+ Meer informatie

DE BRON DES LEVENS

6 minuten leestijd

Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7 : 37b.

3.

Toen Mozes de rots geslagen had, vloeide het water met grote overvloed, zo ook de geslagen Rotssteen Christus Jezus. Zijn bloed heeft gevloeid, een stroom van genade is hier tot reiniging van de grootste der zondaren. Het is een onuitputtelijke bron. De drieënige God is er de verborgen ader van.

O, daarom alle gij dorstigen, komt tot deze wateren. Gij, die van God vreest geslagen te worden, vlucht tot deze geslagen Rotssteen. O, alle bedrukten, ongetroosten, door onweder voortgedrevenen, hier is de fontein van genade en barmhartigheid ontsloten. Deze wateren toch zijn verkwikkend, reinigend en genezend. Daar is geen smart of hier is troost, geen zonde of hier is een wonde. Ja, die van dat water drinkt, het zal in hem worden een fontein, springend tot in het eeuwige leven.

Vraagt ge, waarin dit komen bestaat? Het is een komen in de genegenheden en uitgangen der ziel.

Het geeft ook te kennen, dat de ziel de kracht van Jezus' nodiging heeft leren kennen en ervaart. Voorts dat ze eigen rampzalige toestand heeft leren verstaan, dat ze zich buiten Christus een gans verloren schepsel bevindt, daarentegen Christus in al Zijn graveerselen, zo vol, zo rijk, zo alles te boven gaand beminlijk en dierbaar, noodzakelijk en onmisbaar.

Het gaat hier als met de amechtige woestijnreiziger, die reeds al te lang uitzag naar een teug verkwikkend bronwater. Doch daar heft zijn lastdier de kop omhoog en het versnelt zijn pas, en dit voorspelt hem dat de plaats der verkwikking nabij is en zijn blijdschap hierover niet kunnende bedwingen, roept hij het zijn medepelgrims toe: een oase, een oase! Zo nu is het ook met de ziel gesteld, die tot deze fontein komt. Zij heeft maar één doel voor ogen, maar één begeerte vervult haar, dat is Jezus, daar strekt zich al haar lust en liefde heen.

Buiten Hem moet zij jammerlijk om komen Buiten Hem is niets dan een rampzalige woestijn en daarom roept ze uit deze woestijn: „O Heere, mijn ziel en lichaam hijgen naar U, in een land dor en mat, zonder water”.

Vanuit die woestijn vlucht zij tot de fontein van het water des levens, van uit he. Sodom der zonde tot het Zoar der behoudenis, vanuit de woeste zee tot de behouden haven. Voor zulk één wordt het een omkomen in zichzelf, een wanhopen over zichzelf. En wat nu alles afsnijdt, is, dat ze leren, dat ze geen voeten hebben om tot Hem te gaan en geen handen om Hem aan te grijpen. Zij leren hun totale machteloosheid kennen, daarbij ervarend de kracht van hun verdorvenheid, die hen als met duizend zelen naar beneden trekt. Ja, dat doet hen vaak moedeloos in deze woestijn ter neder liggen en wenen. Hier wordt vervuld: „Ik zal ze voeren met geween en met smekingen zullen ze komen”. Ja, dan roepen ze met de bruidskerk:


Zonder U kan ik niet zuchten
Noch van hier naar boven vluchten
Zonder U niet zijn verblijd
Schoon Gij goedertieren zijt.


O eeuwig wonder van aanbiddelijke ontferming, die tot die Rotssteen komt om te drinken. O zeker, dat komen is geen weg naar het vlees; het is een weg van omkomen en sterven aan zichzelf, het is een weg, waarin het verfoeilijk en hovaardig ik ten diepste wordt vernederd. Want die tot deze fontein komt, is een gans amechtige en ellendige, een gans ontblote en ontledigde, die onder al wat hij is en niet is de dood leert schrijven.

Want zie, de wet geeft hem niets dan slagen. Gods gerechtigheid verschrikt hem. En ook Jezus heeft geen troost voor hen, zolang ze het leven nog in eigen hand vinden.

Doch eeuwig wonder, zalig zielsgeheim, wat alleen voor ondervinding vatbaar is.

aar de ziel nu denkt om te komen, daar wordt ze juist in de weg van sterven behouden. En in de weg van verloren gaan vindt ze het leven. Daar ze denkt slagen te ontvangen, ontvangt ze de kussingen Zijns Woords. En dat alleen door de geslagen steenrots.

Christus riep eenmaal uit: „Mij dorst”. Daarin heeft Hij niet alleen het water des levens verworven voor Zijn volk, maar ook toen dorstte de Middelaar naar de dorst van Zijn volk, nl. versta het wel, dat Zijn volk zou gaan dorsten naar God en Christus.

Christus’ zijde is doorstoken en terstond kwam er bloed en water uit: rechtvaardiging en heiligmaking. De doorstoken Christus vruchtbaar tot een fontein des levens.

„Die kome en drinke”. Dit drinken geschiedt waar een zondares wenend aan Jezus’ voeten ligt, een tollenaar gerechtvaardigd afgaat naar zijn huis, waar een Thomas uitroept: Mijn Heere en mijn God; een Maria haar Rabboni stamelt, en een Petrus onder tranen belijdt: „Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet, dat ik U liefheb”.

Om tot deze wateren te komen, hebben gij en ik de grootste noodzaak, want daarbuiten is niets dan een eeuwig zielsverderf.

Is er bij ons reeds die behoefte, die dorst naar de Bron des levens? Indien ja: Het rechte kenmerk is hier, dat we niet bevredigd kunnen zijn in het dor.sten zelf. Ofschoon hier reeds veel zaligheid en zoetigheid in ligt, nochtans zal het alle oprechten van hart er om te doen zijn te komen tot het geloof, dat hier voorkomt, onder de benaming: drinken. Sta veel naar een ontdekkende prediking. Wees met geen algemeen werk tevreden. Een algemene bediening des Geestes kan ons brengen met onze schuld vóór God, maar niet onder God. De zaligmakende bediening leert geen andere grond om te rusten dan alléén in de borggerechtigheid van Immanuel, waardoor de deugden Gods worden opgèluisterd. De Vader bevredigd, de zondaar weer in God teruggebracht, hersteld, even alsof hij nooit zonde gekend of gedaan had.

Daarom, oprechten van hart, mochten we veel verwaardigd worden om ledige vaten de Heere te tonen Laat, om te komen tot die fontein, de bede van de kerk de onze zijn: „Trek mij en wij zullen U nalopen”. En gij, diegedrenkt werd uit deze fontein, wat kracht ligt in deze wateren Ja, Christus zegt enkele verzen verder: „Het zal in hem worden een fontein springende tot in het eeuwige leven”.

Is hier temidden van dit Mesech dit water zo zoet en dierbaar, wat zal het zijn, als straks in nooit gestoorde zaligheid de volle verzadiging zal plaats vinden, dan als het pelgrimskleed veranderd zal worden in het kleed der gezaligden. En uw reisstaf zal ingewisseld worden voor de palmtak der overwinning, om dan water te scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils. Om dan verzadiging van vreugde te genieten in de drieënige God, lieflijkheden aan Gods rechterhand eeuwiglijk.

Dat zal het eeuwig loofhuttenfeest zijn, hier boven; daar zal zijn de zuivere rivier van het water des levens klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods en des Lams.


Daar zullen dan de blijde zangers staan
De speellien op de harp en cimbel slaan
En binnen U al mijn fonteinen wezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.