+ Meer informatie

Kerkregering

11 minuten leestijd

Vragen bij de openbare belijdenis des geloofs (2)

De vorige maal zagen wij dat er door classen en synoden geen bepaalde vragen bij de openbare belijdenis des geloofs werden voorgeschreven. Er kwamen allerlei variaties voor op de vragen die Marten Micron bij de Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen invoerde. Zo werden bijv. op een plaats in Noord-Holland, De Rijp, in het midden der 17e eeuw de volgende vragen gesteld: 1. Hebt ghy ook eenige zwarigheden in een eenigh stuck van de leere van onse kercken ? 2. Hebt ghy oock voorgenomen, ende belooft gy door Godes genade by dese leere ende de ghemeynschap van onse kerkcken, u leven langh te blijven ? 3. Belooft ghy u met een Godtsalige wandel neerstigh te houden tot het ghehoor van Godes Woort, en het gebruyck van het H. Nachtmaale ? Belooft ghy oock, dat ghy u de Christelicke regeeringe van de gemeynte, ende, so ghy u mocht komen te verloopen, oock de Christelicke straffe gewillighlick sult onderwerpen ?

In Rotterdam moesten zij die belijdenis deden getuigen: 1. Datse de Leere der waerheydt die na de Godtsaligheydt is, soo als sy alhier uyt Godts Woort geleert wordt, houden voor de eenige, waerachtige, en volkomen leere ter saligheydt. 2. Datse van herten versaken alle Ketteryen en Dwalingen die tegen deze gesonde leere strijden. 3. Dat se oprechtelijck beloven door de genade Gods by dese suyvere leere der waerheydt in de Gemeenschap van de Gereformeerde Kerke, al haer leven langh tot den eynde toe, te zullen volstandigh blijven. 4. Datse haer selven altijdt Christelijck, vreedsaem, en onergerlijck sullen dragen, gelijck het den Ledematen Christi en sijner Gemeynte betaemt. 5. Datse haer alle Christelijcke vermaninge, ende de goede order der Kerke geerne sullen onderwerpen.

Nadat bevestigend was geantwoord, sprak de predikant de zegen over hen, die belijdenis deden, uit met de woorden uit Hebr. 13 : 20 en 21: De God nu des vredes, die de grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen Testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Here Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen, werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus, dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Van de bestaande vrijheid maakten sommige kerkeraden gebruik om nog speciale beloften te vragen, bijv. van niet te zullen dansen of niet te zullen trouwen met „lieden van een contrarie ofte afgodische Religie”.

In Utrecht ging het weer anders toe. Voetius spreekt in zijn Politica Ecclesiastica op verschillende plaatsen over de openbare belijdenis. Wij kunnen hier niet alles opnemen wat hij er over schrijft, doch volstaan met die gedeelten die voor mijn vragensteller van belang zijn. Na eerst gewezen te hebben op de prijzenswaardige gewoonte om een „belijdeniscatechisatie” in te stellen voor hen die nog niet genoeg geoefend zijn in de hoofdstukken van de catechismus, schrijft hij: „Verder wordt een verbintenis of gelofte vereist, waarbij zij (dat zijn degenen die belijdenis doen, H.) aan God en de kerk beloven in de gemeenschap der heiligen te blijven en toe te nemen. Men zie in onze liturgie het formulier voor het dopen van volwassenen, evenzo het formulier voor de bediening van het avondmaal. Maar meer uitdrukkelijk gaan zij, die op het punt staan toegelaten te worden tot het avondmaal en de gemeenschap der kerk, dit heilig verbond aan, wanneer zij antwoorden niet alleen op de vragen, die in het bijzonder over het schuldgevoel, het geloof en de dankbaarheid gedaan worden, en wel met toepassing op zichzelf, maar ook op die vragen, welke van meer algemene strekking zijn en de rij van vragen sluiten, nl. le of zij de leer onzer kerken voor de rechtzinnige leer en voor de weg ter zaligheid erkennen; 2e of zij beloven, door Gods genade in de belijdenis van die leer tot aan hun dood te zullen volharden; 3e of zij beloven, heiliglijk en op ene deze leer waardige wijze te zullen leven; 4e of zij zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Dit nu is de wijze, waarop in onze kerken de verbintenis aangegaan en de belofte gedaan wordt. Wat het verbinden door een eed of het ondertekenen van een formule of bewijsstuk betreft, dit komt mij voor onnodig te zijn. Een mondelinge verklaring voor vele getuigen is voldoende; toch houden wij de andere wijze niet voor ongeoorloofd, gelijk straks zal blijken bij de vragen”. Tot zover wat Voetius schrijft in Pol. Eccl. I, p. 19. Voetius spreekt nogmaals over de belijdenis des geloofs in het gedeelte van zijn werk dat over de bediening van het avondmaal handelt. Hij beschrijft daarin de gewoonte, of zoals hij zegt, de orde, die gevolgd werd in de kerk van Utrecht en die hij, zoals hij verklaart, zeer goed keurt (quam maxime probo). In deze beschrijving vinden we de ons bekende vragen. Wij maken hierbij de opmerking, dat het dus de vragen zijn die bij de Utrechtse kerk in gebruik waren. Of men ze reeds gebruikte vóór Voetius in Utrecht kwam, weten we niet. Het is natuurlijk mogelijk, maar het is ook niet ondenkbaar dat ze in Utrecht werden ingevoerd toen Voetius er al woonde. En het is evenmin ondenkbaar dat zij, in het laatste geval, door hem zelf geconcipiëerd zijn. Maar in elk geval waren het de vragen die in Utrecht werden gesteld, zodat het onjuist is te spreken van „de vragen van Voetius”. Men kan beter en juister spreken van de vragen bij de Utrechtse kerk in gebruik en door Voetius ons medegedeeld.

Wij laten hier nu de bedoelde vragen volgen:

Verklaart en erkent gijlieden, dat gij de leer onzer kerk, voorzover gij die geleerd, gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomstig met de Heilige Schrift? Zij antwoorden: ja.

Belooft gijlieden, dat gij door Gods genade in de belijdenis van die zaligmakende leer standvastig zult blijven, en daarin leven en sterven? Zij antwoorden: ja. Belooft gijlieden, dat gij volgens deze heilige leer uw leven altijd, door Christus’ hulp en genade, godzalig, eerlijk en onstraffelijk zult aanstellen ? Zij antwoorden: ja.

Belooft gijlieden, dat gij u wilt onderwerpen, en onderdanig zult zijn, aan de opwekkingen, bestraffingen en kerkelijke tucht, bijaldien het kwam te gebeuren (hetwelk God verhoede) dat gij ulieden in leer of zeden kwaamt te buiten te gaan? Zij antwoorden: ja.

Daarna volgt: Na die plechtige verbintenis en belofte voegt er de predikant een wens en zegen bij: dat God, die dat goede werk door Zijn genade begonnen en dusverre gebracht heeft, hen in hetzelve versterke, en hetzelve meer en meer volbrenge tot de dag van Christus. Men kan dit alles vinden in Pol. Eccl. I, p. 756, 757.

Wie nu de aangehaalde gedeelten uit Voetius’ grote werk nauwkeurig bestudeert kan m.i. tot geen andere conclusie komen dan dat de bewering dat „de vragen van Voetius intellectualistisch” zijn en aanleiding geven tot het afleggen van een belijdenis van een zgn „historisch geloof”, geen stand kan houden. Wij zouden op nog meer plaatsen bij Voetius kunnen wijzen, maar moeten het hierbij laten.

In de kerken der Afscheiding werden de „vragen van Voetius” veelvuldig gebruikt. Toch waren er gemeenten waar andere vragen werden gesteld. Dit leidde er toe, dat er op de synode van Utrecht, 1877, twee instructies kwamen, één van de prov. synode van Noord-Brabant: De Synode ontwerpe vragen ten gebruike bij het afleggen van belijdenis, en één van de prov. synode van Zeeland: Tot meerdere overeenstemming worde door de Synode een formulier van belijdenisvragen gegeven. De synode besloot na een korte beraadslaging’. „Daar er in onze kerk - God zij dank - geen verschil bestaat omtrent de belijdenis, acht de Synode het niet noodig bepaalde vragen te formuleeren”, Handelingen art. 133.

Na 1892 kwam de zaak opnieuw aan de orde en wel op de synode van 1894, maar ook zij besloot geen vragen op te stellen. Jarenlang bleef de zaak rusten doch later kwam zij enige malen ter sprake. Tenslotte besloot de synode van 1965/ 1966 een formulier voor de openbare belijdenis des geloofs in de Kerkorde op te nemen „dat desgewenst in de plaats van de vragen van Voetius kan worden gebruikt”, Acta art. 214.

De Gereformeerde Gemeenten besloten in 1922 de kerken te laten kiezen tussen de vragen van Micron, d.w.z. de vragen achter het Kort Begrip en de vragen van Voetius. De Gereformeerde Kerken stelden in 1923 vragen vast voor de openbare belijdenis des geloofs. In 1971 besloot de synode van de Ned. Herv. Kerk de door de jongeren ontworpen, oecumenisch gekleurde vragen als zgn alternatieve belijdenisvragen in de gemeente toe te staan. Maar wij gaan hierop niet verder in omdat anders ons verhaal wat al te lang zou worden. Nog even iets anders.

In de eerste plaats herinneren wij er aan dat wij ons altijd in onze terminologie zo zuiver mogelijk dienen uit te drukken. Daarom mogen wij ook nooit spreken van „bevestiging van nieuwe leden”. Helaas, wordt ook in onze kringen deze uitdrukking nog wel eens gehoord, maar dat is geheel verkeerd. De uitdrukking „bevestiging van nieuwe leden” is niet ontleend aan het gereformeerde kerkrecht maar aan het collegialistische kerkrecht dat in ons land tot heerschappij kwam door de on-kerkrechtelijke en on-grondwettige invoering door koning Willem I op 7 januari 1816 van het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. De door de koning benoemde synode maakte in opdracht van de koning een Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde kerk, dat door de koning goedgekeurd werd op 30 juli 1816. Welnu, in dit Reglement vinden wij de uitdrukking die wij afkeuren. In art. 43 lezen we: „De bevestiging der ledematen zal van nu aan overal in het openbaar moeten geschieden, dezelve zal daarin bestaan, dat de Predikant of een der Predikanten, in tegenwoordigheid der gemeente de navolgende vragen aan de aangenomenen voorstelt (volgen de vragen). Waarop de bevestiging zelve plegtiglijk en met gepaste aanspraken geschiedt”.

Later werd dit reglement meermalen herzien, bijv. in 1847, 1861/1862 enz., maar steeds bleef men spreken van „bevestiging van ledematen” of later „lidmaten”. Deze „bevestiging van lidmaten” gaat uit van de gedachte dat deze personen door het afleggen van een belijdenis voor de kerkeraad of een commissie van de kerkeraad, lidmaten der kerk zijn geworden en nu openlijk als zodanig worden bevestigd. Dat wil dus zeggen, dat de dienstdoende predikant hen op een soort hiërarchische of roomse wijze gaat wijden, het zegel er op zet en hen namens de gemeente als lidmaten in het openbaar erkent en ontvangt, alsof zij tot op dat ogenblik nog niet als lidmaten, leden, der gemeente konden worden erkend.

Deze zienswijze past geheel en al bij het collegialistische kerkrecht dat de kerk ziet als een genootschap, als een menselijke vereniging tot beoefening en bevordering van de godsdienst of iets dergelijks. De aloude gereformeerde Deschouwing is daarvan totaal verschillend. Zij gaat er immers van uit dat de kinderen der gelovigen lidmaten, leden, der gemeente zijn, krachtens hun geboorte uit ouders die tot de gemeente behoren, en dat zij daarom (als leden) der gemeente gedoopt behoren te wezen, zie eerste doopsvraag, en Heid. Cat. vr. en antw. 74. Zij worden dus bij de openbare belijdenis des geloofs geen leden der gemeente, zij waren het al vanaf hun geboorte! Daarom kan de belijdenis des geloofs ook nooit „bevestiging van lidmaten” worden genoemd. Onze vaderen spraken dan ook nooit van „bevestiging”, maar van „toelating tot het avondmaal”, zie bijv. Voetius, Pol. Eccl. I, 755; openbare belijdenis, of iets dergelijks. Zij brachten deze belijdenis altoos in verband met het avondmaal.

Eerst later toen de kerk al meer een volkskerk was geworden veranderde dit. In de tweede plaats wijzen wij er op dat onze vaderen met de uitdrukking: belijdenis des geloofs, het zaligmakend geloof bedoelden. De jeugdige leden der gemeente (doopleden zoals wij meestal zeggen) die tot jaren des onderscheids waren gekomen, moesten, om toelating te krijgen tot het avondmaal, hun geloof belijden. Daartoe werd door de kerkeraad bij hen een onderzoek ingesteld. Zij moesten enige kennis der waarheid bezitten. Prof. dr F. L. Rutgers zegt terecht: „Maar dat was volstrekt niet, omdat kennis of geleerdheid als een hoofdzaak beschouwd werd. Er was zelfs geen sprake van de kennis als zoodanig, maar alleen van de toegepaste en toeeigenende kennis. Men deed aan de aannemeling allerlei vragen, niet om hem te toonen, wat hij wist, maar om hem te doen uitspreken, wat hij voor zichzelven geloofde en gevoelde en van zins was. Daarop, en daarop alleen, kwam het aan. De hoofdeisch, of liever de eenige eiscn, was: oprecht geloof in den Heere, kennis en aanneming van de waarheden der religie; niet zoozeer in het algemeen, als vooral met betrekking tot zichzelven; niet slechts met het verstand, maar ook met het hart; niet als een onderwerp van beschouwing maar als eigen praktijk”, Kerkel. Adviezen II, blz. 114. Zo dachten onze vaderen er over en zo dient men ook de bekende „vragen van Voetius” te lezen - men leze er de door ons aangehaalde citaten van Voetius nog maar eens op na. De belijdenis is dus een belijdenis niet van wat ánderen geloven maar van wat men zélf gelooft. De Here vraagt een wáár geloof en de kerk mag niet anders vragen - zij leeft immers niet bij een „historisch” maar bij een echt, levend, een wââr geloof, het zaligmakend geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.