+ Meer informatie

Uit de Praktijk

6 minuten leestijd

Toen wij indertijd met u een gesprek hadden tijdens huisbezoek, en het die avond erg laat geworden was, hebben wij gezegd, dat wij nog eens terug wilden komen, want in onze gesprekken hoorden wij dingen waar wij zeker nog eens met u over spreken moeten. U maakte toen een paar aanmerkingen over het leven van sommigen, waarvan wij geloven dat de Heere een genadewerk in hun harten gewerkt heeft, maar die volgens u niet zo serieus leven, daar op hun gedrag nog wel heel wat aan te merken is.

„Ja, dat is waar. Ik noemde toen een paar gevallen, en wat ik u vertelde weet ik van heel nabij. Ik praat daar liever niet over, maar het kwam in het verloop van ons gesprek naar voren, en we kunnen toch ook alles niet goedkeuren al zijn het bekeerde mensen. Er wordt toch op gelet en naar gezien, nietwaar?

„Ja vriend, al zijn dat mensen waar de Heere grote wonderen aan verricht heeft, daarom zijn ze niet gewaarborgd tegen vallen en struikelen. De hoogst begenadigden liggen er voor bloot. Jacobus zegt dat we dagelijks in vele struikelen, en ziet eens naar David en Petrus, hoe diep die gevallen zijn, maar ze zijn door genade niet vervallen. De Heere richtte hen weer op uit hun zware val.

Als een mens met God te doen krijgt, gaat zulk één zien dat hij een zondaar is. Veelal krijgt hij te doen met zijn eerst bijliggende of boezemzonden, dat zijn die zonden, waar hij het meest aan vast zit. De één aan geldgierigheid, de ander aan wellust, een derde aan hoogmoed. En zo heeft ieder een zonde, waaraan hij het meest vast zit en die hij het meest bedrijft.

Maar als de Heere nu gaat werken in zijn hart en hij wordt overtuigd, en overgebogen inzijn wil en begeren, dan is het tegen de zonden: Henen uit! Dan ziet hij in de zonde de dood, dan krijgen de zonden een flinke klap, maar dan begint de strijd pas tegen de zonden, want dan komen er later wel eens tijden, dat juist die hoofdzonden de kop weer opsteken; laat staan dat het gebeurt dat men soms lust krijgt tot zonden, daar men vroeger niet in geleefd noch aan gedacht heeft; zonden die hem als een wandelaar overkomen”.

„Ja maar, daar kunnen ze het toch niet onder uithouden, want dat volk gevoelt het toch als ze zo zondigen? Kunnen ze dat nu altijd maar volhouden? Krijgen ze dan geen tijden dat ze er moeite mee hebben? Ik begrijp dat niet en kan daar niet bij”.

„Ja vriend, ik durf niet te zeggen hoe ver het gaan kan, en hoe diep een mens vallen kan, die genade heeft ontvangen. Maar dit is zeker, dat ze van de genade niet vervallen kunnen. Zij worden in de kracht Gods bewaard tot de zaligheid, maar door zo te leven en de zonden toe te geven maken zij het zichzelf zo moeilijk. Het kan lang duren vóór zij er erg in krijgen waartoe de zonden hen hebben gevoerd. Wanneer zij gaan merken en gevoelen dat ze nu missen hetgeen hun voorheen zo lieflijk en zoet was, namelijk toen zij zo teder gesteld waren en de nabijheid des Heeren mochten proeven en smaken, toen ze de zonden zo haten konden en vlieden, en hoe zij nu dat tere en nabije leven missen, ’t Is voor hun waarneming of de Heere hen verlaten heeft, ’t Is koud en donker van binnen en waar nu heen? Zij hebben God verlaten door hun zonden. Dan komt de schuld naar hen toe, en verfoeien zij ichzelf vanwege hun afmakingen. Dan komen daarbij wel die twijfelingen of de Heere hun ook die zonde wel vergeven wil en zal; daar gaat dan zoveel in zulk een ziel om. Maar wordt zulk één verwaardigd om in deze met berouw en schuldbelijdenis onder de Heere te komen, hetwelk met smekingen en tranen gepaard gaat, en hij mag dan als opnieuw ervaren dat de Heere gaarne vergevende is, wat een ootmoed en verwondering vanwege de grote daden des Heeren, aan zulk één bewezen, is daar de vrucht van. Daar wordt een ziel klein onder, dat is maar voor beleving vatbaar.

Maar u sprak over misdragingen van bekeerde mensen, welke zeker aanstotelijkzijn. Ik wil u eens vertellen wat ik in mijn jeugd door mijn grootvader hoorde vertellen.

In één van onze dorpen woonde eens een vissersman, die door de Heere was opgezocht en krachtdadig bekeerd. Hij was lidmaat van de oude afgescheiden kerk.

Deze man viel in een grote zonde, namelijk drankzucht, en wel in die mate dat hij menigmaal dronken over de weg slingerde, zeer tot aanstoot voor de gemeenschap. Daar werd over hem gesproken op de kerkeraadsvergadering, en besloten werd dat de leraar met een ouderling hem zou gaan bezoeken, en over zijn gedrag hem zou onderhouden. Dominee en ouderling gingen naar de woning van deze visser. Op de vraag of haar man thuis was, antwoordde zijn vrouw dat hij op de visserschuit was die in de haven lag. Bij de schuit aangekomen, .wilden zij aan boord stappen, maar daar hoorden zij een mannestem vanuit het vooronder van het schip, zodat zij bleven staan. Zij hoorden hoe deze gezochte man zichzelf aanklaagde vanwege zij ergerlijke zonden, en zijn nood lag uit te kermen voor de Heere. Toen zij dit even hadden aangehoord, zei de leraar tot de ouderling: „Laten wij hier maar weggaan; hier is voor ons geen werk. Hij ligt onder censuur bij de Heere, en dat komt altijd goed terecht”. Kijk vriend, niet allen vallen zo bijzonder in een hoofdzonde terug, maar ieder van Gods kinderen heeft een kwaad waar zij hun levenlang mee te tobben hebben, en wat gelukkig niet altijd zo openbaar komt; en wat wordt daar veel over gezucht in het verborgene. Maar als deze dingen nu al zo zijn, dan hebben zij zelf meer last van hun afmakingen dan degenen, die daar aanstoot aan nemen. Bedenk wel, dat wij voorzichtig moeten zijn in de beoordeling van dezulken, want die Gods volk aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.

Er wordt wel eens gezegd: Het is een volk van vallen en opstaan, maar met dat al is het toch een gelukkig volk. ’t Is een volk dat aangezien is door de Heere. Daar mochten wij wel jaloers op worden. Want dat volk heeft een zekere en heerlijke toekomst.

Bileam wenste wel met dat volk te sterven, maar laten wij vragen en zoeken met dat volk te mogen leven uit die éne fontein, n.1. Christus, dan zal het sterven gewin zijn.

Hebt u daar begeerte toe? Dan zal de liefde vele dingen, ook aangaande Gods volk, bedekken. En nu nemen we hiermee weer afscheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.