+ Meer informatie

‘DE HEILIGHEID IS UW HUIS TOT SIERAAD…’ Een bijzondere kerkenraadsvergadering

26 minuten leestijd

De kerkenraadsvergadering begint stipt om half acht, en zal volgens planning tot maximaal tien uur duren. Direct na de opening, bij de vaststelling van de agenda, vraagt broeder Pieterse het woord: of we vanavond niet eens een keer kunnen begínnen met het agendapunt ‘huisbezoeken’, in plaats van daarmee af te sluiten. Er zit hem iets hoog, je merkt het aan hem. Het voorstel wordt aanvaard, en Pieterse steekt van wal. Ik heb deze maand in mijn wijk zes huisbezoeken afgelegd, zegt hij, maar zó verschallend! Allemaal binnen die ene gemeente van ons. Ik heb steeds geprobeerd om af te steken naar de vragen van het geloof en de beleving van de eredienst, maar het ging niet zo diep. Toen bedacht ik, en dat heb ik bij elk van die bezoeken gedaan, laat ik nu eens doorvragen naar hoe ze over God denken. Wie is de Here God voor jullie? En wat ik toen te horen kreeg… Er kwamen allerlei beeiden van God langs:

• een vaag-abstract godsbeeld: ik weet het niet zo precies, God is voor mij eigenlijk meer een iets dan een Iemand, de grond van het bestaan of zo;

• een theoretisch-afstandelijk godsbeeld: God is de Schepper van alles, maar eerlijk gezegd merk ik niet veel van Hern;

• een warm-emotioneel godsbeeld: ik voel God gewoon, als een grote brok liefde, vooral als ik het moeilijk heb;

• een kil-bedreigend godsbeeld: ik denk vaak, als het over God gaat, Hij ziet alles wat je doet, een soort Big Eye over je leven, toch?

De broeders raken in een levendig gesprek, want ze herkennen wel wat Pieterse zegt. Wie is God nu eigenlijk – de een vindt dit, de ander voelt dat. Opeens schrikt broeder Willemse op: het is al zowat elf uur! Besloten wordt om er eens een aparte avond aan te wijden, en ook om niet twee maar vier broeders af te vaardigen naar de landelijke ambtsdragersconferentie 2011.

I. VERANDEREND GODSBEELD

Wanneer ouderling Pieterse niet anno 2011 maar een eeuw geleden, in 1911, zijn vragen bij het huisbezoek had gesteld, wat voor antwoorden zou hij hebben qekregen? Wij leven in een radicaal andere wereld dan toen. De zuilen, de uaste kerkelijke verbanden met gezaghebbende instanties, de welomschreven kerkelijke leer, gemeenschappelijk gedragen overtuigingen vol zekerheid: het heeft allemaa! aan betekenis ingeboet, of is aan het verdwijnen. De grenzen vallen weg, de moderne communicatiemiddelen veranderen de mens. En die mens ziet: er is een weruelende veelkleurigheid en veeluormigheid van religies met allerlei godsbeelden. Het zogenaamde postmoderne denken vertelt ons dat alles eindeloos relatief is, en dat er geen vaste waarheden zijn. Wij, met onze kinderen en kleinkinderen, hebben steeds meer geleerd zelf na te denken, je eigen individuele keuzes te maken. Wat jou bevalt en wat goed voelt, dat neem je mee, de rest schift je. Er groeit een generatie op die zelfstandig zijn eigen levensovertuiging inclusief godsdienst bij elkaar sprokkelt uit allerlei richting, ‘bricolage’ noemen ze dat. Ingrid gelooft in Jezus, in reïncarnatie en in vrije seks; Mark kiest meer voor een geloof met elementen uit het Oude Testament, uit de joodse mystiek maar is ook een beetje gecharmeerd van het boeddhisme. Realiseren we ons dat rondom ons nog maar één op de vijf Nederlanders in een persoonlijke God gelooft? Over God kun je maar het beste in vage, onpersoonlijke termen spreken, zo lijkt de tendens. Natuurlijk werkt dit alles door in de kerken, ook in die van ons.

Maar er is meer aan de hand. Onderzoekers spreken wel van een zekere humanisering van het godsbeeld. Mensen willen af van de zogenaamde autoritaire godsbeelden uit het verleden. Beeiden van God als Heer, Koning, Rechter, Strijder e.d. ervaart men als onderdrukkend, getweten-bindend: die kun je beter bijstellen.. Na een eeuw met zoveel geweld en bloedvergieten moet het roer om, ook religieus. Het accent op Gods barmhartigheid, liefde, genade moet versterkt worden. Sommigen spreken zelfs uan het ‘therapeutische’ godsbeeld: God in de gestalte uan de graag vergevende Vader of Moeder, die uan je houdt zoals je bent. De feel-good religie, met de God die zoueel begrip uoor je heeft, zijn hand op je schouder legt en bij une je mag zijn wie je bent.

We beseffen allemaal dat ons godsbeeld gevolgen heeft voor onze kijk op onszelf, op de medemens en op het dagelijks bestaan. De drijfveren achter ons handelen en onze levenskeuzen worden er mede door gevoed. Ons gebed en onze lofzang, onze troost en onze toekomstverwachting worden diepgaand bepaald door de voorstellingen die wij van God hebben. En ieder mens, dat is onvermijdelijk, maakt zich een bepaald beeld van God. Je leeftijd en je karakter, je opvoeding en herkomst, de cultuur en de tijd waarin je leeft: dat heeft allemaal impact op hoe jij je God voorstelt.

Toch heeft voor een christen dit allemaal niet het laatste woord. Voor een werkelijk antwoord op de vraag naar een waar godsbeeld zijn we niet op onze menselijke ervaring, maar op de goddelijke openbaring aangewezen. We kunnen over God uiteindelijk geen zinnig woord zeggen buiten Gods Woord om. En het komt er nu maar precies op aan, dat wij God leren kennen zoals Hij Zichzelf aan ons te kennen geeft in zijn Woord, de Bijbel, en dat wij ons menselijke godsbeeld daar-door willen laten vormen.

2. DE KERNVRAAG

Wie is God? De Bijbel geeft antwoord op deze kernvraag in een grote variatie van namen en beeiden, naamwoorden en werkwoorden.

Hoe is zijn naam? Behalve met de Naam JHWH ‘Ik ben die Ik ben’ wordt Hij genoemd: God de Allerhoogste, God de Eeuwige, God de Almachtige, God des aanziens, HERE der heerscharen, God van de hemelse machten, de Naijverige, de Heilige Israëls. In vele beeiden spreken profeten en apostelen over Hem: Koning, Herder, Krijgsheer, Rots, Bruidegom, Rechter, Bron des levens, Licht, Schepper, Redder, Geneesheer, Losser, enz. De ‘eigenschappen’ die aan God worden toegeschreven zijn even sprekend: Hij is machtig, trouw, rechtvaardig, liefdevol, goedertieren, genadig, barmhartig, lankmoedig, toornend, betrouwbaar, levend, uniek, enz. Terecht wijzen sommige theologen erop dat we God nog meer dan uit al deze naamwoorden leren kennen uit de werkwoorden in de Schrift. Hij is immers de God die handelt, ingrijpt, berouw heeft, verkiest, toornt en verlost, liefheeft en zich ontfermt, oordeelt en uitleidt, enz.

De variatie wordt nog groter als we zien dat elke Bijbelschrijver eigen accenten legt. Wat een verschil tussen de God van het bespiegelende boek Prediker en de Here die in Abrahams tent een bokje eet (Gen. 18). Wat een verschil tussen de Meester die zegenend de kinderen omarmt (Luc. 18) en Hem die samen met de engelen zijner kracht in vlammend vuur straf zal oefenen over de heidenen (2 Tess. 1).

Betekent dit een pluralisme van godsbeelden in de Bijbel, zoals sommige theologen beweren? Botsende, onderling tegenstrijdige godsbeelden? Neen. Het betekent wel dat we hier te maken krijgen met die God, die de Levende is. Dat is het mooie van de Bijbel, die ons niet een kant en klaar geloofssysteem biedt, maar de weergave vormt van een weergaloze geschiedenis waarin de levende God in woord en daad zijn sporen door deze wereld trekt. Het is eén heilsgeschiedenis die door de hele Bijbel heengaat. En dan toont de Bijbelse godsopenbaring, te midden van de vele kleuren en variaties, terdege ook een opmerkelijke eenheid in alles wat over God gezegd wordt. De HERE, Israëls God, is één (Deut. 6:4). De Schepper is dezelfde als de Verlosser, Hij die zijn volk richt is dezelfde als die zijn volk redt.

Nu is er een bijzonder woord dat steeds terugkeert, in alle mogelijke verbanden, om het eigene en unieke van deze God van de Bijbel aan te geven: ‘heilig’, ‘heiligheid’. Deze notie is fundamenteel voor de Bijbelse prediking aangaande God en bepaalt alle andere ‘eigenschappen’ van God. Gods liefde is héilige liefde, Gods toorn is héilige toorn, zijn goedheid is heilig en zijn daden zijn heilig. Geen ander woord zegt zo veel over wie God werkelijk is; geen andere eigenschap wordt in het Oude Testament zo frequent aan God toegeschreven. Zijn heiligheid doordringt alles van God. Van alle Bijbelse woorden is de heiligheid het meest karakteristiek voor wie God wezenlijk is.

3. HET BEGRIPHEILIG

Nu valt het voor ons moderne westerlingen nog niet direct mee om het Bijbelse spreken over heiligheid goed te verstaan. In onze taal kunnen de woorden ‘heilig’ en ‘heiligheid’ verschillend gebruikt worden. Soms negatief: denk aan het heilige boontje dat in feite schijnheilig is, of aan de zogenaamd heilige oorlog van Al Qaeda. Soms heel specifiek: de rooms-katholieke heiligen wier beeiden de kerken sieren. Maar over het algemeen voelen we toch wel aan, dat met ‘heilig’ iets bijzonders wordt bedoeld, iets respectabels, iets waar geen smet op mag liggen.

Het woord ‘heilig’ in de Bijbel duidt dat precies aan: het bijzondere, het andersdan-normale. Geleerden leiden het Hebreeuwse woord voor ‘heilig’ (q dôš) af van een woordstam met de betekenis ‘scheiding maken, afstand scheppen’. Heilig is wat gescheiden is van het gewone, het profane. Vergelijk Lev. 20:26, waar God tegen Israël zegt: ‘Weest Mij heilig, want heilig ben Ik, de HERE, en Ik heb u afgezonderd van de volken, opdat gij Mij zoudt toebehoren’. Er zit zowel een negatieve als een positieve kant aan dit heilig-zijn: (negatief) afgezonderd van het profane en zondige, (positief) toegewijd aan God.

Met het begrip ‘heilig’, toegepast op de HERE God, maakt de Bijbel ons Hem bekend als de God die de Unieke is, die ‘radicaal anders’ is, zo bijzonder dat Hij nooit in onze kaders en categorieën opgesloten kan worden. In de strikte zin van het woord is alleen God heilig. Mensen of zaken kunnen slechts heilig zijn in afgeleide zin. Gods heiligheid ontvouwt zich op velerlei wijzen, zoals we nu gaan zien.

4. JESAJA EN HET TRISHAGION

Bij niemand beter dan bij de profeet Jesaja kunnen we in de leer om te verstaan wat de heiligheid van God is. Te beginnen bij de roeping van Jesaja, die levenslang een stempel op zijn persoon en zijn profeteren zou drukken: ‘In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook’ (Jes. 6:1-4).

Wat heeft Jesaja gezien? Hij krijgt een visionaire impressie van de HERE die als Koning (vgl. vs 5) troont ver boven de aarde. Maar vanaf deze hoge en verheven troon worden de zomen van Gods kleed in de tempel zichtbaar en vullen deze ruimte. Hemel en aarde vervloeien in profetisch-visionair perspectief. En let op het gedrag en gezang van de serafim! Zes vleugels hebben de serafim; al zwevend rondom de Troon bedekken zij met twee vleugels hun aangezicht, zodat zij God niet kunnen zien, en met twee vleugels bedekken zij eerbiedig hun ‘voeten’. Dit accentueert Gods ongenaakbaarheid en totaal anders zijn. Zelfs de hemelse wezens mogen Gods aangezicht niet aanschouwen. In Gods nabijheid overvalt elk wezen schroom en eerbied. En hun lofzang klinkt dan over en weer de hemel en de tempel door: ‘Heilig, heilig, heilig’. Tot driemaal toe het woord heilig: in de theologische literatuur wordt dit met een Grieks woord het ‘Trishagion’ genoemd.

Het Trishagion bevat de wezenlijke boodschap van Gods heiligheid: Hij is de gans Andere, onaantastbaar, majestueus verheven. Oneindig gescheiden van deze wereld, niet maar omdat hij ‘transcendent’, totaal anders is, gescheiden door afstand en ruimte, maar nog meer omdat er een diepe kloof is tussen Hem en de zonde, waarmee de wereld geïnfecteerd is. Des te wonderlijker is het vervolg van de tekst, want deze God wil toch bij de mensen wonen – de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. De Here is niet alleen de ver Verhevene (transcendent), Hij is ook de zeer Nabije (immanent). In het samengaan van deze twee aspecten ligt het wonder van de Bijbelse openbaring van God. Juist als de Heilige wil God met de mens verkeren (zie Jes. 57:15).

Het Trishagion is een vast bestanddeel van de liturgie in de tempel van Jeruzalem. Een mooi voorbeeld treffen we aan in Ps. 99, waar met een drievoudig refrein net als in Jes. 6 sprake is van God koningschap en Gods heiligheid, die de menselijke reactie van beven en sidderen oproept. Het Trishagion is de eeuwen door meegegaan in de eredienst van Gods volk. Tot in het laatste Bijbelboek toe vinden we er de sporen van. In Op. 4 ontvangen we opnieuw een blik op de Troon. Midden in de Troon en rondom de Troon zijn vier dieren, die elk – net zoals de serafim van Jes. 6 – zes vleugels hebben, en die permanent het Trishagion doen horen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt’ (Op. 4:8). God was heilig in het verleden, is heilig in het heden en zal heilig zijn in de toekomst. Wat er ook verandert in de loop der tijden, dít verandert nooit.

5. DE ‘SCHADUWZIJDE’ VAN GODS HEILIGHEID IN OT EN NT

Wij mensen scheppen ons graag een beeld van God dat past in ons denken en tegemoet komt aan onze behoeften. Troost, geluk, vrede, uitzicht: daar willen we graag van horen. Ons godsbeeld moet niet verontrustend zijn, of kritisch op ons leven inwerken. Maar de God van de Bijbel is de totaal Andere. Zeker, Hij is grenzeloos in ontfermen, Hij heeft de wereld machtig lief; maar als de Heilige is Hij ook de God die zich volstrekt aan onze claims onttrekt. De Bijbel gebruikt niet zelden de beeiden van ‘licht’ en ‘vuur’ voor deze heilige God. ‘God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis’ (1 Joh. 1:5). Als Hij zich bij de Sinaï openbaart, staat Israël doodsbang aan de voet van de berg, ‘terwijl de berg laaide van vuur tot in het hart des hemels – duisternis, wolken en donkerheid. Toen sprak de HERE tot u uit het midden van het vuur’ (Deut. 4:llv.). Met Hem valt niet te spotten. Juist omdat Hij de Heilige is, kan Hij zich ook in een overweldigend, gericht tegen de mens keren. Niet willekeurig, maar wel reëel. In dit kader spreekt de Bijbel geregeld van Gods heilige naijver, of zijn heilige toorn. Daarom worden we in de Bijbel ook meermalen opgeroepen te ‘beven’ en te ‘sidderen’ voor de heilige God. Gods naam is naast heilig ook ‘geducht’ of ‘vreeswekkend’ (vgl. Ex. 15:11; Ps. 111:9).

Op dit wezenlijke punt is er geen verschil tussen OT en NT. Ook in het NT is de Here de Heilige die kan toornen (vgl. Hand. 5:1-11). Zeker, de komst van Jezus Christus is de ultieme betoning van Gods liefde voor deze wereld. Maar nooit heeft deze liefde iets goedkoops, gemakkelijks. Het is een liefde die zichzelf totaal wegschenkt, een liefde die ontzaglijk veel kost. Alom is in het NT dan ook de keerzijde van deze liefde helder. De liefde is de uitgestoken hand van God naar ons leven toe, om ons te redden van de kornende toorn. Christus is gestorven en opgewekt: juist deze inhoud van het evangelie heeft de apostelen de ogen geopend voor de geweidige realiteit van de toorn van God. Niet alleen de liefde van Christus dringt Paulus tot de bediening der verzoening (2 Kor. 5:14), maar ook de wetenschap hoezeer de Here te vrezen is (2 Kor. 5:11).

6. EEN VOORBEELD: DE DOOD VAN UZZA

Hoe reëel en indringend de heilige toorn van God is, kunnen we bijvoorbeeld zien in het bekende verhaal van de dood van Uzza in 2 Sam. 6. David laat de ark op een nieuwe wagen vervoeren uit het huis van Abinadab, richting Jeruzalem. De runderen voor de wagen glijden uit, de ark dreigt van de wagen te vallen, maar Uzza grijpt de ark vast. Dan lezen we: ‘En de toorn des Heren ontbrandde tegen Uzza en God sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid; hij stierf daar bij de ark Gods’. David wordt boos op God (niet ‘diep getroffen’ zoals NBG-1951 moraliserend vertaalt!), en later bang (vs. 8-9).

Dit is een tekstgedeelte waar (vrijwel) nooit over gepreekt wordt, en waar veel Bijbellezers over struikelen. Lijkt dit niet woest en willekeurig te zijn? Uzza bedoelde het toch goed, en David ook? Is dit nu de God die liefde is? Zo’n Bijbeltekst past al helemaal niet bij een humaniserend, therapeutisch godsbeeld, en in moderne liedbundels staat geen enkel lied dat 2 Sam. 6 verwerkt. Het is ook inderdaad een huiveringwekkend verhaal – maar wel met een diepe boodschap.

Aan deze episode van Uzza is namelijk wel een hele geschiedenis voorafgegaan. Een geschiedenis waarin voortdurend gesold werd met de ark. De ark: het symbool van de presentie van de heilige God van het verbond. Maar dat verbond werd geschonden. Israël had de ark, begeleid door Hofni en Pinehas, als een soort geheim wapen in de strijd geworpen tegen de Filistijnen (1 Sam. 4). Buitgemaakt door de Filistijnen, was die ark als krijgstrofee in de tempel van Dagon neergezet. Na een hele tocht kriskras door Filistea werd de ark uiteindelijk op een nieuwe wagen, met runderen ervoor, teruggestuurd naar Israël (1 Sam. 6), naar Beth-Semes. En daar hadden de mannen van Beth-Semes op ongepaste wijze nieuwsgierig met de ark gehandeld, waarop God hen gestraft had. Vervolgens werd de ark naar Kirjath-Jearim vervoerd, naar het huis van Abinadab, en jarenlang heeft men er niet meer naar omgekeken (1 Kron. 13:3). Nu eindelijk wel – maar wat doet David? De ark mocht alleen gedragen worden (Ex. 25:13-15), en wel door een bepaalde categorie levieten, en die mochten de ark absoluut niet aanraken (Num. 4:15). Maar niets van dit alles, David laat de ark op de manier van de Filistijnen (op een nieuwe wagen) vervoeren. En Uzza was nog niet eens een leviet. Gesol met de ark – later zal David dat ook erkennen, vgl. 1 Kron. 15:12v, wanneer hij bij een tweede poging om de ark op te halen, tegen de levieten zegt zich te heiligen, want – zo zegt hij – dat hebt gij de vorige keer niet gedaan, en daarom ‘heeft de Here, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd zoals het behoorde’. Dan wordt de ark opnieuw vervoerd, niet op de wijze van de Filistijnen maar nu eindelijk op de wijze van Mozes, conform de voorschriften.

In zo’n geschiedenis proef je op het scherp van de snee: de heilige God laat niet met zich sollen. Dit is een prediking die door de hele Bijbel heengaat, en waaraan we niet dan tot schade voor ons geestelijk leven kunnen voorbijgaan.

7. DE ‘LICHTZIJDE’ VAN GODS HEILIGHEID

De openbaring van de heilige God, de Gans Andere, kan een bron van schrik worden als Hij zich in toorn tegen de mens keert. Toch ligt de kern van de Bijbelse boodschap over Gods heiligheid veel meer bij wat we de ‘immanentie’ van God kunnen noemen: zijn liefde en barmhartigheid, waarmee Hij de mens zoekt, en die in Christus Jezus vlees en bloed heeft aangenomen. Het Woord heeft onder ons gewoond! Daarom: veel meer dan bron van schrik is Gods heiligheid bron van eindeloze hoop: Hij is vooral heilige liefde.

Eén prachtig voorbeeld geven we, uit het boek Hosea. Deze profeet leefde en profeteerde in het Noordrijk Israël, omstreeks het midden van de achtste eeuw v.Chr. Hij zag de ondergang van dit rijk snel naderbij komen. Met alles wat in hem was heeft hij nog een laatste alarmsignaal uitgezonden, en met hart en ziel gesproken over de onbegrijpelijke liefde van God, over de verschrikkelijke toorn van God, en over de heiligheid van God die niet loslaat wat zijn hand eens begon. De verkondiging van de barmhartigheid die roemt tegen het oordeel, is nergens aangrijpender dan in Hosea 11.

God heeft zijn kind Israël liefgehad, zijn zoon uit Egypte geroepen en alles gegeven, in koesterende zorg. Israëls ondankbaarheid tegenover deze liefde is zo diepgeworteld, dat onherroepelijk het oordeel wel moet komen (vs. 5): terug naar het slavenhuis ‘Egypte’ (= Assyrië). Dit betekent niets minder dan dat Gods heils-geschiedenis met zijn volk Israël beëindigd gaat worden. Dan vindt echter plot-seling een wonderlijke wending plaats. ‘Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u over-leveren, Israël?’ (vs. 8). De toon wordt gezet door het eerste woordje ‘hoe’, een vormelement van het klaaglied. We horen God klagen… Eens werden Adma en Seboïm, en andere Steden bij de Dode Zee, door het vuur van Gods gericht ‘omgekeerd’ (vgl. Gen. 19). Hetzelfde verdient nu ook Israël, dat zich rijp gemaakt heeft voor het oordeel. Maar wat blijkt? God kán het niet! Niet Israël zal ‘omgekeerd’ worden, maar in Gods eigen hart vindt een ‘omkering’ plaats: ‘mijn hart keert zich tegen Mij om’ (vs. 8). Waarom keert Gods hart zich om tegen Hern? Omdat zijn berouw/medelijden ten volle wordt opgewekt (vs. 8b). Gods liefde verhindert, dat hij zijn brandende toorn geheel ten uitvoer brengt: ‘Ik zal Efraïm niet verder verderven’ (vs. 9). Dit laatste hangt samen met Gods heiligheid: ‘Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed’. Gods liefdevolle vasthouden aan Israël wordt in zijn heiligheid gefundeerd! Juist omdat God de Heilige is, kan Hij aan zijn eigen toorn een halt toeroepen.

8. LlJNEN DOORGETROKKEN (i): HEILIGHEID EN LEVENSPRAKTIJK

Wanneer we vanuit de Bijbel zicht ontvangen op wie God is, dan heeft dat consequenties voor ons dagelijks leven. De belijdenis dat God de Heilige is, plaatst ons hele bestaan in een bepaald licht, met alle gevolgen van dien voor je levenspraktijk, voor de eredienst, voor de persoonlijke spiritualiteit. Omdat Hij de Heilige is, legt Hij beslag op het hele leven, om dat te ‘heiligen’, terug te voeren tot de eigenlijke bestemming. God die ons schiep is een heilige God, die heen werkt naar de heiliging van de geschapen werkelijkheid, en die zich daartoe een volk geheiligd heeft. Licht is Hij, en in Hem is in het geheel geen duisternis; wie in Hern gelooft, wandelt niet meer in de duisternis (Joh. 8:12), legt de werken der duisternis af en doet aan de wapenen des lichts (Rom. 13:12), geroepen als hij is tot een heilig leven voor Gods aangezicht.

Dit wordt bijvoorbeeld heel duidelijk in het boek Leviticus. Dit boek heeft een apart, samenhangend blok wetten dat wij de ‘Heiligheidswet’ noemen: Lev. 17-26. Deze naamgeving is ontleend aan het kernvers ‘Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig’ (19:2). Op alle mogelijke terreinen van het leven klinkt het motiverende ‘Ik ben de HERE, uw God’. God is heilig (19:2), Hij heiligt Israël (21:8) en daarom moet Israël zich heiligen (20:7). Het hele leven van Israël, in religieus, ethisch, cultisch, juridisch, sociaal en economisch opzicht, ligt onder deze claim van de heilige God. Hij vraagt een leven in een volkomen toewijding aan Hem en in een volkomen afkeer van een heidense levensstijl. Hij legt deze claim op dit volk, omdat het zijn volk is. Hij heeft Israël afgezonderd (20:26), uit Egypte geleid en zijn verbond met Israël gesloten.

De Bijbel noemt dit ook wel ‘de heiliging van de Naam van God’, cf. in het NT de tekst: ‘heiligt de Christus in uw harten als Here..’ (1 Petr. 3:14v.). Het heiligen van de Naam van God is een zeer existentieel gebeuren, het vindt plaats in de harten, die de uitgangen des levens zijn. Dat doortrekt het hele bestaan. Christus heiligen betekent Hern Heer over alle dingen laten zijn. Van levensbelang is hierbij het doen van Gods geboden. De wet van God is maar niet een bundeltje adviezen, maar de geboden zijn letterlijk lééfregels, van God ons geschonken om de weg van het leven te gaan. Hierin wordt Hij geheiligd.

9. LIJNEN DOORGETROKKEN (2): HEILIGHEID EN EREDIENST

In de eredienst klopt het hart van de omgang tussen God en zijn volk. Nu toont de geschiedenis een grote variatie qua inrichting van de eredienst, en vandaag de dag met de verspreiding van het Evangelie over de wereld wordt die variatie alleen maar groter en rijker. Het is wonderlijk mooi om te zien op hoeveel wijzen, in hoeveel talen en kleuren onze God in de liturgie geëerd en geprezen wordt, wereldwijd. Elke tijd kan weer nieuwe accenten zetten, bij de constanten die er zijn, elke cultuur heeft eigen belevingsvormen.

Als dat ene altijd maar weer centraal staat: de eredienst als de ontmoeting met de Heilige. Uiteraard heeft een kerkdienst ook een belangrijke sociale component (de onderlinge ontmoeting, het meeleven met elkaar), een esthetische component (de muziek, het zingen) en een didactische component (het leren, het verrijken van je kennis) – maar alles moet dienstbaar zijn aan de ontmoeting met de Heilige. Dit heeft uiteraard consequenties voor de toonzetting en vormgeving van de eredienst. Het geheel moet doortrokken zijn van eerbied, ontzag, liefde, betrokkenheid, heilige concentratie. Daar bid je om tijdens het stil gebed, zó zoek je bezig te zijn in alle onderdelen van de eredienst. Dat hoeft gezelligheid en onderlinge uitwisseling helemaal niet uit te sluiten, of een gesprekje met de kinderen, of aardige momenten van ontspanning. Maar het doel, het kader, de teneur van de eredienst is: de Here onder ogen komen, om te leven van zijn genade en liefde.

Dit betekent dat je zorgvuldig zult zijn bij het invullen van de diverse elementen van de eredienst. Er zijn in de vormgeving van de kerkdienst grenzen die je moet respecteren. De grens ligt daar waar het profane en het heilige vermengd worden. Het criterium is altijd weer: dienst en eerbied. Ook voor de prediking heeft dit natuurlijk consequenties. Prediking is niet een exposé met allerlei bespiegelingen gelardeerd met leuke verhaaltjes over wat de dominee allemaal beleefd heeft, en evenmin een droge uiteenzetting over dogmatische onderwerpen, of een uitgebreide Bijbelstudie. Prediking is bediening der verzoening, onder de hoogspanning van de ontmoeting van de Heilige met zijn volk. Hier gaat de Schrift open, in uitlegging en toepassing. Het Woord van God in mensenwoorden, gericht op onze harten, tot bekering en geloof en heiliging. Dit geeft tegelijk het kader aan van het taalgebruik en het hanteren van voorbeelden in de prediking. Dit doet drastisch snoeien in het gebruik van het woordje ‘ik’ in de preek. Laat zeker rondom de bediening van de sacramenten de beleving van de ontmoeting met de Heilige God de gang van zaken beheersen. Daarom bijvoorbeeld tijdens de doop liever geen mensen met flitsende fotoapparatuur rondom de doopvont. Daarom bij rouwdiensten geen oeverloze, zwaar emotionele vertogen over allerlei details uit het privéleven van de overledene.

Het besef van de heiligheid van God werkt door in verootmoediging en lofprijzing in de eredienst. De toonzetting is van blijvend belang. Afraffelen, routine, slordigheid, nodeloos rekken, rommeligheid – het doet af aan de waardigheid en diepgang van een kerkdienst. Het Trishagion vraagt om een voortdurende vertaling en herhaling, als een permanent reukoffer dat de eeuwen door opstijgt tot God. Ritmisch of niet ritmisch, met of zonder orgel, in psalmen of in gezangen – dat zijn in feite tweederangs vragen. Eersterangs vraag is, of het oprecht uit ons hart komt, en of het een kanaal kan zijn waardoor het water uit bron van de Bijbel over de volle breedte kan stromen.

Dit brengt je er ook toe om zorgvuldig te zijn in de keuze van liederen – er zijn liederen in omloop, met misschien heel geliefde melodieën, waarin toch onder-tussen tekort wordt gedaan aan de Bijbelse boodschap, of die de lofprijzing in de toonzetting van ons goede religieuze gevoel brengen. Interessant is op dit punt een discussie over de tekst van Opwekking 518, in een dagblad van 9 maart jl. De tekst is bekend: ‘Heer, U bent altijd bij mij, U legt uw handen op mij en U bent voor mij en naast mij en om mij heen, Heer, U bent altijd bij mij..’. Is dat wel waar, is God wel altijd bij je? Is God niet heel erg lief in dit lied, met het beeld van een feel-good-God? Aldus de columnist, die dit lied een knuffelversie van Psalm 139 noemde, en er terecht op wees dat in Psalm 139 Gods nabijheid geen risicoloze zaak is, en dat in die psalm ook het haten van Gods tegenstanders een plek heeft – maar dat vind je niet terug in Opwekking 518.

10. LiJNEN DOORGETROKKEN (3): HEILIGHEID EN DE BINNENKAMER

Wanneer we zien hoezeer God de Heilige is, werkt dat door in je persoonlijke geloofsbeleving. Soms wordt zo familiair over God gesproken, zo snel. Je kunt je verbazen over het gemak waarmee de Naam van God gebruikt wordt. Wat kunnen mensen hoog op de toonladder klimmen, als ze het over God hebben. Maar: wie zijn wij? Wie kan overeind blijven in de ontmoeting met de levende God? Sprekend zijn passages in de Bijbel waarin de reactie van mensen getekend wordt, als zij geconfronteerd worden met de Heilige. Hoe reageerde Mozes bij de brandende braamstruik (Ex. 3:6), of Israël aan de voet van de Sinaï (Ex. 20:18)? En dan Job, de lijdende. Hoeveel heeft hij niet over God gesproken? Hoeveel godsbeelden passeren in de antwoorden van Jobs ‘vrienden’ niet de revue? Maar dan spreekt God – uit een storm. Toen antwoordde Job de HERE: ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as’ (Job 42:5v.). Ook in het Nieuwe Testament blijkt steeds weer dat de mens nergens blijft als hij ook maar een moment iets gewaar wordt van Gods majesteit. De priester Zacharias in de tempel (Luc. 1:12), en de herders in het veld, als de heerlijkheid des Heren hen omstraalt: ‘en zij vreesden met grote vreze’ (Luc. 2:9). De Here Jezus verschijnt aan Johannes, stralend in al zijn heerlijkheid: ‘En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten’ (Op. 1:17).

Je komt het in de Bijbel alom tegen, en het wijst ons de weg in ons persoonlijke geloofsleven: de aansporing tot een eerbiedig vrezen van de ontzagwekkende God. Met een oudtestamentische term: de vreze des Heren. Tegelijk klinkt in de Bijbel talloze malen de oproep: ‘Weest niet bevreesd!’. Dit is niet met elkaar in strijd, omdat de vreze des HEREN zelf het element van liefdevolle overgave aan de Betrouwbare God in zich heeft. Door het evangelie wordt niets afgedaan aan de wetenschap dat God óók een verterend vuur is (Heb. 12:29); evangelisten en apostelen weten van de ‘schrik des Heren’ (2 Kor. 5:11). Maar daarbovenuit wordt het getuigenis gedragen door de machtige vreugde van het ‘weest niet bevreesd’, in de wetenschap dat Jezus de beker des toorns genomen heeft, de straf gedragen, voor eens en voorgoed (Heb. 9:26) de zonde door zijn offer weggedaan en de dood overwonnen heeft.

Door zijn verzoenend werk heeft Christus Jezus de weg tot God de Vader ontsloten, wij mogen ingaan in het heiligdom door het bloed van Jezus (Heb. 10:19). Niet langer is daar de distantie tussen Gods volk en het Heilige der heiligen, waar behalve de hogepriester niemand komen mocht. In Christus heeft Gods volk een Hogepriester over het huis Gods (Heb. 10:21). Dit betekent dat wij mogen naderen met volle vrijmoedigheid, zoals misschien nog wel het mooiste blijkt uit de ver-trouwelijke aanspraak ‘Abba’ in ons gebed. In dit ene woordje ‘Abba’ is alle onuitsprekelijke rijkdom waarin de gelovige mag delen als het ware geconcentreerd: kind aan huis bij Hern wiens naam de Heilige is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.