+ Meer informatie

Besprekingen van de heilige oorlog

5 minuten leestijd

1

„Wanneer ik”, zo vangt Bunyan in dit vermaarde bock aan, in mijn reize wandelde door vele streken, gebeurde’t mij dat ik kwam in het befaamde land dat de Aardbodem heet; een zeer wijde en brede landstreek.

Het ligt tussen de twee polen, en wel in het midden van de vier hoeken des hemels. ’t Is een waterrijke plaats, versierd met heuvelen en valleien, en voor ’t grootste gedeelte (tenminste waar ik was) zeer vruchtbaar, volkrijk en met zeer goede lucht. De inwoners zijn niet alleen van een familie, ook niet van enerlei taal, levenswijze en godsdienst, maar verschillen daarin zoveel, als men zegt, dat de planeten onderling zelf doen. Sommigen zijn recht, anderen verdraaid, zoals het is in mindere landschappen.

In deze plaats nu reisde ik, en wel zo lang, tot ik veel van haar moedertaal, zeden en manieren aanleerde; en als ik het zal zeggen, ik had zeer groot vermaak in het zien en horen van vele der dingen, die daar te zien en te horen waren. Ja ik was er zo mee ingenomen, dat ik daar zeker als een ingeborene zou geleefd hebben en gestorven zijn, zo niet mijn Meester om mij gezonden had en mij tot Hem doen roepen, om iets voor Hem te doen, en opzicht te hebben over hetgeen daar gedaan werd.

In deze lustige streek (de aardbodem) is een schone en aangename stad en samenwoning, genaamd Mensziel. Een stad ten opzichte van haar bouw kunstig, van haar ligging zo dienstig en ten aanzien van haar voorrechten zo voordelig. Als vanzelf spreek ik nu ten opzichte van haar begin en fundering, zodat ik er van mag zeggen wat weleer gezegd werd van’t landschap waarin zij ligt: Daar is haars gelijke niet onder de gehele hemel.”

De Schrijver is tot het bewustzijn gekomen van des mensen hoge afkomst. Wij zijn van Gods geslacht, want wij zijn van Hem afkomstig door schepping. En dat wil hij op ons in laten werken om er recht werkzaam mee te worden.

Wat de ligging van deze stad belangt, zij ligt tussen twee werelden. De eerste Grondlegger en Bouwmeester daarvan, voor zo ver ik uit de beste en gezaghebbendc aantekenaars kon merken, was El-Schaddai, die stichtte haar tot Zijn eigen ver-maak.

Hij maakte ze tot een spiegel en heerlijkheid van alles wat Hij maakte. Ja tot een hoofdstuk boven alles wat Hij in dat landschap deed. De stad Mensziel was wel zulk een goede stad, toen ze gebouwd werd, dat volgens sommigen bij haar stichting de Goden nederkwamen, om te zien en dat zij van vreugde vrolijk zongen.

En gelijk Hij ze maakte goed, om te aanschouwen, zo maakte Hij ze machtig om heerschappij te voeren over alles, wat rondom haar lag. Ja al wat er is, had bevel om Mensziel als overste te erkennen en was gehouden hulde te brengen. Ja, de stad had zelfs van haar Koning commissie en macht ontvangen, om van ieder dienst te eisen, en ten onder te brengen wat enige tegenstand bood.

Het grondig kennen van de stad Mensziel in de staat der rechtheid is op de leerschool van het geloof een eerste vereiste. Op de vraag hoe de Heere ons geschapen heeft wordt ons hier een duidelijke beschrijving gegeven.

In het midden van deze stad was een zeer beroemd paleis opgericht, dat vanwege zijn sterkte wel een kasteel genaamd mag worden, om zijn vermakelijkheden een paradijs, en om zijn wijdtc een plaats zo breed, dat ze de ganse wereld bevat.

„God heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gclegd, zonder dat een mens het werk dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe.”

Deze plaats beoogde de Koning El-Schaddai alleen voor Zichzelf en geen ander nevens Hem. Eensdeels om Zijn eigen wclgevallen en anderdeels ook omdat Hij niet wilde dat de strik der vreemden over deze stad komen zou.

El-Schaddai hield ook in deze plaats een garnizoen, maar beval de bewaring hiervan aan de lieden van de stad. Een grote onderscheiding die tegelijkertijd een grote verantwoordelijkheid kwam vast te stellen daar dat de eeuwige toekomst van de stad inhield.

De muur van deze stad was wel samengevoegd, ja zo vast gebouwd en ineengesloten, dat hij, ten ware door de stedelingen zelf, in ecuwigheid niet bewogen of gebroken kon worden.

Want hierin bestond de uitnemende wijsheid van Hem die Mensziel bouwde, dat de muren nooit gebroken of beschadigd konden worden, zelfs niet door de machtigste en vijandigste potentaat, ten ware de inwoners zelj daarin bewilligden.

De Prediker heeft met al de wijsheid hem door God geschonken, deze zaak nauwkeurig onderzocht en is gekomen tot de beslissende uitspraak: .,Aileenlijk zie, dit heb ik gevonden, dat God de mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.” Om te leren buigen in het stof der verootmoediging hebben wij God in de eerste plaats te rechtvaardigen in onze schepping. Op dit woord: „En God zag al wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed,” hebben wij „Amen” te zeggen tot onze vernedering voor Hem.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.