+ Meer informatie

GELOOFSBELEVING IN EEN GESTRESSTE SAMENLEVING

27 minuten leestijd

1. Ter inleiding: een moeilijk huisbezoek

Het valt ouderling Jansen niet mee, dit huisbezoek. Hij had er ook al erg tegenop gezien. En daar zit hij nu, zoekend naar de juiste woorden. Het gesprek verloopt moeizaam; wat br. en zr. Willemse zeggen komt ook te snel, en klinkt mechanisch-oppervlakkig. Het is geen gesprek van hart tot hart. Alsof er iets tussen zit. Wat zijn ze veranderd, denkt Jansen. Drie jaar geleden, toen Willemse ontheffing uit het ambt vroeg, was hij nog heel anders. Je ziet hem tegenwoordig ook steeds minder in de kerk. Wat is er toch met hem! Het gesprek stokt. Hij ziet hoe Willemse steels op z’n horloge kijkt. “Enne… op uw werk alles goed?” probeert Jansen, haast automatisch. Maar hij merkt dat Willemse gelijk wat gespannen raakt. “Ach, beetje druk” is het ontwijkende antwoord. “Nee, hij is véél te druk, heb ik al zo vaak tegen hem gezegd”, schiet opeens zr. Willemse uit. “‘Hij komt elke avond later thuis en dan is-ie helemaal op, uitgeblust”. “Is dat al lang zo?”, vraagt Jansen. Willemse gaat op het puntje van zijn stoel zitten en begint te vertellen, voor het eerst echt bij het gesprek betrokken. Het zit nogal diep. Het is vechten voor z’n baan. De avonden die hij over heeft, zit hij nog laat achter de t.v. voor de broodnodige ontspanning. Tijd voor het gezin, voor het gebed, voor bijbellezen blijkt Willemse steeds minder te hebben. De lust en de zin daartoe ontbreekt ook steeds meer, zo gestresst voelt hij zich vaak, opgeslokt door z’n werk. En de kerkdiensten dan? “Ik zal ’t u maar eerlijk zeggen: ik ben soms zo afgedraaid dat ik nauwelijks fut heb, laat staan twee keer op een zondag”.

Er viel een stilte. En wat zei br. Jansen toen?… Het werd laat, die avond. Jansen kwam moe thuis, met een onbevredigd gevoel. Wat ligt het soms gecompliceerd, dacht hij. Maar Jansens vrouw had een idee. Ze moesten er eens een keer een ambtsdragersconferentie aan wijden, zei ze, en daar ga jij dan maar naar toe.

2. Het verschijnsel stress: feiten en cijfers

Stress is niet meer weg te denken uit onze moderne samenleving. Sommigen noemen het zelfs dé volksziekte van de jaren negentig! Het wordt steeds duidelijker dat stress een niet te onderschatten probleem vormt waarvan een bedreiging uitgaat voor het welzijn van onze samenleving en voor de fysieke, psychische en geestelijke gezondheid van de mens en diens sociale functioneren. Minder duidelijk is hoe je het begrip “stress” precies moet omschrijven.1 Het is een Engels woord, dat eenvoudig “spanning” of “druk” betekent. Het betreft een normaal reactieverschijnsel; stress is zeker niet per definitie iets negatiefs. Een mens ervaart immers in alle mogelijke situaties stress, wanneer hij zakt, maar ook wanneer hij slaagt, wanneer hij rouwt en wanneer hij trouwt, bij een ontslag en bij een promotie. Stress stelt een mens zowel fysiek als psychisch in staat om alert en adequaat te reageren op sterke prikkels uit zijn omgeving.

In het kader van deze conferentie zal ik het woord stress vooral gebruiken zoals het in de volksmond klinkt, in de negatieve zin van werkstress. Deze stress ontstaat wanneer de werkdruk structureel en constant de spankracht van een mens te boven gaat en zijn draagkracht ondermijnt. Overspanning en “burn-out” (letterlijk: het opgebrand zijn) zijn vaak het gevolg: het wegebben van het weerstandsvermogen en de levensenergie, waardoor lusteloosheid en frustraties gevoed worden. Alle rek is er dan uit bij de betrokkenen, ze zijn “op”.

In de recente tijd is er veel onderzoek verricht naar de omvang en de consequenties van stress. Je schrikt van de uitkomsten: 65% van onze medeburgers geeft aan onder te hoge werkdruk te moeten leven en presteren. In bijna 30% van het totaal aantal arbeidsongeschikten in de WAO gaat het om gevallen van overspanning en burn-out. Een derde deel van de werkenden heeft wekelijks te maken met vele uren overwerk. Moeilijker meetbaar zijn de oorzaken van ziekteverzuim, maar dat stress daarbij een aanzienlijke rol speelt wordt veelal aangenomen. Vele ouderen moeten voortijdig hun werk beëindigen; steeds minder hoor je van een 40-jarig jubileum op het werk. In dit alles is Nederland koploper in Europa. Met de gevolgen van werkstress zijn astronomische bedragen gemoeid; een schatting van f 10 miljard op jaarbasis schijnt nog aan de lage kant te zijn.2 De opmars van de stressmaatschappij: onder deze veelzeggende titel werd recentelijk een gezaghebbende studie gepubliceerd.3

De toename van werkstress staat in de context van bredere maatschappelijke ontwikkelingen. In het algemeen lijkt onze samenleving steeds meer gekenmerkt te worden door drukte, gejaagdheid, constante veranderingen en een versneld levenstempo. “Hoe is het met je, druk?”, zo luidt een standaardvraag die het antwoord bij voorbaat al invult. Uit alle lagen van de bevolking komen signalen dat men weinig aan rust en echte ontspanning toekomt; zelfs VUT-ters en gepensioneerden geven regelmatig te kennen dat zij het nog zo “druk” hebben. Niet alleen bij hen die deelnemen aan het arbeidsproces maar ook bij hen die daarbuiten staan, is sprake van veel stress.

3. Nuchterheid in eerste instantie

Uiteraard is het aan een complex van factoren te wijten dat onze samenleving meer en meer gestresst raakt, om welke reden wij in de beoordeling van dit verschijnsel de nodige voorzichtigheid moeten betrachten. Dan zal een dosis nuchterheid - zo is onze eerste reactie - ook niet mogen ontbreken, en wel om een viertal redenen. Ten eerste moeten wij het verleden niet idealiseren. Ook in vroeger tijden leefden mensen soms onder grote stress, als gevolg van uitputtend lange werkdagen van maandag tot en met zaterdag, kindersterfte, armoede, slechte sociale rugdekking en amper enige oudedagsvoorziening. Ten tweede kun je je afvragen in hoeverre het huidige stressprobleem ten dele niet een aanpassingsprobleem is - en dus een tijdelijk verschijnsel - dat in omvang en intensiteit zal afnemen zodra de samenleving de overrompelende ontwikkelingen van de afgelopen kwart eeuw beter heeft verwerkt. Wij maken immers met elkaar een cultuuromslag mee die niet gering is: het hele bestaan is versneld, de communicatielijnen worden steeds korter, de hoeveelheid informatie en het aantal decibels waarmee wij worden bestookt steeds groter, de files langer, de bereikbaarheid via mobiele telefoon, fax en e-mail steeds beter, terwijl we ondertussen met steeds meer mensen op hetzelfde beperkte grondgebied leven. Geen wonder dat velen zich opgejaagd voelen. Daarbij komt dat door de moderne technologie het karakter van de arbeid veranderd is; allerlei takken van arbeid leveren steeds minder fysieke en steeds meer mentale belasting op. De verwerking van en aanpassing aan een nieuw werkklimaat vergt tijd en veroorzaakt ondertussen stress. Ten derde houden we er rekening mee dat er ook iets modieus kan liggen in het moderne stressprobleem, en dat er nogal wat kouwe drukte is.4 Het “druk-druk-druk” is soms een bewust gekozen levensstijl, een volle agenda een statussymbool. Je hoort er niet meer bij als je het niet druk hebt. Ten vierde is het van belang te weten dat in de ervaring van stress grote verschillen optreden, individueel en collectief. Karakter en persoonlijkheid spelen een belangrijke rol. Wat voor de één stressverwekkend en deprimerend is, is voor de ander een uitdaging waarvan hij geniet. Kortom: laat ons oordeel over stress nuchter en genuanceerd zijn.

4. Een structureel probleem

Alle nuchtere kanttekeningen ten spijt zie ik echter bepaald geen reden de ernst van de problematiek die hier ligt te bagatelliseren. Als er een stress-thermometer bestond, dan zouden we het kwik daarin gevaarlijk zien oplopen in onze dagen. Er lijkt echt iets fout te gaan in Nederland. Een cijfermatige vergelijking tussen de huidige situatie met die van zo’n 20 à 25 jaar geleden toont onmiskenbaar een alarmerende toename van klachten over werkdruk en van uitval door stressproblemen.5 Onze samenleving raakt steeds meer en steeds sneller gestresst. De oorzaken hiervan zijn mijns inziens structureel van aard.

De primaire oorzaak hebben we te zoeken in de flitsende economische ontwikkelingen en het jagen naar de groei van onze welvaart, gedragen door een pertinent vooruitgangsgeloof.

Het gaat goed met de B.V. Nederland, en dat moet zo blijven.6 Daarom is alles gericht op schaalvergroting, verhoging van capaciteit en productie, versteviging van de concurrentiepositie en perfectionering van de efficiëntie. Bezuinigingen jagen de werkdruk alom op, wat bijvoorbeeld in de zorgsector duidelijk merkbaar is. Terwijl het gemiddeld aantal werkuren per week afneemt, groeit de arbeidsintensiteit. Van steeds minder mensen wordt steeds meer gevergd, op basis van ongekende mogelijkheden door technologische vernieuwingen. Nauwelijks hebben we geleerd het woord flexibilisering7 te spellen of de eis van employability dient zich al aan. Men moet zich waarmaken, zich in de markt blijven prijzen, vaak achter het werk aan verhuizen, en leren leven met alle onzekerheid over de toekomst en onduidelijkheid over de eigen rol. Er zijn er die spreken van “sociaal darwinisme” in het bedrijfsleven; slechts de sterken overleven (“survival of the fittest”). Kostenbesparing, fusie, reorganisatie zijn aan de orde van de dag.

De 24-uurs-economie gaat de geesten beheersen. In de circelgang van productie en consumptie, rendement en concurrentie klinkt de roep om beter, meer, sneller. Aan dit alles paart zich de bevordering van een hedonistische cultuur, een genotscultuur. Men jaagt, gestimuleerd door onophoudelijke reclame-impulsen, naar vermeerdering van bezit en comfort. De status van een mens wordt vaak meer bepaald door wat hij heeft dan door wat hij is. De consumptie moét ook wel groeien, wil de vaart in de economie blijven. Al met al is er reden om te spreken van de “economisering” van het leven.

Nu behoeft hard werken en het streven naar economische ontplooiing op zich nog geen bron van stress te worden. Het is door de combinatie met omgevingsfactoren dat velen de groeiende werkdruk niet langer aankunnen. Hierbij denk ik met name aan de aantasting van een gezond religieus en sociaal klimaat in onze samenleving.

In vroeger tijden bezat de gemiddelde Nederlander stellig meer dan nu een vast patroon van normen, waarden en zekerheden, een levensbeschouwelijk referentiekader waaraan hij houvast had en waaraan hij zin ontleende. Sindsdien heeft de moderne mens, voor wie het geloof verschrompelde tot een onduidelijke privé-kwestie, de tradities overboord gezet, zodat onzekerheid en rusteloosheid de blaren zijn waarop hij nu moet zitten. En zijn wij niet wereldburgers geworden, met binnen handbereik een oerwoud van meningen en levensstijlen? Wie of wat schenkt ons het ware? In dit geestelijk vacuüm werden voor velen wetenschap, technologie en economie de goeroes van het nieuwe geluk. Naast de doorwerking van het pluralisme zien we een verregaande individualisering van de samenleving. Het adagium “ieder voor zich” ondergraaft de onderlinge solidariteit en het verantwoordelijkheidsgevoel voor de ander. Begrijpelijk dat de werkstress bij de politie zo groot is! Steeds meer mensen missen een werkelijk “thuis”, een plaats van sociale ruggensteun, veiligheid en rust. Het huwelijk is onderhevig aan ernstige devaluatie, steeds minder mensen zien de waarde van een vast verbond van trouw en liefde waarbinnen man en vrouw in voorspoed én tegenspoed elkaar steunen. Veel opgroeiende jongeren ontbreekt het aan de emotionele nestwarmte van een goed gezin, waarin zij op evenwichtige wijze in de richting van de volwassenheid worden opgevoed. Het besef dat gezag en gehoorzaamheid van belang zijn lijkt massaal te slinken. Begrijpelijk dat in de onderwijssector zoveel uitval is. Het is ontstellend te merken hoe nieuwe generaties een oppervlakkige staccato-cultuur ontwikkelen, jagend van de ene kick naar de andere, met in het kielzog onzekerheid, angst en zelfs criminaliteit. Nu moeten we ons er wel voor hoeden een al te zwart beeld van onze cultuur en samenleving te schetsen, en voorbij te zien aan het vele goede dat er terdege ook is. Maar zoals de koorts in het menselijk lichaam een duidelijk ziektesymptoom is, zo beschouw ik de moderne stressproblematiek als een alarmsignaal van een maatschappij die lijdt aan een eenzijdige economisering van het leven ten koste van andere, zo belangrijke facetten van het menselijk bestaan.

5. De gevolgen van stress in maatschappij en kerk

De gevolgen konden niet uitblijven, en ze zijn groot. Cijfers spreken boekdelen en wie die aandachtig leest, stuit op een hoop ellende, vereenzaming en verarming. Het minst schokkend - hoewel verre van aangenaam - zijn dan nog de enorme financiële offers die de samenleving moet brengen. Het ergste is dat zovele medemensen opgebrand raken, gezinnen en relaties ontwricht worden, na jaren van toenemende spanning en afnemend levensgeluk. Hart- en vaatziekten krijgen extra kansen; rugklachten, hoofdpijnen, moeheidssyndromen slaan toe; eetverslaving en alcoholisme als gevolg van vluchtgedrag. Steeds meer mensen komen aan de zijlijn te staan, raken in een sociaal isolement, worden geplaagd door schuld- en minderwaardigheidsgevoelens. Ondertussen worden door hun uitval anderen weer meer belast, waardoor een vicieuze cirkel ontstaat. Bij dit alles tekent zich een nieuwe tweedeling in de samenleving af: enerzijds de werkende elite die beschikt over de middelen, comfort, status, maar een chronisch gebrek aan tijd heeft, anderzijds de niet-werkenden bij wie het precies andersom is.

Het behoeft geen betoog dat wij de sporen van dit stressprobleem ook in ons kerkelijk leven steeds meer tegenkomen.Ik denk daarbij allereerst aan de consequenties voor de persoonlijke geloofsbeleving. De verborgen omgang met God, de intieme oefening van het geloof in gebed, Schriftlezing en meditatie, de huisgodsdienst rondom de maaltijden en de viering van de christelijke feesten - dat alles vraagt om rust, evenwicht en tijd. Bidden bij een stopwatch gaat niet, bijbellezen bij een prikklok evenmin. Niet alleen tijdsdruk en jachtigheid, en wie van ons ontkomt daar geheel aan, maar zeker ook de eenzijdige levensoriëntatie op het economische en het materiële veroorzaken oppervlakkigheid in het geestelijk leven, en dus slijtage. Het gevaar dreigt dat de dingen steeds meer routinematig worden en dat een vormendienst ontstaat. Geen tijd voor God, bij hoeveel kerkmensen komt het daar dagelijks op neer?

Onherroepelijk werkt dit alles in de praktijk van het gemeentelijk leven door. Heel concreet in de moeilijkheden bij het werven van vrijwilligers voor allerlei taken in de gemeente. De animo voor het leiden van jeugdverenigingen, zondagsschool, studiekringen e.d. lijkt over het algemeen af te nemen, evenals de deelname aan de diverse gemeentelijke activiteiten. Evangelisatie- en zendingscommissies zijn niet zelden onderbezet. Veel hoofdbrekens kan ook de vervulling van vacatures in de kerkenraad kosten; steeds vaker wordt ontheffing uit het ambt aangevraagd. En hoe groot zal het percentage gemeenteleden zijn waarbij de dagelijkse stress één van de belangrijkste oorzaken is van een verminderde of zelfs ontrouwe zondagse kerkgang, met alle gevolgen vandien?

6. Hoe nu verder?

Wat het stressprobleem betreft komen vanuit onze samenleving inmiddels ook enkele wat meer moedgevende signalen. Het onderwerp zelf is allang geen taboe meer. Een bewustwordingsproces komt op gang. Het ene onderzoek na het andere analyseert oorzaken en gevolgen van stress.8 Artsen, psychologen en psychiaters beschikken over steeds betere kennis op dit punt, waardoor de hulpverlening adequater en effectiever wordt.9 De roep om stressmanagement wordt in brede kringen vernomen; er is zelfs een complete stressbestrijdingsmarkt gegroeid.10 Men kan in de openbare bibliotheken een keur aan literatuur over dit onderwerp vinden, waarmee ook ambtsdragers hun voordeel kunnen doen.11 De gevolgen van stress zijn zo ingrijpend, dat alom het besef daagt dat er iets moet gebeuren. Op dit punt is de jongste nieuwjaarstoespraak van minister de Boer van VROM over het onderwerp “onthaasting” goed geland.12

Wanneer het echter zou blijven bij correcties op technisch-organisatorisch niveau, aangevuld door een slagvaardiger medisch-psychologisch vangnet, is te vrezen dat de problemen weliswaar minder snel, maar toch nog verder zullen toenemen. We beseffen hoe uiterst gecompliceerd de dingen liggen, vanwege de verwevenheid met en druk van mondiale ontwikkelingen waarbinnen Nederland slechts een klein radertje vormt. De grondvragen van de economie en de geestelijke en culturele koers van onze samenleving kunnen echter niet buiten schot blijven. Ten diepste zijn de vragen die hier liggen levensbeschouwelijk van aard. Welke koers moeten wij varen?

Wat zou het mooi zijn wanneer we vanuit de kerken, hoe klein en gemarginaliseerd we ook zijn, over deze vragen publiekelijk iets van het licht van het evangelie zouden laten vallen en wanneer we mochten doorgeven en voorleven hoe heilzaam het is naar Gods geboden te luisteren. Ons past wel grote bescheidenheid. Ik vrees dat we als kerken in het verleden te naïef zijn geweest tegenover de “economisering” van het leven. Natuurlijk zijn wij dankbaar voor de mooie en goede dingen, waarvan we ook genieten, maar hoeveel hebben wij en passant ingeademd van de geest van het materialisme en individualisme toen we gefascineerd de vruchten van de groeiende welvaart plukten? Was onze prediking tegen wereldgelijkvormigheid wellicht te abstract of te selectief? Hoe het ook zij, wij worden geroepen een zoutend zout te zijn, ook heden, in deze gestresste samenleving. Dan zullen we enerzijds moeten onderkennen hoezeer van de hedendaagse ontwikkelingen een bedreiging voor geloof en kerk uitgaat, maar zullen we anderzijds ook de kansen willen benutten om als burgers van een ander Koninkrijk (Fil. 3: 20) te laten zien waar het in het leven hier en nu wérkelijk op aan komt.

7. Grondlijnen uit de Schrift

In de betovering van deze “heftige” tijd, nu alles op drift lijkt, en mensen geestelijk en moreel ontworteld in het economisch welzijn hun hoogste geluk zoeken, worden wij als christenen teruggeworpen op het ABC van het evangelie. Waar komt de mens vandaan, hoe staat het er met hem voor, waarheen is hij op weg, wie is God voor hem, wat vraagt God van hem? Ik verwacht veel van een bemoedigende en ontdekkende prediking, die wakker roept en de hoofdboodschap van zonde en genade doorvertaalt in de taal van heden en naar de wereld van vandaag. Opdat wij, ieder op de eigen plaats, de grondlijnen van het Woord van God proberen opnieuw in alle helderheid door te trekken naar ons concrete dagelijkse bestaan. Hier ligt een roeping voor ambtsdragers en voor iedere gelovige. Niet om een pakket pasklare antwoorden op alle vragen af te leveren - want dat hebben wij niet - wel om de goede richting te wijzen, aan elkaar en aan anderen. In het kader van ons onderwerp zijn in elk geval vier grondlijnen uit de Schrift van betekenis:

a. Ten eerste uiteraard de bijbelse visie op arbeid en rust.13 In een van de beroemdste literaire producten uit de oudheid, het Mesopotamische Atrachasis-epos, lezen we dat de mens geschapen is om de lagere goden die doodmoe en gestresst raken van het zware werk dat ze verrichten, hun last uit handen te nemen.14 Arbeid staat hier dus bij voorbaat onder een negatief voorteken. Er moet worden geproduceerd. Het Oude Testament daarentegen heeft een positieve visie op de zin van de arbeid. De mens is geroepen om de hof te bewerken en te bewaren (Gen. 2: 15), door God aangesteld als beheerder over de schepping (Gen. 1: 28). De mens is het beeld Gods, onderkoning en stedehouder. Na de zondeval valt over de arbeid de schaduw van dorens en distels, zwoegen en het zweet des aanschijns (Gen. 3: 17 v.; Pred. 3: 9v.): de noodzaak om te voorzien in het dagelijks levensonderhoud is erbij gekomen. Maar dat doet niets af aan de zin van de arbeid als positieve levensvulling, nl. dat daarmee God geëerd en de naaste gediend wordt, door de ontplooiing van het geschapene. Wanneer nu het economisch aspect van de arbeid verabsoluteerd wordt ten koste van het religieuze en sociale aspect, wijken we af van de bedoelingen van onze Schepper. Dat de mens werkt om te leven - voor God, de naaste en zichzelf - en niet andersom, dat hij leeft om te werken, wordt in de Bijbel onderstreept door de onlosmakelijke samenhang van arbeid en rust. Rusten betekent niet de afwezigheid van activiteit, maar het komen tot het doel. Sabbat, sabbatsjaar en jubeljaar houden verwijzingen in naar de rust, de sjalom, die naar Gods belofte komt (vgl. Hebr. 4). Wanneer de ritmische balans van arbeid en rust structureel verwaarloosd wordt zullen de problemen niet lang op zich laten wachten.

b. Een tweede bijbelse lijn betreft de waardering van geld en rijkdom. Geld, goed en bezit kunnen een zegen zijn en zegenrijk werken, maar niet voor niets bestaat er een afgod met de naam Mammon (Mat. 6: 24). Ondubbelzinnig wijzen het Oude en Nieuwe Testament op de verzoeking die van de rijkdom uitgaat. Hoe snel immers verheft zich de rijke boven zijn naaste en vergeet hij zijn God. De Prediker merkt op: “Wie geld liefheeft, wordt van geld niet verzadigd, noch wie rijkdom liefheeft, van inkomsten” (5: 9; vgl. Spr. 28: 20, 22). Daarom zegt de psalmist: “Als het vermogen aanwast, zet er het hart niet op” (Ps. 62: 11). En Jezus wijst op de zorg van de hemelse Vader, waardoor onze dagelijkse zorgen in een ander licht komen te staan: “Zoekt eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u bovendien geschonken worden” (Mat. 6: 25-34). Geen schatten op de aarde, maar schatten in de hemel moeten we verzamelen, “want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”’ (Mat. 6:19-21). Het zaad van het evangelie kan bij mensen terechtkomen maar verstikt worden door de dorens van “de zorgen van de wereld, het bedrog van de rijkdom en de begeerte naar al het andere” (Mc. 8: 18 v.). Paulus noemt zelfs de geldzucht de wortel van alle kwaad, waardoor mensen van het geloof afdwalen en in de ellende terechtkomen (1 Tim. 6: 6-10).15

c. Ten derde wijzen we op een lijn die eveneens door de hele Bijbel heen te vinden is: de aandacht voor het geringe, het zwakke, dat wat onder ligt. Wanneer wij om ons heen zien dat in deze gestresste samenleving hele groepen mensen die het niet meer mee kunnen maken, het niet meer bij kunnen houden, buitenspel worden gezet en aan de kant geschoven, dan mag ons dat als christenen niet onberoerd laten. Op grond van het bijbelse gebod, dat goed en heilzaam is, zal gewerkt moeten worden aan een genormeerde economie waarin plaats is ook voor de minder stressbestendigen en de kansarmen. Zo opteert prof. dr. B. Goudswaard voor de “economie van het genoeg” en recentelijk ir. R.A. Jongeneel voor de “economie van de barmhartigheid” (beiden zijn christen-econoom).16

d. Een vierde lijn die van groot belang is voor ons onderwerp merken wij op in de bijbelse noties van rentmeesterschap en vreemdelingschap. De mens is geen heer over, maar beheerder van wat God hem toevertrouwde. Hij zal eens als een rentmeester verantwoording moeten afleggen. Deze wetenschap spoort ons aan zorgvuldig om te gaan met onze talenten, onze bezittingen, onze naaste, onze leefomgeving. Zulks temeer, daar wij weten dat het uiterlijk van deze wereld bezig is te verdwijnen (1 Kor. 7: 31). Een christen is onderweg naar Gods grote toekomst. Daarom is hij wel in, maar niet van de wereld (Joh. 17: 11, 14), een vreemdeling en bijwoner op aarde (1 Petr. 1: 1; Hebr. 11: 13-16). Het leven in de richting van én vanuit het Koninkrijk van God bepaalt het hele bestaan in het heden. De carpe diem mentaliteit (“pluk de dag”’, vgl. Jes. 22: 13) staat haaks op de christelijke hoop en is in wezen dwaas (vgl. Luc. 12: 13-21; Pred. 5: 14 v.; 1 Tim. 6: 7).

8. Het individuele pastoraat

Deze bijbelse grondlijnen vragen om vertaling, concretisering en praktische toepassing. Om te beginnen door ieder van ons heel persoonlijk, met het oog op de vraag hoe wij zelf voor Gods aangezicht leven. Vervolgens door ons allen samen als ambtsdragers in de pastorale zorg waartoe wij geroepen worden, via huisbezoeken en persoonlijke contacten met broeders en zusters die ons zijn toevertrouwd. “Geloofsbeleving in een gestresste samenleving”: dat zou een geschikt thema kunnen zijn voor een winterseizoen huisbezoeken, gekoppeld aan een prekenserie over de vermelde bijbelse grondlijnen. Graag geef ik aan het einde van mijn referaat enkele doelgerichte suggesties mee met het oog op het geven van geestelijke leiding in deze zaken.

1. In het algemeen geldt dat het kennen van de mensen in hun eigen situatie, thuis en op het werk, van veel belang is. Een ouderling die ieder jaar opnieuw informeert wat voor werk de ander ook al weer doet, heeft veel tegen. Zeker als men weet van ingrijpende veranderingen op het werk, dreigende problemen, een ontslag, groeiende stress, kan onmogelijk volstaan worden met het jaarlijkse huisbezoek. Belangstelling, nabijheid, aandacht voor de ander - pas in die sfeer kun je herder zijn. Wees bedacht op gevoelens van schuld en minderwaardigheid. Psychologen leren ons hoezeer een mens sociale ondersteuning nodig heeft, zeker in situaties van stress, waarbij grote behoefte is aan een uitlaatklep, aan iemand die luistert en begrijpt.17 Dat mag dan toch zeker in de gemeente verwacht worden, van je eigen wijkouderling, die niet alleen naar je luistert en met je praat maar die ook met je bidt. Schriftgedeelten als Psalm 131 kunnen in zulke situaties heel bevrijdend zijn.

2. In een zorgvuldige pastorale ontmoeting zal de ambtsdrager het hart van de ander zoeken. Is dat hart levend voor God? En hoe beleeft men dan zijn of haar geloof midden in deze wereld die soms zo’n grote druk legt op de mensen? Het expliciet ter sprake brengen van de gevaren van de economisering van het leven, van de jacht naar welvaart en de zucht naar meer en sneller kan wakker schudden en preventief werken. Ontmasker de ideologie van het vooruitgangsgeloof. Wat betekent voor ons het “gij geheel anders” (Ef. 4: 20; 1 Tim. 6: 11)?

3. Spreek juist dan met de mensen door over de grote betekenis van ons christelijk geloof in de moeiten van déze samenleving waarin wij verkeren. Een levend geloof maakt uiteraard niemand immuun tegen stress of burn-out, maar wel meer toegerust en gewapend. De concrete oefening van dit geloof zal in elk huisbezoek onderwerp van gesprek zijn. De verborgen omgang met God, hoe geven we dat gestalte in het dagelijks leven? Zeker als mensen onder spanning en druk staan, is dit een wezenlijke vraag. Minister de Boer haalde in haar nieuwjaarstoespraak het oude Chinese spreekwoord aan “Heeft u haast, ga dan zitten”. Hoe drukker wij zijn, des te meer ruimte wij moeten maken voor stille tijd.

4. Een specifiek gesprekspunt betreft het gezinsleven. Wanneer de thuissituatie gezond is, kan een mens heel veel aan. Laten christenen extra alert zijn op het functioneren van hun gezin, rondom de maaltijden met gebed en Schriftlezing, in de viering van de feestdagen. En hoe wordt in het gezin de vrije tijd besteed? Het is mijn vaste overtuiging dat het frequente televisie-kijken in christelijke gezinnen veel schade kan aanrichten. Nog afgezien van het feit dat via allerlei films en series maar al te vaak de immoraliteit de huiskamer binnenstroomt en niet zal nalaten op den duur de geesten te beïnvloeden, kan gezegd worden dat de continue stroom informatie en snel wisselende beelden tijdens de avonduren verhindert, dat iemand na een dag hard werken psychisch en geestelijk weer in balans en tot rust komt. Dit is een heikel punt: de koppeling tussen het gezinsleven, het kijkgedrag en de geloofsbeleving.

5. Meer en meer staat in onze samenleving de zondagsrust onder druk. Volcontinu-diensten, een nieuwe winkeltijdenwet en talrijke uitgaansmogelijkheden veranderden voor de meeste Nederlanders het karakter van de zondag. Onveranderd klopt echter het hart van de christelijke gemeente in de zondagse erediensten. Laat de vreugde en de noodzaak van de viering daarvan voortdurend onder de aandacht van de broeders en zusters komen. Over eventuele zondagsarbeid en de principiële problemen die daarmee gemoeid zijn - een botsing van plichten moet geduldig en zorgvuldig doorgesproken worden.18

Waar het in dit alles op aan komt is dat de gemeenteleden worden toegerust en aangemoedigd om in afhankelijkheid van de leiding van de Heilige Geest de coördinaten voor een gezond geestelijk leven anno 1997 uit te zetten en te bewaken. Voor zichzelf, voor hun gezin, voor de gemeente - en van daaruit in deze gestresste samenleving hun weg te zoeken en in Christus’ naam een zoutend zout te zijn.

9. Tenslotte

“En, hoe was het?” vroeg zr. Jansen toen haar man weer thuiskwam, terug van de ambtsdragersconferentie. “Tsja, wat zal ik zeggen…”, zei hij, in gedachten. En toen ineens: “Ik denk, dat ik de familie Willemse nog even opbel, om een nieuwe afspraak te maken. Ik wil nog eens met ze praten, en - meer nog - met ze bidden”.

Prof. dr. H.G.L. Peels is hoogleraar voor de oudtestamentische vakken aan onze theologische Universiteit te Apeldoorn.

NOTEN:

1. J.A.M. Winnubst spreekt van een “kakofonie van begrippen, definities en theorieën” (Stressbestendigheid vereist. Feiten en fabels over stress, Deventer 1996, blz. 15-28).

2. Vgl. E. Schoots, “Burnout. De groei van de stressbestrijdingsmarkt”, in NRC Handelsblad 9 juli 1997 en H. Mochel, Stress, Kampen 1990, blz. 38.

3. J. Wansink, De opmars van de stressmaatschappij, Amsterdam 1994. Kritiek op zijn standpunt vindt men bij J.A.M. Winnubst, a.w., blz. 116-121.

4. Sommige deskundigen hebben dan ook hun twijfels over de vraag of de werkdruk in Nederland inderdaad hoger is dan in de rest van Europa. Zo meent de hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie van de Open Universiteit te Amsterdam, prof.dr. P. Drent: “Nederlanders klagen en piepen eerder over hoge werkdruk” (Nederlands Dagblad, 30 mei 1997).

5. Zie A.W.K. Gaillard, Stress, produktiviteit en gezondheid, Amsterdam 1996, blz.3v.

6. In de International Herald Tribune worden de economische successen van Nederland vergeleken met die van “Aziatische tijgers” als Singapore en ontvangt ons land de pluim “het Hong Kong van Europa” te zijn. Qua productiviteit per werknemer per uur loopt Nederland ruim aan kop binnen de Europese Unie, aldus F. van Hout in Management en Bestuur (uitgave van het ministerie van Binnenlandse Zaken) 1/1 (1997), blz. 6. Volgens M. Vroom is de arbeidsproductie van de gemiddelde Nederlander zelfs de hoogste ter wereld (Onder druk. Werkdruk en kwaliteit van de arbeid, Amsterdam 1995, blz. 11).

7. Een lezenswaardig artikel over de achtergronden van de flexibilisering van de arbeid schreef A.W. Overwater in Jaarboek 1997 van de christelijke gereformeerde kerken in Nederland, Amsterdam 1997, blz. 313-315.

8. Zo heeft onlangs de Industriebond FNV de Quick Scan Werkdruk ontworpen, een middel om het vage begrip “werkdruk” concreter in beeld te krijgen, aldus Nederlands Dagblad van 1 oktober 1997. Hetzelfde dagblad berichtte op 16 oktober jl. dat NWO een reeks onderzoeken naar psychische vermoeidheid op het werk heeft gestart, waarvoor een budget van f 10½ miljoen ter beschikking staat.

9. Onder strategieën voor stresspreventie of -beheersing noemen N. Suesan en M. Reiche o.a. ontspanningstechnieken, lichamelijke oefening (= sport), verstandig dieet, bevorderen van sociale ondersteuning, betere planning en organisatie, andere werkstructurering, aanpassing van de fysieke werkomgeving, betere informatieverschaffing, loopbaanbegeleiding, functioneringsbeheer, medicamenteuze en/of psychotherapeutische behandelingen (Het effect van stress. Oorzaken, gevolgen en de juiste aanpak van stress in de werkomgeving, Amsterdam 1983, blz. 61-76).

10. Vgl. M. Pieterman, Stressbeleid voor personeelsmanagers, Baarn 1995 en O.A.M. Fisscher e.a. (red.), Stress. Verstoring van beheersing en beheersing van verstoring, Deventer 1993.

11. Een aanrader voor kerkenraden en dominees is C. van der Leest, De stress de baas? Over weerbaarheid en werkdruk bij predikanten, Barneveld 1997.

12. Hoopgevend was ook de internationale conferentie die op 17 en 18 oktober jl. in Kopenhagen werd gehouden onder auspiciën van het Deense ministerie van sociale zaken. Leidinggevenden uit de gehele geïndustrialiseerde wereld brainstormden hier over sociale duurzaamheid, sociaal partnerschap en het belang van de integratie van zwakkere groepen in het arbeidsproces. Deze items zullen naar algemeen gevoelen in de nabije toekomst even belangrijk worden als de aandacht voor economisch rendement en het milieu.

13. Zie het heldere artikel van V. Hirth, “Die Arbeit als ursprüngliche und bleibende Aufgabe des Menschen. Beobachtungen am Alten Testament”, Biblische Zeitschrift 33 (1989), S. 210-221.

14. Vgl. R. Albertz, “Die Kulturarbeit im Atrachasis-Epos im Vergleich zur biblischen Urgeschichte”, in: R. Albertz (Hg.). Werden und Wirken des Alten Testaments (Fs C. Westermann), Göttingen 1980, S. 38-57.

15. In het afgelopen jaar werd vanuit diverse kerken geprotesteerd tegen het opdringen van de economische belangen ten koste van de menselijke waardigheid, zoals tijdens de manifestatie “Het geld of je leven” in de Overijsselse gemeenten Hellendoorn en Nijverdal.

16. Zie R.A. Jongeneel, “Het is hollen én stilstaan”, Koers 28/14 (1997), blz. 20-25.

17. Ik las ergens de goede suggestie om gemeenteleden die hetzelfde beroep hebben en wellicht met dezelfde problemen geconfronteerd worden, met elkaar in gesprek te brengen.

18. Voor deze materie kan men o.a. terecht in de brochure van de christelijke gereformeerde deputaten Kerk en Bedrijfsleven uit 1990, Een pastorale handreiking bij zondagsarbeid (Signaal nr. 5).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.