+ Meer informatie

Naar de katechisatie

5 minuten leestijd

113

HET GELOOF (1)

De tweede vrucht van de wedergeboorte is het g e l o o f. De Dordtse Leerregels belijden in hoofdstuk I nr. 3: „door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, de Gekruisigde.”

Zonder geloof kan er geen sprake zijn van bekering en omgekeerd ook niet.

Gelijk alle weldaden in de orde des heils, is het geloof een zaligmakende gave van de Heilige Geest, Die het geloof in het hart werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie. Zondag 25. Wanneer we het over het geloof hebben, betreft het het ZALIGMAKEND geloof, het oprecht geloof. Want er is ook een niet-zaligmakend geloof, zoals het historisch, tijd- en wondergeloof, waarover we straks handelen.

Het ware geloof is noodzakelijk tot zaligheid, want er is geen gemeenschap met God mogelijk dan door het geloof. In Hebr. 11 : 6 lezen we: „Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.”

Het geloof is „middel”, het is de „hand” waarmede de Heilige Geest Christus en Zijn weldaden doet aannemen. De „hand” is g a v e Gods. Efeze 2 zegt: „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit U, het is Gods gave.” Daarom ligt er geen waardigheid of verdienste in het geloof als middel. Niet om de hand, om het geloof wordt een mens gerechtvaardigd, maar om wat in die hand gelegd wordt, d.i. de gerechtigheid van Christus.

Wat verstaan we onder „geloof”? Wat leert de H. Schrift ons?

De Bijbel geeft het geloof als daden aan onder verschillende benamingen. Zij spreekt van een „vrezen van den Heere” (de kinderlijke vreze), van een „verwachten”, van een „zoeken van den Heere”, van een „vluchten tot den Heere”, van een „hongeren en dorsten naar God”, van een „komen tot Hem” („En die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.”) van een „aannemen” („zovelen Hem aangenomen hebben”) van een „verzekerd zijn”. „Geloven in” wil zeggen: zich op iemand verlaten, overgave, rusten op. Hierin ligt opgsloten het „vertrouwend” element. Iemand geloven is vertrouwen in hem stellen.

Onze ouderen spraken van een „crediet”. Boven de deur van één der oude herbergen stond een opschrift: „van ouds het crediet”. Dit betekende niet, dat die herbergier crediet gaf, maar men bedoelde, dat men van een goede verzorging en van goede waar verzekerd kon zijn.

Onze Heidelberger spreekt van een „w a a r” of een „oprecht” geloof, zoals in oudere uitgaven. „Oprecht” had dan de betekenis van „echt”, „zuiver”. Een bekend huismiddel, dat men vooral vroeger altijd gebruikte, was de Haarlemmer olie. En dan kwam het vooral aan op het goede etiket, waarop moest staan: de oprechte Haarlemmer olie! Oprechte had dus de betekenis van „echte”, van de zuivere, originele kwaliteit.

Een „waar” geloof onderstelt ook, dat er geloof kan zijn, wat n i e t van de echte, zuivere kwaliteit is, niet „zaligmakend”. We spreken van een HISTORISCH-, van een TIJD- en van een WONDER-geloof.

Tegenwoordig willen theologen deze onderscheidingen niet meer gebruiken. Men durft rustig te zeggen: gelukkig zijn we van deze onzin af. En waarom wil men deze onderscheidingen niet meer stellen? Men zegt: er is maar één waar geloof. Al het andere is geen geloof.

Maar waarom zouden we niet van een „historisch geloof” kunnen spreken, al is dit niet zaligmakend? Geeft de Schrift ons van zulk een geloof geen duidelijke uitspraken? B.v. bij Agrippa. Wat sprak Paulus tot hem? „Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft.” En we weten toch, dat Agrippa niet bekeerd was.

In I Kor. 13 : 2 lezen we: „En al ware het, dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette en de liefde niet had, zo ware ik niets.”

Werden ook de negen melaatsen niet genezen door het geloof? En was dit geloof niet duidelijk openbaar gekomen als slechts een „wonder-geloof”?

Verder lezen we nog in Jakobus 2 : 19: „Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel: de duivelen geloven het ook en zij sidderen.”

En zo geeft de Bijbel ons ook duidelijke voorbeelden van pen tijd- en van een wondergeloof, behalve het zo even genoemde voorbeeld van de negen melaatsen.

Hierover echter een volgende keer D.V.

Wanneer we dus in de Schrift lezen van zulke voorbeelden, moeten deze ons wel dringen tot ernstig zelf-onderzoek. Want het kan met een historischmet een tijd- en met een wondergeloof zo ver gaan en dat toch het zaligmakende werk van de Heilige Geest gemist wordt. De oprecht-ontdekte is juist zo bang voor zelf-bedrog en staat naar het „echte”, „ware” werk van Gods Geest.

En ten slotte: is het niet ontstellend, dat vandaag door zovelen het historisch geloven, het verstandelijk weten zonder meer, wordt gehouden voor het echte geloof? En zo misleiden zij zichzelf voor de eeuwigheid.

Daarom dienen we wel terdege de vermelde onderscheidingen vast te houden, ook in prediking en onderwijs.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.