+ Meer informatie

Dr. H. F. Kohlburgge

4 minuten leestijd

X. (slot)

Men make Kohlbrügge vooral niet los van de strijd tegen de tijdgeest zijner dagen; een geest, die opging in zelfvolmaking en zelfverheffing, waarin nooit troost te vinden is voor een arm zondaar, door schuldbesef getroffen en verslagen. Die kanker heeft hij met kracht trachten uit te snijden. Terecht zei hij: „Het komt allereerst op de staat des mensen aan."

Velen van zijn tijdgenoten begonnen bij de mens, anders gezegd bij zichzelf, om in eigen kracht in God te eindigen. Kohlbrügge wilde hen duidelijk maken, dat het juist omgekeerd moet zijn.

Het was daarom jammer, dat hij met zijn heiligingsleer zich retireerde in de rechtvaardiging.

Het gaat niet alleen om het forensisch werk der rechtvaardiging, d.w.z. een daad buiten de mens tot de mens, waarin hij vrijgesproken wordt van schuld en straf en een recht krijgt ten eeuwigen leven; maar ook om het inwendig we-rk der heiligmaking.

Ook Luther legde aanvankelijk de volle nadruk op de rechtvaardiging door het geloof; niet zozeer op de heiligmaking. Pas later merkte hij dit en kwam ook deze naar voren.

Ook Luther had te strijden tegen het semi-pelagianisme der R.K., dat wel niet geheel, maar toch gedeeltelijk uitgaat van de mens in de verdienstelijkheid der goede werken.

Het is zo jammer, dat Kohlbrügge niet meer systematisch was aangelegd, niet meer rekening gehouden heeft met onze Formulieren van Enigheid. Dan was hij ook niet misgelopen in zijn Woord-en Beeld Godsbeschouwing. Toch kunnen wij wel enigermate begrijpen, hoe hij zo dikwijls tot uitersten, tot gevaarlijke uitersten verviel.

Juist in dagen van strijd is het gevaar van eenzijdigheid bij de strijdende partijen zo groot, omdat dan ook het sentiment een gevaarlijke rol gaat spelen.

Alleen rustige bezinning kan de juiste lijnen uitstippelen, de waarheid benaderen naar de maatstaf der Heilige Schrift.

Toch behoren wij te erkennen, dat in zijn werken hier en daar kostelijke parelen te vinden zijn. Maar dat neemt de bezwaren niet weg.

Hoe moet nu onze houding zijn ten opzichte van zijn werken? O.i. deze.

1. Wie goed onderlegd is in de leerstellige waarheden, zoals wij die belijden — en die zijn er, blijkens de ervaring, helaas maar weinigen — kan gerust kennis nemen van zijn theologie. Te meer, nu er heden hernieuwde belangstelling voor hem is.

Hij zal dan enerzijds stuiten op uitspraken, die ernstige bedenkingen doen oprijzen; anderzijds gedeelten aantreffen, die zeer schoon zijn.

2. Eenvoudigen hebben te bedenken dat altijd geldt: Als twee hetzelfde zeggen, is het niet altijd hetzelfde. Zij zouden gedachten in zich kunnen opnemen en dientengevolge conclusies trekken, die de toets der rechtzinnigheid niet kunnen doorstaan.

Of — wat nog erger-is — aan de woorden van Kohlbrügge een inhoud geven, die ze voor de man nooit gehad hebben!

3. Onverantwoordelijk zouden wij het vinden, als predikaties van deze theoloog in vacante gemeenten werden gelezen.

In zijn laatste levensjaren schijnt de oude band met de Réveil-vrienden weer enigermate hersteld te zijn. Trouwens, op deze mensen was theologisch ook wel het een en ander aan te merken.

Verder schijnen de bruisende wateren van zijn gemoed toen meer tot kalmte te zijn gekomen. Zijn tweede vrouw oefende mede veel invloed ten goede op hem uit.

Zij ging de preekschetsen na en verwijderde, om het zo eens te noemen, de „klitten", d.w.z. de minder gekuiste woorden en uitdrukkingen.

Ook de levenservaring sleep veel scherpe kantjes af. Het valt niet mee, als men vrienden moet censureren en er daardoor verwijdering ontstaat, ja verbreking. En ook hij bleek een mens, een zondig mens te zijn, gelijk wij allen zijn.

In het jaar 1875 ging hij de eeuwige rust in. Nu werd aan hem waarheid, wat Paulus zegt in 1 Kor. 13 : 12. Het ten dele kennen hield op. Ook het menen.

Nu kent hij, gelijk hij eenmaal gekend is; geliefd met een eeuwige liefde.

Kohlbrügge schrijft ergens en daarmee eindigen wij:

„Ik, een vijand Gods, verbeeldde mij Zijn vriend te kunnen zijn. Hij verbood mij door Zijn Wet de begeerte; ik achtte mij daartoe voldoende in staat en beloofde niets te zullen begeren.

Maar reeds dadelijk door dit beloven toonde ik niet te weten, wie ik was — vlees uit vlees.

Het duurde niet lang, of mij kwam iets voor ogen, waarbij ik mij moest behelpen met de verontschuldiging, dat dit toch te begeerlijk was; daarop kon toch het gebod niet gedoeld hebben, de omstandigheden brachten het zo mee. Ik beloofde echter vast, althans van nu aan, het gebod onvoorwaardelijk gehoorzaam te zijn.

Zo ging het mij telkens en telkens; nu eens op deze, dan weer op een andere wijze; en zie! ik begeerde alles en begeerde toch en bleef aan het begeren, terwijl ik mijzelf en anderen voorpreekte, in 't vervolg niet meer te begeren."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.