+ Meer informatie

Boodschappers van blijde troost en vree

5 minuten leestijd

"Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde in de mensen een welbehagen." Lukas 2:14

De woorden van onze tekst zijn gericht op de eer van God, maar zij mogen ons tevens verkondigen dat de oneer van ons mensen wil weggenomen wezen. God had de mens met eer en heerlijkheid gekroond, maar hoe is dat alles veranderd! De mensheid is van God afgevallen en wat is nu in haar te prijzen, wat is in haar te eren? De mens van zichzelf leeft niet meer tot eer van God en zo is er onvrede tussen God en mens, want God kan geen gemeenschap hebben met de zonde. Hoe zullen wij nu tot God wederkeren? Dat is onmogelijk van onszelf Wat wij ook proberen te doen om het weer goed te maken tussen God en onze ziel, het zal ons nooit gelukken. En toch ligt er de oproep: „Keer weder o, mensenkind." Te moeten wederkeren en het niet te kunnen, dat is wat! Heeft u het geleerd dat het onmogelijk is om het licht te maken in de duistere nacht van uw zondebestaan, zoals ook de herders bij hun kudde de nacht niet in de dag konden veranderen? Dat het onmogelijk is dat uzelf tot God wederkeert en dat alleen God Zelf u nog kan redden?

De herders wisten niet wat er die nacht bij de kudde allemaal zou gaan gebeuren, maar wat er ook zou gebeuren, dit hadden ze niet verwacht. In de nacht kwam het Woord Gods tot hen en sprak hen van blijde troost en vree. En zo mag, onverwachts misschien, het Woord Gods tot de mensheid nu komen in de nacht van haar donkerheid. Zal dat geen oordeelswoord moeten zijn, want dat hebben we door de zonde toch verdiend? Inderdaad, het is een oordeelswoord als de engel zegt: „Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al de volken wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker." Het is een oordeelswoord als de hemelse heirlegers God prijzen en zeggen: „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde in de mensen een welbehagen." Is dit een oordeelswoord? Ja, maar niet met betrekking tot ons mensen, maar met betrekking tot Hem, Die gekomen is, de Heere Jezus Christus. Hij heeft de vrede verworven, want de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem. Door en om Hem is het dat God in de mensen een welbehagen heeft, want het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen.

Dit Evangeliewoord gaat niet buiten het oordeel om, buiten de straffende gerechtigheid van God. Willen de hemelse heirlegers kunnen spreken: „Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen", dan zal de toorn van God over de zonde gestild moeten zijn. En daartoe was de komst van de Heere Jezus in het vlees op deze aarde nodig. Het was nodig dat Hij de mens in alles gelijk zou zijn, uitgenomen de zonde, opdat Hij zou kunnen dragen wat wij niet meer kunnen dragen, opdat Hij het werk zou gaan volbrengen dat wij niet meer kunnen volbrengen. Daartoe is Hij geboren. Ere zij God in de hoogste hemelen. Heerlijke komst, want zo kan het klinken: „Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen." In de komst van Christus en in de woorden van onze tekst kijken wij ook in het hart van God. Ook Zacharias heeft dat gedaan, toen hij zong: „Die met ons lot bewogen, om ons van zond' en ongeval 't ontslaan, een Ster in Jakob op doet gaan, de Zon des heils doet aan de kimme staan." Om door ons niet te begrijpen redenen is de Heere nog bewogen over ons mensen, en is Hij bezig om ons van zonde en ongeval te ontslaan. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

Heerlijk Evangelie. Mogen we daar ook in delen? Het zijn mogelijk bekende klanken, die u en jij in deze tijd hoort, maar heeft het ook weerklank gevonden in ons hart? Is de boodschap van blijde troost en vree, vanwege onze ongetroostheid en onvrede, niet alleen ontvangen met het oor, maar ook met het hart? Is het "vrede op aarde, in de mensen een welbehagen" geworden tot "vrede in mij, een welbehagen in mij?" Daar zal het om moeten gaan met het Kerstfeest, opdat het werkelijk feest zal zijn in ons leven. Anders vieren we geen echt Kerstfeest; dan kan er wel blijdschap en vreugde zijn vanwege van alles en nog wat, maar dan wordt het wezen van de zaak gemist; en wat is dat arm, terwijl we zo vaak gewezen zijn op de Weg tot behoud. Laat het onze bede mogen zijn in deze dagen voor onszelf, ja voor allen, dat de Heere door Zijn Geest het Kerstfeest tot een feest laat worden, zodat het mag zijn, voor het eerst of opnieuw: „Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht, Uw dienstmaagd gaan in vrede naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.