+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

49.

Wij hebben geluisterd naar de ervaring van Getrouw op zijn reis naar Sion. En nu is hij gekomen tot in de vallei Vernedering. Als vanzelf wordt hem thans door de Pelgrim gevraagd: „Maar zeg mij eens, hebt gij niemand ontmoet in de vallei Vernedering?” Want gewoonlijk ontmoeten de reizigers vanuit de stad Verderf hier veel tegenstand, om was het mogelijk, hen weer terug te brengen naar die stad.

Het zou kunnen, maar dan is het toch een zeldzaam voorkomend geval, als men in deze gewesten geen tegenstand ontmoet. Hier komt men in aanraking met de schaduw des doods. En daar waar de dood vanuit de hel zijn schaduw verspreidt, moet men hem rakelings passeren en daarvan weet de vijand gebruik te maken. Voor de Pelgrim is het gaan door deze vallei een zware beproeving geweest. Hier heeft Getrouw een zekere Ontevreden ontmoet. Hij trachtte hem op allerlei wijze te bewegen met hem terug te keren, want voor hem was in deze omgeving geen eer tebehalen. En begrijpelijk! Gelijk de vorst der duisternis Christus in Zijn geheleheilsopenbaringkwam te onteren, onteert hij alien die het door genade geleerd hebben Zijn voetstappen te drukken. In het geloof zijn we altijd een plant met Hem in Zijn vernedering. En dat leven kent Ontevreden niet. Hij is er afkerig van, hij geeft de heerlijkheid van Sion er voor prijs.

Denk er om, dat Ontevreden, als u komt in de vernedering, u ontevreden zoekt te maken. Het moet voor u, naar zijn oordeel, net als voor hem een ergernis zijn door deze vernedering heen te moeten naar Sion. Maar als het u duidelijk is, dat Christus de zaligheid heeft verdiend door z ijn vernedering tot in de vloekdood des kruises, dan is het gaan door de vallei Vernedering voor u geen ergernis. Dan kan deze vijand u tot roem van Gods genade niet ontevreden maken, de smaadheid van Christus is u dierbaar geworden, meer waard dan al de schatten van de wereld.

Krenkend is het niet alleen voor Ontevreden, maar ook voor zijn vrienden Hoogmoed, Aanmatiging, Zelfmisleiding, Wereldse eer, die er zich niet weinig over zouden bedroeven als hij al zijn waardigheid zou afleggen omte trekken door het eerlozeland der vernedering. En zo werd Getrouw van buiten af aangevallen om hem van binnen uit gaande te maken voor het staken van zijn reis naar Sion. „En wat gaaft gij hem ten antwoord?” Hoe hebt gij hem wederstaan?” vraagt de Pelgrim belangstellend aan Getrouw. Wei heel eenvoudig. „Ik zeide hem, dat, ofschoon alien, die hij daar noemde, recht hadden zich tot mijn bloedverwanten te rekenen, omdat zij dat ook inderdaad zijn naar het vlees, die band met hen toch verbroken is sedert mijn pelgrimstocht een aanvang nam. Zij hebben mij verloochend en ik hen, zodat wij elkander nu zo vreemd zijn als had er nimmereen verwantschap tussen ons bestaan”.

„Ik zeide hem ook, dat wat deze vallei betreft, hij daarvan een geheel verkeerde voorstelling had gegeven, want nederigheid gaat voor de eer, en hoogmoed komt voor de val”.

„Dus, zo zeide ik, wil ik liever door deze vallei gaande, de eer verwerven, die door dewijsten als zodanig beschouwd wordt, dan datgene te kiezen, wat Ontevreden boven alles onze genegenheden waard achtte”.

Getrouw heeft de vernedering lief, schaamt zich niet voor het dragen van de smaadheid van Christus. David heeft het niet nagelaten zich te vernederen voor de Heere bij het opbrengen van de ark, al werd hij er om veracht door Michal.

„En is het daarbij gebleven? Hebt gij anders niemand onmoet in die vallei?” zo vraagt de Pelgrim aan zijn geliefde broeder Getrouw. „Ja”, antwoordt hij, „ook een zekere Schaamte, maar onder alien, met wie ik in aanraking kwam, geloof ik, dat niemand zijn naam met minder recht draagt dan hij. Van de anderen kon ik nog na enige redeneringen afkomen, maar deze lompe Schaamte liet zich door niets uit het veld slaan”.

Wat zeide hij dan wel tot u? Wat had hij toch wel op de pelgrims tegen?

„Wel, die lompe en brutale Schaamte, had allerlei bedenkingen tegen de godsdienst zelf. Het was voor een man, zeide hij, iets bekrompens, gerings, armzaligs, om zich met de godsdienst bezig te houden. Hij beweerde dat een teder geweten niet mannelijk of kloek was. Dat het kinderachtig stond een wacht te zetten voor zijn lippen en zich te beroven van de vrijheid, waaraan sterke geesten sedert onheugelijke tijden gewoon zijn.

Hij deed mij ook opmerken, dat slechts een gering aantal machtigen, rijken of wijzen ooit van mijn gevoelens geweest waren en dat ook niemand hunner daartoe gekomen was dan nadat zij zich hadden laten overhalen om dwazen te worden en vrijwillig alles te verliezen om, niemand weet wat, te gewinnen. Wat meer is, hij sprak met minachting over de verachte en lage staat van degenen, die golden voor de voornaamste pelgrims in de tijd waarin zij leefden; ook over hun onwetendheid en achterlijkheid in de wijsheid van deze wereld. En zo sprak hij nog een tijd lang door over allerlei dingen, te veel om op te noemen. Het was laf, zeide hij, om berouwvol en zuchtend zich huiswaarts te begeven. Het was schande om de naaste voor kleine overtredingen vergiffenis te vragen of onrechtmatig verkregen goed aan zijn eigenaar weer te geven. Ook beweerde hij, dat de godsdienst de mens afkerig maaktvan de groten dezer wereld om enige ondeugden (hij noemde ze met zachte namen) en hem er toe brengt zich aan te sluiten bij en toe te voegen tot de geringen, omdat zij een met hem zijn in het geloof! „En vindt gij, zo vroeg hij, dat zelf ook geen schande?”

Hieruit blijkt ons al duidelijk dat Schaamte niet de minste schaamte kent. Hij is in de grond der zaak zo brutaal als debeul. Zonder blikken of blozen tast hij aan wat recht en redelijk, geestelijk en Goddelijk is. Schaamte schaamt zich niet voor de grootste gruwelstukken. Denkt er om, jonge mensen, dat Schaamte alles in het werk stelt je zo beschaamd te maken dat je nooit zult luisteren naar en spreken over de dingen der eeuwigheid. Maar de Heere zegt: „Zo wie zich Mij en Mijner woorden zal geschaamd hebben, die zal de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid en de heerlijkheid des Vaders en der heilige engelen”. De Heere wil dat wij bezig zijn in de dingen van Zijn Koninkrijk en dat wij ons daar voor niet schamen. Zijn Naam, ZijnWoord en Zijn rijk heeft ten voile bestaansrecht, steunt op de allerheerlijkste rechtsgronden. En wat heeft Getrouw Schaamte op dat alles geantwoord? Hij zal het ons vertellen: „Ik wist het eerst niet wat hierop te antwoorden. Hij bracht mij zo zeer in het nauw, dat het bloed mij naar de wangen steeg. Schaamte merkte het op en zou mij bijna van mijn stuk gebracht hebben. Maar ik begon te bedenken dat hetgeen hoog is bij de mensen, een gruwel is voor God. En verder dacht ik, deze Schaamte zegt mij wel wat de mensen zijn, maar zegt mij niet wat God en z ijn Woord is. En in de dag des oordeels zullen niet de heersende geesten der wereld ons ten leven of ten dode verwijzen, maar de wijsheid en het oordeel des Allerhoogsten. Daarom zo dacht ik: Wat God spreekt is het beste, al zouden alle mensen Zijn woorden tegenspreken! En ziende, dat God wil dat wij Hem zyllen dienen; dat Hij een teder en nauwgezet geweten aanprijst; dat Hij hen wijs noemt die dwaas willen zijn om het Koninkrijk der hemelen te beerven, dat een arme, die Christus bemint, rijker is dan de machtigsten dezer wereld, die Hem haten, zeide ik tot hem: Schaamte wijk van mij, gij zijt een vijand van de zaligheid mijner ziel! Zal ik voor u partij kiezen tegen mijn soevereine Gebieder? Hoe zal ik dan bestaan als Hij komt? Indien ik mij nu zou schamen voor Zijn werk en z ijn dienstknechten, hoe zou ik dan op Zijn zegeningen kunnen hopen? Maar deze Schaamte was een vermetel booswicht; het was mij bijna onmogelijk mij van hem te ontdoen. Hij wilde mij maar niet loslaten en fluisterde mij telkens allerlei in het oor, om mij te wijzen op de zwakheden en gebreken die de vromen aankleven. Maar eindelijk zeide ik tot hem dat het vergeefs was verdere pogingen bij mij aan te wenden, want juist in die dingen die hij minachtte, zocht ik mijn hoogste eer. Zo wist ik mij eindelijk van hem te bevrijden en toen ik hem kwijt was, begon ik te zingen:


Beproeving vaak en veel,
Is’t deel.
Van die op’s hemels roepstem achten
Beproeving die het vlees behoeft,
Die altijd weerkeert, nooit vertoeft
En nu of straks op ons haar krachten,
Of ze ons verwinnen mocht, beproeft.
O pelgrims, toont dan waakzaamheid,
Gedraagt u mannelijk in de strijd.


A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.