+ Meer informatie

EMANUELS ONDERTROUW

5 minuten leestijd

1.

Emanuels ondertrouw
of
een ontdekking hoe het zich toedraagt in en na de ondertrouw van dat wonderlijk, groot en gewenst huwelijk tussen de allerheerlijkste, schoonste en gezegendste Koning EMANUEL en de allerschuldigste, mismaakste en overspeligste onder de vrouwen, vervat in 7
brieven,
door
één, die zich nutter acht nooit geboren dan aldus nooit ondertrouwd te zijn.
Van
JOHANNES VAN DER KEMP

Zo luidt de titel — in tegenwoordige spelling en woordkeus — van een werkje, dat al sedert vele jaren niet meer te verkrijgen is.

Het schijnt vrij onbekend te zijn. In de Chr. Encyclopedie, 2e druk, wordt het niet bij de werken van Van der Kemp genoemd. Wij ontlenen aan die Encyclopedie het volgende. Van der Kemp werd te Rotterdam geboren in 1664 en overleed op 17 november 1713 te Dirksland. Hij werd daar predikant in 1692. Hij heeft naam gemaakt door zijn boek: De Christen geheel en al het Eigendom van Christus in leven en sterven, vertoond in 53 predikatiën over de Heidelbergse Katechismus, herhaalde malen herdrukt. De catechismus is volgens Van der Kemp de doodsteek voor hen, die naar verandering streden. Als kleinere werkjes worden genoemd: Verborgenheid van de Verbonden Gods, Brief over de rechtvaardigmaking, Drie ondervindelijke brieven en Schets en Gebouw der Voorbeelden.

Een vriendin schreef„Emanuels ondertrouw” zeker 15 maal over voor familie en bekenden, omdat het niet meer in de boekhandel verkrijgbaar was en zij het jammer vond, dat zoiets verloren raakte. Door haar kregen wij dit werkje voor het eerst in handen.

Zij schrijft ons het volgende: Toen ik dat stuk voor het eerst las, kon ik het wonder niet op, dat iemand, die zolang tevoren geleefd heeft, zó kon weergeven wat er in mijn binnenste was omgegaan, zakelijk en soms ook woordelijk. Lees eens met aandacht die 4 regels van dat kleine versje voorin: zo ras enz. Wat een duidelijke taal en juist toen ik in zo’n doolhof van stellingen verward geraakt was. Dit versje luidt als volgt:


Zo ras Emanuel mijn hart in liefd’ ontvonkte
En met zijn keurig oog mij liefelijk toelonkte,
Toen gaf ik Hem mijn hart, mijn lijf, mijn goed, mijn
trouw
En dus werd Hij mijn Man en ik Zijn
echte vrouw.


Verder schrijft genoemde vriendin in een andere brief over dit werkje nog het volgende: Het is een kostelijk stuk, enkel levenservaring. Mij spreken deze brieven bijzonder aan, omdat daarin een periode in mijn leven wordt beschreven en wel van 1917 tot 1930. Toen de Heere in 1917 in mijn grote zielenood Zijn Zoon openbaarde, heb ik Hem boven alles lief gekregen, Hem als mijn Zaligmaker aanvaard en heb ik Hem op Zijn nodiging van harte het jawoord gegeven. Wat een blijdschap. Ik dacht, dat nu alle strijd voorbij was en meende met deze bruid een gelukkige en voorspoedige toekomst tegemoet te gaan. Maar ook bij mij heeft die rust niet lang geduurd. Door onkunde, het bederf des harten en het luisteren naar de bedrieger kwam ik in dezelfde toestand terecht als deze bruid beschrijft in haar tweede brief. Wat was ik ongelukkig, het was (m.i.) maar een verstandsverlichting geweest en nu zou ik Hem, Die ik toch boven alles had lief gekregen, eeuwig moeten missen. Ook heb ik mijn nood geklaagd aan enigen van Gods kinderen. Die hebben alles geprobeerd om mij te troosten, maar met mijn jamaars wees ik alle troost af. Dat heeft lange tijd geduurd, totdat eindelijk een christin mij de raad gaf om de Heere te vragen, of Hij licht wilde geven over Zijn eigen werk. Die goede raad heb ik ook opgevolgd en het heeft de Heere behaagd Zich weer bij vernieuwing te openbaren in Zijn trouw en liefde. Wat ben ik toen beschaamd geworden, hoe kon ik toch aan de liefde twijfelen van Hem, in Wie nooit onrecht was bevonden, daar Hij mij toch Zijn Woord had gegeven. Ik heb mezelf diep verfoeid en net als de bruid gevraagd, of de Heere mij bewaren wou, om toch nooit Zijn liefde weer te verdenken. Toen heb ik me weer opnieuw aan Hem verbonden en heb gezegd: de Heere heeft Zich vrijwillig verbonden aan Zijn Woord en werk en kan dus niet meer van mij af. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

Dit is al jaren geleden. De strijd kan nog zwaar zijn. De oorblazer spant steeds samen met mijn bedorven bestaan om de Heere maar te beschuldigen en dan is er in mij geen kracht tegen die grote menigte. Nog kort geleden was de strijd zó zwaar, dat ik zeide: Heere als U me niet vasthoudt, ben ik tot alles in staat. Gelukkig laat de Heere me niet aan mezelf over en geeft dan met de verzoeking ook weer uitkomst. Maar na 1930 is het tot een gehele ontkenning niet meer gekomen, waarvoor ik de Heere dankbaar ben. Naar die tijd kan ik niet meer terug verlangen, mijzelf heb ik toen benadeeld, Gods volk bedroefd met mijn tegenspreken, maar wat het ergste is, de Heere heb ik onteerd door meer gehoor te geven aan de leugenaar dan aan Zijn Woord, dat vast en zeker is.

Tot zover onze vriendin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.