+ Meer informatie

Bejaarden-pastoraat II

9 minuten leestijd

In mijn vorig artikeltje, waarin ik me be perkte tot de meer formele kant van de pastorale zorg aan onze oude broeders en zusters en suggesties gaf, hoe aan deze zorg het beste vorm gegeven kan worden, heb ik beloofd in een tweede verhaal wat nader in te zullen gaan op het gesprek met de bejaarden. Het kunnen uiteraard maar een paar opmerkingen zijn. Wie zich hier over meer wil oriënteren verwijs ik naar boeken van dr. C. Gilhuis, zoals „Hoe dichter ik nader..., en: „Terwijl ik nog ben”, waarin deze specialist inzake pastorale zorg aan bejaarden gesprekken ver werkt heeft en houdt voor de bejaarden zelf. Zeer eenvoudig en warm van toon geschreven. En wie nog verder wil studeren op dit punt kan ik aanbevelen het boek: „Pastorale zorg aan bejaarden”, waarop deze geref. predikant destijds promoveerde. Lezenswaard vind ik ook de brochure „Bejaardenzorg” die ds. G. Bilkes destijds in opdracht van Adma-deputaten schreef. Er zou nog wel meer te noemen zijn.

In alle ambtelijke zorg is een belangrijk punt, dat de ambtsdrager zioh weet in te leven in de situatie en denkwereld van het gemeentelid. Dat is nog meer nod'ig bij be zoek aan en in gesprek met de bejaarde. Tegelijk ligt hier een grote moeilijkheid voor de ambtsdrager, die jonger of veile jaren jonger is dan dat oude gemeentelid. Je kent de situatie van het bejaard-zijn niet uit ervaring. Je staat zelf nog volop in het leven, in je werkkring; je doet mee aan het denken en leven in deze snel veranderende wereld. Je leeft daarom gemakkelijk voorbij aan een situatie, waarin mensen aan de kant staan, tot verstilling en vaak ook ver eenzaming gekomen zijn. Je zult de oude dag zelf eerst mee moeten maken om het goed te kunnen peilen en beseffen.

Ik geloof, dat het een uitermate belangrijke zaak is om, als bezoekende ouderling bijv., dat je goed te realiseren. En soms ook eerlijk te zeggen. Wij zeggen in een ambtelijk gesprek nog al eens: ja, ik kan me uw situatie wel in denken, ik kan u wel be grijpen. We zeggen dat soms te vlug, te voorbarig. Het kan heel goed zijn, bij be zoek aan onze ouden om eens te beginnen met: er is een behoorlijk leeftijdsverschil tussen ons; ik kan me daarom zo moeilijk verplaatsen in uw omstandigheden. Daarom juist wil ik er meer van weten. Hoe ervaart u nu dat feit, dat u nu boven de 65 zit?

We moeten ook in dit opzicht als ambtsdragers niet wijs zijn (= eigenwijs zijn en het allemaal wel menen te weten) boven hetgeen we behoren wijs te zijn. Een bescheiden en luisterende instelling is nodig om een gericht en bouwend gesprek te krijgen. De ander moet de indruk krijgen: die man hier tegenover me weet het zelf niet allemaal zo goed; hij wil met mij praten; hij komt me niet alleen maar wat zèggen.

Ik schrijf deze overbekende dingen voor een ambtsdrager toch neer, omdat het verbijsterend veel voorkomt — iedereen maakt zich er meer of minder schuldig aan — dat er finaal langs de ander heengepraat wordt, omdat een „algemeen” woord gegeven of een niet op de situatie van de ander afgestemd gesprek gehouden wordt. Het is gemakkelijker en het kost jezelf ook veel minder om het te doen met een kreet in plaats van het concreet te doen in een gesprek. Spreken naar het hart van Jeruzalem, zou Jesaja zeggen, herstel: zou de Here zeggen. Dat is een gulden regel vooral bij bezoek aan bejaarden, van wie we in de regel de situatie niet zelf bij ervaring kennen.

Met dit voorop zou ik verder willen wijzen op twee kenmerken in het bejaardenpasto raat die we nooit mogen vergeten. Dat zijn het vertroostende en het vermanende kenmerk voor een goed bezoek en gesprek.

De ouderdom is de tijd, waarin de regels uit Ps. 25 pijnlijke werkelijkheid kunnen zijn: duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart. Dat is niet bij allen zo. Ik denk hierbij vooral aan de „jonge” bejaarden, die net 65 geworden zijn. Het kan als een bevrijding beleefd zijn, dat dat levensjaar inging. Er is op gewacht de laatste jaren, waarin het werken moeilijker werd. Het jaar 65 werd hei jubeljaar, niet alleen om de AOW. Er is nu tijd voor andere dingen en voor rust en een door jezelf te bepalen levenstempo. Maar er zijn vele anderen. De meesten? De grens van 65 kwam angstig dichtbij. En de tijd kwam van het ,,niet meer...” Het be jaarden-centrum werd de uitkomst, maar ook de eindfase. Anderen namen de oude posities in, velen vielen en vallen weg. Daarbij komt voor velen nog, dat men zich niet „klaar" weet voor de laatste reis. Hoe komt het straks? Men heeft niet geleerd te sterven in het volle leven. Men weet daar om niet te leven, nu het sterven wordt. Er zou nog veel meer te noemen zijn. In elk geval is de tijd er, hoe verschillend die ook ervaren wordt — dankbaar, verbitterd, met een gevoel weinig zinvols te hebben gedaan in het voorbijgegane leven, genietend van rust en bezoek aan anderen, gelaten, opstandig —, er is de tijd die dichtbij de dood ligt, de periode die niet maar een aan hangsel is van het vorige leven; de be slissende eindfase is gekomen. Gilhuis wijst er ergens op, dat God, wanneer Hij ons de ouderdom geeft, deze bedoelt als een nazorgcursus.

Het is tegenwoordig een gewoonte van ver schillende instituten en scholen, die opleiden voor een bepaalde taak, hun afgelever de leerlingen, die de praktijk zijn ingegaan van tijd tot tijd nog eens samen te roepen voor nazorg. Ervaringen worden dan uitge wisseld, gemaakte fouten besproken en gecorrigeerd. Zo neemt de Here ons apart in de ouderdom. Het is ook de ervaring van vele ouden, dat in de stilte van de ouderdom de herinnering oude zonden, fouten en wat in de drukte van het volle leven weggeduwd was, opnieuw wakker roept. Hier speelt uiteraard ook de bewust heidsgraad, waarin men leeft, een grote rol. Maar er vindt een evaluatie plaats, die we als ambtsdragers ook voorzichtig en met liefde en tact zullen moeten bevorderen. God repeteert het leven met Zijn kinderen in de oude dag. Dat kan moeilijk zijn, pijnlijk, ontmoedigend eerst, en allerlei nood geven.

Onze zorg zal daarom vol-uit en met óóg voor deze realiteiten vertroostend moeten zijn. De nazorgcursus is niet maar een cursus voor de dood, maar een cursus voor Het Leven. Wat kan een gesprek over de doop, over wat al aan het prille begin door de HERE beloofd was, onder Gods zegen bevrijdend, opheffend en moedgevend werken. De HERE repeteert niet om af te wijzen. Het ouderdomstentamen dient om te beproeven en te behouden, en te doen slagen! De oude dag en de pensioentijd is de bejaardenschool ter voorbereiding op het eeuwige leven. En op die school hebben onze ouden duidelijke leiding nodig in vertroostende zin. Laat bijzonder uitkomen d'e troost, die de Trooster bijzonder heeft en geeft in Christus en in het feit, dat de Schrift vol staat met beloften bijzonder ook voor de eindfase van het leven, waarin de Geest, naar d'e aard van Zijn werk, Gods bedoeling met ons leven uitwerkt en de dingen afwerkt, klaar maakt.

Maar er is nog een tweede aspect aan dit ambtelijke werk onder de bejaarden. Altijd maar bijzonder onder de oude leden zal ons pastoraat vermanend moeten zijn. Want deze leeftijd heeft zijn bijzondere gevaren en zonden, die geloof en geloofsgroei tegenwerken.

In de Bijbel vinden we er tal van voor beelden van. Het ouder worden brengt voor vele gemeenteleden helaas geen ver dieping en verfijning van het geloofsleven mee.

We weten het uit het leven van Izaak, Saul en Salomo. De zonden en gevaren zijn heel verschillend en aan elkaar tegengesteld. Er zijn er die leven alsof ex geen eind aan komt. Er is het gevaar van verdringing op dit punt; men wil er niet over praten. Aan de andere kant de relativistische loomheid, de gelatenheid, de melancholie. Ook de egocentrische enghartigheid. Ik denk ook aan wat Paulus met het oog op de oude generatie in de gemeente Titus voorhoudt, 2 : 1—5. Thomas van Aquino heeft eens geschreven: „oude mannen zijn achterdochtig tengevolge van hun verminderde lichaamswarmte, oude vrouwen echter nog meer en dezen zijn ook babbelziek”. De gierigheid tengevolge van het feit, dat men steeds meer moest afstand doen van de dingen en het leven, de ongelovigheid', van wege de ervaring, dat al zoveel in het voorbije leven niet waar gemaakt werd noch na belofte gedaan de afgunst uit behoudzucht, enz. dienen eerlijk, wanneer ze zich vertonen, te worden genoemd. Hier ligt ook een giote moeilijkheid. Neigingen van jaren kunnen bij het afnemen van geestelijke en lichamelijke kracht gemakkelijk uitgroeien. Maar de ambtsdrager moet ze onderkennen en ze bewust maken en de broeder of zuster er uit wakker schudden. Hier is soms moed nodig. En vooral tact. Men zal een oud man niet hard vallen. Maar het evangelie is „harder” dan wij het vaak wel brengen. Het gaat hier om de eerlijkheid, en wat nodïg is om te kunnen sterven. Het gaat erom, dat we Gods vergevende liefde niet over de zonden van de zondigende ouden heenleggen, lief en zoetsappig. „Onze oudjes” zijn volwassen mensen, die een ver antwoording hebben tegenover de Here, die zo meteen opgeroepen worden, die hun leven niet moeten willen behouden, maar het moeten verliezen om behouden te worden.

,.In de bearbeiding van de gemeenteleden die aangekomen zijn in de laatste en moeilijkste en beslissende fase van het leven, zal bijzonder moeten blijken, of we herder zijn of huurling.” (Gilhuis).

En de intensieve ambtelijke omgang met de bejaarden kan preventief werken voor de ambtsdrager in de kracht van zijn leven, niet in de zin van: ik zal wel zorgen, dat mij dat niet zal overkomen als ik oud ben straks, maar wel tot gebed om ontdekking en bewaring, correctie en heiliging, juist ook met het oog op d'e ambtelijke zorg aan héél de gemeente. Het oude deel van degemeente is de spiegel van de toekomst van de gemeente, die nu in de kracht van het leven staat. Soms een spiegel, waarbij we zeggen: zo niet. Maar ook: om zó oud te mogen worden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.