+ Meer informatie

De Liturgie vraagt de aandacht V

10 minuten leestijd

Bij de liturgie, die immers een levende uiting van de gemeente wil zijn, van papieren te spreken, schijnt geen vooruitgang. Gaan we bovendien van liturgische „formulieren” spreken dan schijnt het nog minder levend te worden. Vooral als wij dit woord dan verstaan zoals het zijn betekenis gekregen heeft in de sfeer van het administratieve leven, waar voor allerlei zaken formulieren zonder tal worden gebezigd.

Nu hebben onze liturgische geschriften (dit is eigenlijk de officiële naam) echter nimmer de bedoeling gehad om min of meer kerkelijke formulieren te zijn in de administratieve betekenis van dat woord. Zij willen leiding geven bij de „forme”, de manier dus. van de kerkelijke handelingen als onderdelen van het leven der kerk.

Het is echter wel begrijpelijk dat telkens weer de vraag aan de orde geweest is, en soms op felle wijze, — men denke hier aan de strijd van Lodensteyn en Koelman tegen de formulieren — of men door het invoeren, instandhouden en geregeld gebruiken van dergelijke geschriften geen Geest-dodend werk verrichtte.

Men was dan niet tegen enkele lijnen, maar wilde geen binding aan de formulieren. De voorganger moest bij de kerkelijke handelingen gelegenheid hebben voor het vrije woord. Uit de achtergrond van deze strijd zijn dan ook de toespraken bij de lezing van de formulieren op gekomen als een soort persoonlijke, vrije aanvulling van de kerkelijke orde. Daarbij is het soms zo geworden dat men meer aandacht had voor en waarde hechte aan het vrije woord(je) van de dienaar dan aan het gebonden woord van de kerk. Op deze wijze viel men weer in een ander uiterste.

Het formulier wil beslist geen dood. nog minder een dodend element in de liturgie zijn. Erkend moet dat misschien de manier waarop ze door de voorgangers in de dienst gebruikt werden wel eens de indruk gegeven heeft dat het lezen alleen maar als een formaliteit beschouwd werd. Het leek dan soms wel of er een notaris — met alle respect overigens voor deze functionarissen — inplaats van een verkondiger van de boodschap Gods bezig was. En dat laatste willen de formulieren juist doen. Daarom is de manier, waarop ze gehanteerd worden, van grote betekenis.

Wij moeten in de geschiedenis terug gaan om de betekenis van onze tegenwoordige liturgische papieren te verstaan.

Wat ons land betreft zijn zij van 1566–1610 in gebruik gekomen. Het bundeltje is in die periode gegroeid tot de tegenwoordige omvang. Buiten ons land waren al eerder formulieren in gebruik gekomen. Ze waren daar vrucht van de omkeer die. met de Reformatie, in de kerk ontstaan was.

Dat wij, vergeleken met andere kerken, wat laat tot het gebruik van formulieren kwamen, vond zijn reden in de lange tijd van worsteling, die de kerk hier doormaakte, eer ze gelegenheid kreeg orde op zaken te stellen. De vervolging was hier hevig en langdurig.

Mede hieruit is ook te verklaren, dat de bij ons gebruikte formulieren voor het merendeel opgesteld zijn uit die buiten ons land. Vooral in de eerste tijd hebben de kerken zelf hierin weinig gedaan dan alleen maar aanvaard, wat door anderen reeds was opgesteld. Dit is aan onze formulieren nog te merken. Het gebruik van deze geschriften was echter zeer zinvol. Immers men was aan de Roomse verstarring ontkomen. Men had de gemeente als levende kerk weer ontdekt. De Roomse overschatting van de handelingen der kerk had de gemeente alleen maar toeschouwster gemaakt. De handelingen der kerk deden hun kracht, ongeacht het gelovig verstaan en meeleven der gemeente.

Dit nu zag de Reformatie anders; zij beleed de mondigheid der gemeente. Maar dan moest de gemeente ook weten wat er geschiedde in de handelingen der kerk. Er werden door de Roomse kerk veel plechtigheden verricht, waarbij niet werd gesproken en wanneer er al bij gesproken werd was het in een vreemde taal, het latijn.

De reformatorische kerken nu gingen de gemeente onderwijzen. Uit deze begeerte om te onderwijzen zijn de formulieren bij de kerkelijke handelingen opgekomen. Zij hebben dus een predikende en catechiserende betekenis. Daarin werd gesproken over b.v. de inzetting van de sacramenten, over wat God de Here daarin tot zijn kerk zegt, over de manier waarop in het geloof deze inzettingen Gods moeten worden ontvangen, verstaan en beleefd. Meestal werden er dan nog aan toegevoegd aanwijzingen omtrent de eigenlijke handeling, die verricht werd.

Men kan vragen of hier niet teveel verwacht werd van de verstandelijke verklaring van hetgeen de kerk in haar handelingen doet. Toch zullen we moeten bedenken dat de reformatie weer ten volle wilde erkennen dat het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods is. Immers de formulieren verwijzen telkens naar de Schrift. Men moge er dan, nu achteraf bezien, niet altijd in geslaagd zijn dit op de juiste wijze te doen, de bedoeling was zeer te loven.

Daarbij blijkt ook uit de formulieren zelf, dat men het niet van de toelichting zonder meer verwachtte, immers de formulieren zijn dooraderd van gebeden. Men was er diep van overtuigd dat het de Geest Gods was die het geloof wekt en versterkt. De genade was niet opgesloten in de kerkelijke handeling als in een capsule. De Geest Gods wil het verstaan van w,at het sacrament b.v. is en het gebruik daarvan het geloof de belofte des evangelies te beter doen verstaan en deze aan de gelovige verzegelen. Zond. 25 H. Catech.

Een ander doel hadden de formulieren voor de predikanten en voor de kerk als gemeenschap van belijders van hetzelfde geloof. Voor de predikanten: Onder hen waren in de aanvang vele onkundigen omdat zij óf uit de Roomse kerk als pastoor met hun gemeente waren overgegaan tot de „nieuwe leer” — dit gebeurde in het Noorden van ons land veel — óf maar weinig opleiding genoten hadden, wijl daar geen gelegenheid toe was.

Voor de kerk als gemeenschap had het dan deze betekenis, dat er een eenheid was in spreken en handelen bij het openbaar dienen van God de Here. Het waren dan ook de kerken in hun meerdere vergaderingen, die tot het gebruik van de formulieren adviseerden.

Het heeft echter nogal wat geduurd eer de eenheid er was in het gebruik van dezelfde formulieren. Naast de door Datheen in 1566 in zijn psalmboek gegeven formulieren waren ook andere in omloop gekomen n.l. de door Maarten Micron opgestelde voor de vluchtelingenkerk in Londen. Deze bleven naast die van Datheen nogal geruime tijd in gebruik.

Hieraan hadden de drukkers veelal schuld. Zij dachten om hun voordeel en niet om de kerk en haar belangen allereerst. Zo is het ook de schuld van de kerkboekdrukkers, die, zoals er wel eens geklaagd werd, „maar langs hun neus weg drukten,” dat er verschillende teksten van onze liturgische geschriften gekomen zijn, waarin het niet gemakkelijk is de meest oorspronkelijke aan te wijzen.

Ik gaf iets van deze achtergrond, om nu te komen op enkele vragen in verband met deze liturgische geschriften — de daarin gegeven verschillende gebeden, die een afzonderlijk bundeltje vormen liet ik buiten beschouwing — die vandaag de aandacht vragen van u als ambtsdragers. Wat toch is het geval? Er is een afstand van eeuwen gegroeid tussen ons en deze formulieren. En door deze afstand in tijd is er een en ander gewijzigd.

Men kan n.l. vragen of, nu de gemeente meer onderwezen is in Schrift en belijdenis, door catechese en prediking, het nog nodig is om een, soms zeer brede, toelichting te geven bij de handelingen der kerk. En dreigt het gevaar niet dat deze eeuwenoude onderwijzing, welke bijzonder schone en rijke trekken zij ook mag hebben, tot een vorm wordt, die wel plechtig is maar toch in sommige opzichten te ver van ons af blijft staan?

Hierbij komt nog, dat de formulieren destijds als vertalingen — voor een groot deel althans — in het oud-nederlands gesteld zijn. Dat is aan de zinsbouw en de keuze van woorden en woordvormen duidelijk te merken. Bovendien zijn er uitdrukkingen, die wij thans niet meer goed verstaan omdat wij ze niet meer gebruiken. Is hier niet een aanpassing aan de hedendaagse kerktaal nodig? Ik zeg opzettelijk: kerktaal. De kerkelijke formulieren kunnen niet in de conventionele-taal gesteld worden. Zij behoeven niet beslist een ouderwetse maar moeten wel een gewijde taal voeren.

Ook ten opzichte van aangehaalde schriftwoorden is op bepaalde punten een ander inzicht gegroeid, waardoor hier en daar in de formulieren de vraag rijst of wij dit thans nog zó zouden zeggen.

Zo nu en dan is in de loop der eeuwen ook de vraag opgekomen of onze formulieren niet te lang zijn. Ons doopformulier is een kortere editie van een langer, dat er aan voorafging. En door deze bekorting is het er niet minder op geworden; het is nu één van de schoonste van onze liturgische bundel dat, wordt het goed voorgelezen, de gemeente telkens weer vasthoudt.

Onze kerkdiensten zijn korter van duur geworden wat het moeilijker maakt om een lang formulier, als dat van het avondmaal en de bevestiging van ambtsdragers, behoorlijk tot zijn recht te doen komen. We lezen dan soms al een deel van het formulier voor het avondmaal in de voorbereidingsdienst, wat niet de oorspronkelijke bedoeling en opzet was. Soms lezen we de dankzegging van het formulier nâ de avondmaalsvoortzetting in de middagdienst. Zo wordt het formulier verbrokkelt over drie diensten. Dit is uiteraard niet de opzet geweest. Ook zijn bepaalde situaties veranderd. Op sommige punten is te merken, dat onze formulieren de volkskerk voor ogen hebben en niet de belijdeniskerk.

Ook in de omschrijving van de taak der ambtsdragers dragen zij soms het stempel van hun tijd men denke hier b.v. vooral aan de wijze, waarop de uitoefening van het diakenambt gesteld wordt. Ook de kijk op de maatschappelijke situatie is daar niet juist als b.v. de „armen” alleen vermaand worden niet te stelen maar liever te werken.

Ook het huwelijksformulier draagt het stempel van de tijd, waarin de taak van overheid en kerk ten opzichte van de huwelijkssluiting anders lag dan thans.

In mijn artt. in „De Wekker” heb ik hieraan brede aandacht geschonken.

Met het oog op al deze vragen moet gezegd, dat de liturgie de aandacht vraagt, vooral ook van de ambtsdragers.

Dit wil niet zeggen dat wij geen hoge waardering hebben voor wat de kerk hierin heeft; maar dat moet ons het betrekkelijke van deze stukken der kerk toch niet voorbij doen zien. Niet dat het zo’n eenvoudige zaak is om hier wijzigingen aan te brengen. Dit dient met omzichtigheid overwogen te worden. Het zou buitengewoon verheugend geweest zijn wanneer de kerken in Nederland in deze aangelegenheid overleg hadden gepleegd. De liturgische formulieren toch komen uit ons gemeenschappelijk huis; wij hebben ze allen daaruit gekregen en bewaard.

Verschillende kerken zijn nu al met herzening bezig en het gevaar is niet denkbeeldig dat wij hier verwarring krijgen rondom dit erfgoed der vaderen.

Wel hebben onze kerken zich op deze zaak een en andermaal bezonnen. En op de synode van 1965 komt het D.V. voor de derde maal binnen vijfendertig jaar weer aan de orde.

Zo blijft de liturgie de aandacht vragen. En dat is goed want een kerk die leeft bezint zich altijd weer op haar bezit en roeping.

Ook in liturgisch opzicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.