+ Meer informatie

DE ZALIGSPREKINGEN III

8 minuten leestijd

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven. Matth. 5:5.

Bij de inlijving in Christus, door het stichten van Zijn koninkrijk in het hart, wordt de mens arm. Hij leert zijn geestelijke armoe kennen, daar de wereld met al haar begeerlijkheden dan voor hem vergaat. En dat, daar de kracht der zonde gebroken wordt in het komen tot de berouwelijke keus. Zodat de dienst des Heeren, naar het woord van de Heere Jezus, hem aanvankelijk al is tot zaligheid.

Maar de zonden, die hij alsdan leert kennen, onder de majesteit van Gods heiligheid, in het licht van de heilige wet, die het hart lief heeft gekregen, daar de Heere haar kwam te schrijven in het hart door Zijn Geest, worden innig betreurd. En in dat treuren is zoetigheid en zaligheid, daar zij opkomt uit de liefde die werd uitgestort in 't hart. En daarop volgt:,,Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.”

Het is de ware zachtmoedigheid, de innerlijkste tederheid, die hartelijk buigt voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid. Toen de Zone Gods sprak tot de Vader: „Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen en Uw wet is in het middengewands.” hield dat in, het zachtmoedig en borgtochtelijk buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid. Gelijk als dat ook zo verstaan is door de Vader, daar Hij Hem daarin kwam te zalven met vreugde-olie. En te bekrachtigen met dit woord: „En rijdt voorspoedig in Uw heerlijkheid, op het Woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.”

Als waarachtig mens heeft de Zone Gods met de allerinnigste zachtmoedigheid gebogen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid tot in de vloekdood des kruises. En daarmee heeft Hij de genade der zachtmoedigheid verworven, om harde en verharde zondaren, in het nieuwe leven der genade, met de genade van Zijn zachtmoedigheid te versieren. En dat uit liefde tot Gods rechtvaardigheid. Het gaat in het leven der genade van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door des Heeren Geest. Heerlijk is het breken van de kracht der zonde in het komen tot de onberouwelijke keus, uit liefde tot de Heere. En heerlijk is het de zonde en dat in de totaliteit van onze verdorvenheid te betreuren in het stof der ootmoediging. Wat alleen mogelijk is in Hem, daar de Heer Jezus zolang Hij de straf der zonde heeft gedragen, de daad der zonde heeft beweend, daar Zijn ziel geheel bedroefd was tot de dood toe. En niet minder heerlijk is het, als het hart, door de genade van de Heere Jezus, krijgt te buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid. Daar toch de straf der zonde geheel is in overeenstemming met de daad der zonde. O wat is het heerlijk, God in Zijn rechtvaardigheid hartelijk lief te hebben. En dat met de innerlijke en bijblijvende bekentenis de eeuwige dood verdiend te hebben. Wat het hart zaligheid doet smaken in Gods goedertierenheid, zij is elke morgen opnieuw en duurt de ganse dag. Wat het hart steeds inniger doet verlangen daarvan eeuwig te mogen zingen.

Maar de zachtmoedigheid, waarmee de Heere Jezus het hart komt te versieren, is niet alleen rechtvaardige zachtmoedigheid, doch ook een zachtmoedige nederigheid. En om dat te bekomen, nodigt de Heere Jezus ons tot Hem re Komen. Want Hij zegt: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.” Wat de Heere Jezus ons leren kan, daar Hij Zichzelf geleerd heeft.

Want Hij heeft ons in Zijn zachtmoedige nederigheid Zijn dienende liefde ten volle ten toon gespreid. Hij nodigt ons met al onze lichamelijke en geestelijke kwalen tot Hem te komen. Hij wil ons spijzen en laven. Ja; Hij is gekomen om ons te leren leven, door al de omstandigheden van het leven in Hem biddende te verwerken.

Maar daarmee is de zaak toch niet af. Want als de Heere Jezus zegt: „Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart”, dan wil Hij dat wij als Zijn leerlingen van die dienende liefde ook iets leren betrachten tegenover anderen. Wij hebben ons te vernederen, door Zijn zachtmoedige nederigheid, door anderen te mogen zijn tot een hand en voet op de weg. Maar dan moet het juk van zijn dienende liefde ons dierbaar zijn, door Zijn voetstappen te drukken, door het oog op Hem te vestigen in afhankelijkheid van Zijn Geest. En Hij geeft het hart in die weg rust. Want door dat pad van dienende liefde niet te gaan, leeft u niet in zijn gemeenschap, wat allerlei onrust teweeg brengt in het leven van de mens. Want in Hem alleen is rust en vrede voor het hart door te leven uit Zijn gehoorzaamheid.

En als de Heere Jezus zegt: „Want zij zullen het aardrijk beërven,” dan verbindt Hij aan de rechtvaardige zachtmoedigheid en de zachtmoedige nederigheid het beërven van het aardrijk. Want wat de aarde nu is met al haar zegeningen, heeft de Heere Jezus door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid tot in de vloekdood des kruises verworven. Allen, die door het geloof leren leven uit de enige algenoegzame offerande van Christus, genieten alle tijdelijke, geestelijke en eeuwige zegeningen als erfgoed uit Zijn hand. Het werd Israël oudtijds op het hart gebonden: „Begin te erven”. En dat wijst op dat kinderlijk leven uit de hand des Heere. In dat beërven is de geestelijke familieband met Christus. Hij heeft als de oudste Broeder al Zijn goed testamentair vermaakt aan Zijn geestelijke familie. En dat is een geweldige erfenis. Het verbond der genade, opgericht met Zijn volk onder de oude dag, was de levensbron van al de levenden. En hoe zij daarin kennis mochten bekomen en daaruit door Goddelijk onderwijs leerden leven, is voor ons in het Oude Testament bewaard gebleven. En dat is een geestelijke erfenis, waaruit de levenden mogen leven en sterkte bekomen in de strijd. Wij mogen van dag tot dag genieten van de psalmen die zij mochten dichten uit de innerlijke beleving des harten. En neem dan ook het Nieuwe Testament in aanmerking wat toch ons leert leven in het licht van de vervulling der beloften in Jezus Christus, de Zaligmaker der wereld. En dan al de tijdelijke zegeningen, die de Heere in de loop der eeuwen, tot roem van Zijn genade, tot stand deed komen, zijn voor Gods kind erfgoed, dat door de Heere Jezus is verworven. Zegeningen waarvan voor en na de zondvloed nog zoveel gemist werd. Want Gods verbondsopenbaring bekwam later door Zijn Geest meer klaarheid en diepgang in Christus.

En denk dan nog eens over al de geschriften, die onze vaderen mochten achterlaten als erfgoed voor het geestelijke en eeuwige leven. Wat zijn de oprechten er menigmaal door vertroost en versterkt geworden in het geestelijke leven. Zodat die geestelijke familieband er des te inniger door beleefd werd.

Of weten wij niet wat het is, het aardrijk te beerven met al zijn tijdelijke, geestelijke en eeuwige zegeningen? En wie dat niet kent, leeft op deze wereld om rijp te worden voor de eeuwige duisternis. Waardoor wij hebben te verstaan het erfgoed van Adams ongerechtigheid, wat ons in de verbreking van het verbond der werken is toegerekend. En dat, daar de geestelijke familieband met Christus, door wederbarende genade, niet werd gezocht. Terwijl het door de Heere Jezus met al de liefde van Zijn hart op ons hart gebonden wordt, en wel met dit woord: „Voorwaar, voorwaar zeg ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.” En dat is de geestelijke familieband tot het verkrijgen van Zijn erfgoed. Wat niet alleen geldt voor dit leven, doch ook in het sterven. Want Zijn graf is het geestelijke familiegraf om er door geheiligd te worden. Want die leven uit Adam en blijven leven, om in Adam te sterven, komen niet in Zijn familiegraf, om eenmaal door Hem, als Hij naar Zijn belofte komt op de wolken des hemels, opgewekt te worden in de heerlijkheid van de onverderfelijkheid, om altijd bij Hem te wezen. En zo is Zijn familiegraf onnoemelijk groot, want het zal zijn in die dag der opstanding een schare die niemand tellén kan. En dat van klein en groot, oud en jong. Maar alsdan zullen zij delen in de zegen van de eeuwige jeugd. Want in het eeuwig en zalig heden van het hemelleven is de eeuwige jeugd. Maar dan ook zullen de elementen brandende vergaan, want dan zal er zijn een nieuwe hemel en nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. En in die gerechtigheid zal de Heere eeuwig verheerlijkt worden. „Opdat God zij alles in allen.” Om zo eeuwig te mogen roemen in de trekkende liefde des Vaders, in de verdienende liefde van de Zoon en in de werkende liefde van de Heilige Geest. Zodat God in al zijn deugden en daden eeuwig verheerlijkt zal worden.

Soest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.