+ Meer informatie

DE EUTHANASIEDISCUSSIE EN WAT WIJ ERMEE TE MAKEN HEBBEN

8 minuten leestijd

INLEIDING

Het viel mij de afgelopen jaren op, dat ik in het buitenland — Duitsland, Frankrijk — werd aangesproken op het Nederlandse beleid ten aanzien van euthanasie, terwijl het in ons land zelf de laatste twintig jaar eigenlijk in dit opzicht betrekkelijk stil is geweest. Daarvóór heeft er een heftige discussie plaatsgevonden, die diepe kloven in de samenleving heeft getrokken. Zeer recentelijk is de discussie weer enigszins opgeleefd, rond de doding van pasgeboren kinderen met spina bifida, in de volksmond een ‘open ruggetje’ genoemd, maar ze is — naar mijn indruk — toch nauwelijks verder gekomen dan de kring van artsen en ethici. In dit artikel wil ik een blik slaan op de huidige situatie zoals die in de afgelopen decennia haar wortels heeft, vervolgens naar het alternatief voor euthanasie in de vorm van de hospices, en tenslotte bezien in welk opzicht wij nog altijd alert hebben te zijn.

EEN TERUGBLIK

Enkele jaren geleden heeft de Amerikaanse historicus met Nederlandse ‘wortels’, James C. Kennedy, de discussie van de laatste decennia op een overzichtelijke manier in kaart gebracht (Een Weïoverwogen dood. Euthanasie in Nederland, Amsterdam 2002). Dat levert het volgende beeld op.

Het beginpunt laat zich markeren door de verschijning van het boek van J.H. van den Berg, Medische macht en medische ethiek, in 1969. Het was een pamflet van niet meer dan 48 bladzijden, verlucht met enkele aangrijpende foto’s. Zo is mij de foto bijgebleven van een jongeman, wiens lichaam onder zijn middenrif was afgezet. Het was een schokkend beeld van de macht van de medische wetenschap, maar ook van de keerzijde ervan. Het riep de vraag op: mág, móet alles wat kan?

Een belangrijk argument in de discussie over euthanasie was dat de mens ‘beschermd’ moest worden tegen de uitwassen van de technologie. Waar de ‘menswaardigheid’ in de knel kwam, mocht een mens niet ten koste van alles met behulp van technische macht in leven worden gehouden. Een doorslaggevend criterium werd nu de vraag of er sprake was van ‘ondraaglijk lijden’. Het probleem van dat criterium was, dat het niet vastomlijnd was. Iemand kon lichamelijk kerngezond zijn, maar in psychisch opzicht te kampen hebben met zware depressies. Is er in dat geval ook sprake van ‘ondraaglijk lijden’?

Tegen het einde van de jaren zeventig gingen er inderdaad stemmen op die pleitten voor hulp bij zelfdoding, uit barmhartigheid. Moest men diegenen die niet verder wilden leven niet behoeden voor de eenzame sprong van een flat of voor de trein? Hebben deze mensen niet het recht zelf het tijdstip voor het einde te bepalen, in de kring en met de hulp van hun dierbaren?

ZELFBESCHIKKING

Sinds begin jaren tachtig tekende zich een meerderheid in het parlement pro liberalisering van het euthanasiebeleid af, en werd euthanasie onder bepaalde voorwaarden gelegaliseerd. De sleutelterm van het Nederlandse euthanasiebeleid was: zelfbeschikking. Anders dan bijvoorbeeld in de Angelsaksische wereld werd ‘zelfbeschikking’ echter niet verstaan als het recht van de patiënt, zoals bijvoorbeeld een behandeling te weigeren. Die weigering is dan zijn beslissing, en de arts staat daar buiten. In de Nederlandse discussie werd de mens gezien als deel uitmakend van een sociaal netwerk. De keuze van het moment van sterven diende de patiënt daarom niet zoveel mogelijk zelf te bepalen, maar werd beschouwd als product van een proces, waarin ook de omgeving van die mens betrokken is. Die eigen invalshoek van de Nederlanders heeft geleid tot discussie over relativering van het zelfbeschikkingsrecht. Als individuele mens heb ik wel zelfbeschikkingsrecht, maar dat wordt begrensd door de mensen temidden van wie ik leef. Ik dien bereid te zijn niet alleen mijn eigen keuze tegenover anderen te verantwoorden, maar die ook in een gemeenschappelijk overleg te nemen. ‘Zelfbeschikking’ komt ná dit overleg.

Een en ander heeft geresulteerd in een wetgeving die het karakter heeft van een compromis. Kort gezegd komt het hier op neer, dat euthanasie in principe strafbaar bleef, en dat een arts alleen dan gevrijwaard blijft van strafvervolging, indien hij aan een aantal zorgvuldigheidseisen heeft voldaan, zoals overleg met een andere arts en familieleden, en toetsing door een regionale commissie. De wetgeving is sinds de jaren tachtig in bepaalde opzichten verder gegaan. In 1994 werd in het Chabot-arrest nadrukkelijk het recht op hulp bij zelfdoding erkend, ook zonder dat er sprake is van uitzichtloos lichamelijk lijden. Het onderscheid tussen somatisch en psychisch lijden verdwijnt daarmee uit beeld.

Al met al heeft de Nederlandse wetgeving zich ontwikkeld in een richting, die is zoals tegenstanders van meet af aan gevreesd hebben. Anderzijds zijn er in de praktijk niettemin tekenen van bezinning en zelfs kentering in het denken over euthanasie en hulp bij zelfdoding bij medici, zoals enkele jaren geleden naar buiten kwam (‘SPIJT: Voorvechters van euthanasie bezinnen zich’, NRC Handelsblad, 10 november 2001). De cijfers geven aan, dat slechts 2,3% van de sterfgevallen gevolg is van levensbeëindiging op verzoek, terwijl in 0,7% van de sterfgevallen euthanasie werd toegepast zonder een uitdrukkelijke wens van de patiënt. Als we kijken naar het verloop van de aanvragen, voorzover we die in cijfers hebben, dan geldt dat in 30% van de verzoeken tot levensbeëindiging de arts hieraan tegemoetkomt, maar in 28% van de gevallen weigert vanwege een onvoldoende gebleken vrijwilligheid. In nog eens 28% van de gevallen stierf de patiënt, voordat de arts ingegrepen had.

De cijfers geven de indruk dat euthanasie na jaren van gestage stijging nu aan het afnemen is. Ik zeg het voorzichtig, omdat er telkens weer signalen zijn dat artsen geen volstrekte openheid betrachten, en — om problemen te voorkómen — op het overlijdensformulier een natuurlijke doodsoorzaak invullen, ook waar wel degelijk sprake is van actief levensbeëindigend handelen.

HOSPICES

Terug naar het ‘sleutelwoord’ in de Nederlandse discussie: zelfbeschikking. Zoals al aangegeven werd het gebruik van die term in de discussie sterk gekleurd door een zeker ‘euthanasiasme’ (= enthousiasme voor euthanasie) van de ‘do-gooders’, zoals de hoogleraar criminologie C.I. Dessaur het zo’n twintig jaar geleden met een bijtend sarcasme noemde. Een gevolg van deze krachtige tendens was dat ons land tot begin jaren negentig nauwelijks hospices voor terminale patiënten kende, waar zij met goede palliatieve zorg konden sterven in een atmosfeer van warmte en geborgenheid, zonder dat er (actieve) euthanasie werd toegepast. Men zag het als een zachte dwang om niet tot euthanasie te besluiten, die afbreuk deed aan de keuzevrijheid van de patient — en de familie en artsen die om hem heen stonden -, en daarmee als een weglopen voor de verantwoordelijkheid.

Dat tij is nu echt gekeerd. Sinds begin jaren negentig zijn er overal hospices gesticht, waar de patiënt in een atmosfeer van liefde en in bijzijn van zijn of haar geliefden naar het einde kan toeleven — en niet alleen door christenen. In de ziekenhuizen wordt nadrukkelijk op de mogelijkheid gewezen voor de laatste levensfase daarheen te gaan. Er is een palliatieve zorg — óók door de medische wetenschap mogelijk gemaakt! -, in hospices en thuis, waarin de pijn zoveel mogelijk wordt weggenomen en het lijden verlicht.

WAAKZAAM

Er is echter reden om alert te blijven. Eind januari 2005 is in het Nederlands Tijdschrift uoor Geneeskunde een artikel gepubliceerd, dat het nodige stof heeft doen opwaaien. Het artikel laat met cijfers zien, dat er euthanasie op baby’s — per definitie wilsonbe-kwamen — wordt toegepast, zonder dat daar rechtsvervolging uit voortvloeit. Artsen blijken voor baby’s die geboren worden met de aandoening spina bifida, een ‘open ruggetje’, zich het recht toe te kennen euthanasie toe te passen op grond van het argument dat deze kinderen een leven van uitzichtloos lijden tegemoet gaan. De 22 gemelde gevallen zijn stuk voor stuk geseponeerd door justitie. Olga de Wit (27), zelf geboren met spina bifida, maar ondanks dat afgestudeerd neuropsychologe en nu student geneeskunde, heeft geschokt gereageerd. De indruk bestaat dat artsen ouders een doemscenario voorschotelen, zonder aan te geven dat zo’n kind — getuige alleen al Olga de Wit — heel goede levensmogelijkheden kan hebben, en zonder hen met andere ouders van dergelijke kinderen in contact te brengen en te horen welke beslissing zij hebben genomen, en hoe zij daarop terugzien. Dit is waar velen — terecht — voor beducht zijn geweest. De echte beslissingen worden aan het oog onttrokken, en als iemand niet de moeite had genomen om de cijfers op te vragen hadden de artsen beslissingen van leven en dood kunnen blijven nemen, zonder de andere mogelijkheden te laten zien (zoals bij de hospices).

Bij de toename van medische mogelijkheden blijft het van beslissende betekenis dat we beseffen dat wij niet ons eigen leven ontwerpen, maar daadwerkelijk rekening houden met de levende God, en in zijn handen laten wat ons niet toekomt. Dat houdt tegelijk in, dat het van principieel belang is het nemen van verantwoordelijkheid — daar zit het woord ‘antwoord’ in, en wel aan Gód! — en hulp bij zelfdoding scherp en blijvend van elkaar te onderscheiden. Hier loopt de grens tussen een bij mensen blijven in hun lijden enerzijds en een voor God spelen anderzijds. We kunnen en mogen dat niet in eigen hand nemen. Het hoeft ook niet — we mogen onszelf en onze geliefden toevertrouwen aan de beste handen die er zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.