+ Meer informatie

hEt oostERSE Landschap

7 minuten leestijd

GRENZEN VAN PALESTINE (vervolg)

b. De Zuidgrens.

Deze grens schijnt in oude tijden niet steeds op dezelfde plaats gelegen te hebben, maar werd nogal eens verschoven naar tijd en omstandigheden. Als ideaal gold in het zuidwesten de beek van Egypte of de rivier van Egypte en in de tijd van de meeste bloei, de tijd van koning Salomo, lag de grens hier ook inderdaad. „Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en gans Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des Heeren, onzes Góds, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen." (1 Kon. 8 : 65). En in Jes. 27 : 12 lezen we: En het zal te dien dage geschieden, dat de Heere dorsen zal, van de stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte; doch gijlieden zult opgelezen worden, een bij een, o gii kinderen Israëls!'

Deze rivier van Egypte wordt in de Statenvertaling ook Sichor genaamd bv. in Joz. 13 : 3: Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden" enz. Sichor en de rivier van Egypte is dus hetzelfde. Zoekt men nu op een atlas de rivier van Egypte op, dan blijkt die nog heel wat zuidelijker te liggen dan Berseba. Meestal vindt men op de kaart staan: eek van Egypte.

Was de rivier van Egypte de zuidwestelijke grens, de meest zuidelijke grenspunt was de Kcde Berg oorspronkelijk: Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israëls, en zijn laagte. Van de Kcde Berg, die opwaarts naar Seïr gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen en doodde hen" (Joz. 11 : 16 en 17). Deze berg is teruggevonden als een zwarte, kale heuvelrug door de Oostenrijkse geleerde en reiziger Alois Musil. In een gesprek met twee bedoeïenen in die omgeving noemden zij het woord Ilalak (— kale berg.) Musil was blij verrast, want in de kanttekeningen van onze oude Statenvertaling wordt dit woord ook genoemd: andere behouden het Hebr. woord Halak, als zijnde een eigen naam." Ondertussen blijkt uit een atlas, dat de Halak heel wat zuidelijker ligt dan Berseba.

Bekijkt men weer een kaart uit de dagen van Salomo, dan blijkt de zuidgrens

nog veel zuidelijker gelegen te hebben, n.1. bij Elath en Ezeon Geber aan de golf van Elath.

Meestentijds lag de zuidgrens echter in de buurt van Berseba, Men denke slechts aan de bekende bijbelse uitdrukking „van Dan tot Berseba toe" Ten zuiden van deze stad en voordat de vlakke woestijn begint, liggen „zestig mijlen bergachtig terrein, meest bestaande uit steile kammen, oost en west lopende." Geen grote weg leidt er doorheen en heeft er ook nooit door geleid. Op dit punt was het land dan ook gemakkelijk te verdedigen. Israël zelf ondervond dat: Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u te geinoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletteren u in Seïr tot Horma toe." (Deut. I : 44.) We mogen echter niet vergeten, dat hier de Heere niet mee ging in de strijd. Israël wilde hier toen tegen Gods wil het Beloofde Land binnendringen.

Toch blijkt ook weer bij de Zuidgrens, evenals we dat gezien hebben bij de Oostgrens, dat het land ook hier op een natuurlijke manier van de omgeving werd afgesloten. Wij hopen daar nog nader op terug te komen.

c. De Westgrens.

„Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale naar het westen zijn" (Niun. 34 : 6).

Deze zang van de nabije zee heeft vaak haar nagalm in het Oude Testement. Over die wijde zee gebiedt God in volle majesteit en in talrijke bijbelteksten wordt over de zee gesproken als gehoorzaam aan de Almachtige. Toch bleef de zee voor de mens een gevreesde macht. „Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeën bruisen, en wee het geruis der natiën, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen. (Jes. 17 : 12.) De joden hadden dan ook geen liefde voor de zee, hun hart ging er niet naar uit. Nooit zijn ze een zeevarend volk geweest. Wanneer er in de psalmen herhaaldelijk over scheepvaart en handel op grote wateren wordt gesproken, wordt veel meer uitgeweid over de gevaren der zee b.v. „Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis." (Ps. 48 : 8) Men zie ook ps. 107 Niettegenstaande de grote zee — de Middellandse Zee aangewezen werd als westgrens, was de kustvlakte de meeste tijd niet in het bezit van Israël. Misschien komt voor een deel het ook wel daardoor, dat de [oden geen zeevarend volk zijn geweest. Flavius Josefus zegt zelfs: Wij bewonen geen land aan de zee en verblijden ons niet in de handel."

Neen, de kustvlakte werd meestal bewoond door de Filistijnen, de Noormannen van de Middellandse Zee, eigenlijk een Europees volk. In de eerste helft van de twaalfde eeuw v. Chr. drongen ze van uit Kreta en andere eilanden het land der Pelistim = Filistijnen = Palestina binnen en vestigden zich in de kustgebieden. De westgrens kwam dus oostelijker te liggen, althans in een groot deel van Israëls volksbestaan.

In het eerste artikel over dit onderwerp meldden we, dat er tussen de kustvlakte en het bergland een heuvellandschap ligt, in de Bijbel genoemd: e aflopingen der wateren: Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; " enz. (Joz. 10 : 40) Dit heuvelgebied, deze aflopingen der wateren tussen de kustvlakte en het bergland vormde dikwijls de grenszoom. Het was oudtijds het gebied van de guerillaoorlogen tussen Israëlieten en Filistijnen. In deze streek nu, ongeveer langs de 35ste lengtegraad, heeft zich in oude tijden een aardverschuiving voorgedaan. Een gedeelte van de aardkorst schijnt daar verzakt te zijn. Het bergland heeft daardoor in het westen een scherpgevormde rand, die in het landschap nu nog goed zichtbaar is. Ook in de Bijbel komt dit verschil in hoogte voor. Er wordt n.1. gesproken over het Hoge Beth Iloron en het Lage Beth Iloron. Het eerste ligt 617 m boven de zeespiegel, het laatste 399 m, dus een verschil in hoogte van 218 m, terwijl de plaatsen toch dicht bij elkaar liggen. Deze streek langs de aardverzakking is ook lange tijd de westgrens geweest.

Evenals bij de zuidgrens, blijkt dus ook de westgrens geen vaste lijn geweest te zijn.

d. De Noordgrens.

Hierover kunnen we kort zijn, want deze wordt helemaal gevormd door een groot en vrij hoog bergland, slechts onderbroken door „de wateren van Merom, " Hier vormt dus het gebergte een natuurlijke grens. Ten oosten daarvan ligt de geweldige hoeksteen van deze bergen: de Hermon. De weg uit het noorden loopt hier door de smalle kustvlakte.

In het noordoosten ontbreekt een natuurlijke grens. We vinden daar n.1. een dal, dat dwars door het gebergte loopt en waarin de Jarmoek stroomt. Hier ligt dus het land open in de richting van Damaskus. Door dit dal kozen de Syriërs hun weg om het noorden en oosten van Israël aan te vallen, vooral in de dagen van Hazaël: In die dagen begon de Heere Israël af te korten; want Hazaël sloeg ze in alle landpalen van Israël." (2 Kon. 10 : 32).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.