+ Meer informatie

Verkiezing en verwerping

4 minuten leestijd

(14, Slot)

De Troost der verkiezing

Nimmer zal een mensenkind — we noemden dat reeds in het voorgaande artikel — zich met Gods vrijmachtige verkiezing kunnen verzoenen, tenzij het hem alleen om de ere Gods te doen is geworden. Heel het werk der toebrenging, der wedergeboorte en bekering is in de grond der zaak niet anders dan dat de mens met zijn zielsbestaan gezet wordt op een andere wortel. Van nature staat de mens zelf in het middelpunt van zijn leven en van zijn doen en begeerten. Maar als de Heere hem wederbaart, gaat God-zelf in het middelpunt van zijn leven staan.

O ja, de inwonende zonde en verdorvenheid beletten hem wel vaak dat nieuwe leven ongestoord te doen voorttieren. Maar de „nieuwe mens" in hem, het door God geplante nieuwe levensbeginsel kan niet zondigen, en dat strekt zich geheel en al uit naar Gods inzettingen en bevelen. En daarin komt dan ook de grote verandering van zijn leven tot openbaring. Het rad zijns levens is als het ware op een andere spil gezet. In plaats van „ik" is het „de Heere" geworden.

Let maar eens op, als de Heere iemand aan zichzelf komt te ontdekken door Zijn genade. Zowel bij Samuël, bij Paulus als bij vader Abraham is het eerste woord, als de Heere hun verschijnt: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? " of: „Spreek, Heere! want Uw knecht hoort!"

En alleen uit dat gezichtspunt is er troost en vrede en blijdschap in de leer der uitverkiezing.

Hij, wiens vurige begeerte het is om uitverkoren te zijn in Bijbelse zin, d.w.z. om God tot in eeuwigheid te mogen dienen, die is stellig en zeker een uitverkorene. Want hoe zou een natuurlijk hart ooit in waarheid begeren om enkel en alleen voor de Heere te willen leven? Want ook Johannes zegt het: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad!

En andersom is het niet minder waar: Wie niet uitverkoren is, die wil het ook niet wezen. Wie niet uitverkoren is, dus wie zelf nog staat in het middelpunt van zijn begeerten en van zijn leven, die zou het een ondragelijke last zijn om altoos God te moeten dienen, en zichzelf te moeten wegcijferen, geheel en al. Wat voor Gods kinderen door genade een vreugde is geworden, is voor de onherborene een onbegeerlijk iets.

De hemel met zijn uitverkoornen Zou voor 't geweten der vertoornen Een zevenduhbele helle zijn.

Zo zong een onzer Godvruchtige Vaderen reeds.

Ten opzichte van de uitverkiezing heeft de mens dus niets onredelijks tegen God in te brengen.

Want ten eerste: God is Souverein, die doen mag, wat Hem behaagt en geen rekenschap verschuldigd is aan Zijn schepselen.

Ten tweede: Door de zonde is niet één sterveling waard om ooit meer in Gods zalige gemeenschap te verkeren, en niemand heeft dus iets aan te merken, wanneer God niet meer naar hem omziet.

En ten derde: Omdat de uitverkiezing niet anders bedoelt dan mensen te roepen, die eeuwiglijk tot dienst en gehoorzaamheid aan God bestemd zijn, is hierin voor de onherborene niets begeerlijks, maar voor de herborene alles begeerlijks.

Waaruit volgt, dat zij, die door wederbarende genade aldus verkoren wensen te zijn, het ook metterdaad zijn. En dat zij, die niet verkoren zijn, het ook niet zouden begeren, om altijd en eeuwig de taak van een verkorene te moeten volbrengen.

Zo heeft dus niemand te wanhopen en niemand te klagen. Wie in oprechtheid begeert God groot te maken, welnu die zal het ook doen. En wie geen lust in de vreze des Heeren heeft en het in zijn leven niet begeert, welnu, die zal er ook niet toe komen. Van de liefdedienst des Heeren is de uitverkiezing de grond en Gods gewillige dienaar te zijn het doel. Als ge naar het laatste verlangt, is het eerste eveneens uw deel. Maar als ge het laatste haat, welnu, wat zoudt ge dan klagen, dat het eerste mw deel niet is? Ze behoren alle twee bij elkaar en zijn onlosmakelijk met elkander verbonden.

Moge dan de vrucht van de overdenking van Gods Besluiten deze zijn, dat ge, wel verre van Gods doen te bedillen, aanbiddend voor Hem neervalt, en Hem smeekt, ook een Zijner geringe dienstknechten of dienstmaagden te mogen zijn. En wie dan in waarheid met het nederigste en laagste plaatsje aan de dorpel van Gods Huis tevreden mag zijn, die zal zeker horen: „Vriend, ga hoger op!" Om dan eeuwiglijk te drinken uit de beken van Gods wellusten, en verzadigd te worden met vreugde, door u in Zijn liefdedienst te verlusti gen. Dat zij zo!

Maar (blij vooruitzicht, dat mij [streelt!) Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld. (Ps. 17 : 8, berijmd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.