+ Meer informatie

idSft&Tis

6 minuten leestijd

% Hoogbegaafde kinderen willen al heel jong alles weten. De ouders worden daar vaak op aangekeken. Foto RD voorbeeld vaak een probleem. Want wat héb je daar nu aan?"

Knuffel

Moeder: „Gelukkig kunnen ze soms ook heerlijk echt kind zijn. Hilda speelt graag in de zandbak. En als ze dan de legodoos pakt en fijn aan het spelen is, dan zijn we echt blij".

Mevr. Hasselaar: „Het kan heel verwarrend zijn. Het ene moment heb je een kind in huis van twaalf, en het andere moment is het een kind van drie. Het is héél belangrijk om aan beide kanten tegemoet te komen. Naast de aandacht voor het intellectuele is het ook goed om het kind gelegenheid te geven kind te zijn, het op schoot te nemen. Ze hebben echt een soort tegenwicht nodig".

Vader: „Ja, dat zien we bij Hilda. Die is een klas opgeschoven, maar moet nog wel haar knuftelbeertje mee naar school hebben".

Verdrietig

Mevr. Hasselaar: „Doordat de intellectuele ontwikkeling veel meer opvalt, moet je extra alert zijn op de emotionele ontwikkeling. De verstandelijke ontwikkeling hoeft niet geremd te worden. Wel is het goed om kinderen te sturen in hun interesses. Daarom moet ervoor gezorgd worden dat er steeds nieuwe dingen zijn, zodat ze daarmee verder kunnen. Dat alles vergt veel tijd en geduld. Ook voor de leerkracht is het lang niet gemakkelijk goed met zo'n kind om te gaan".

Moeder: „Ik heb de indruk dat het op reformatorische scholen wat moeilijk ligt. Eigenlijk mag je daar niet zeggen dat je kind hoogbegaafd is. Je moet bescheiden zijn. Ik denk dat men in het openbaar onderwijs toch wel iets verder is. Waarschijnlijk omdat men daar de kinderen al langer veel individueler benaderde" . Mevr. Hasselaar: „Wij geloven dat God iedereen zijn eigen gave geeft. In de kerk belijden we dat gemakkelijk. Maar als we het dan in praktijk moeten brengen, dan wordt het moeilijk. Dat vind ik erg verdrietig. Je mag je talenten wel ontwikkelen, maar dan wel binnen de grenzen van het gemiddelde. Als je méér kunt, dan kan het opeens niet meer".

Bijbel

Vader: „Het is moeilijk te zeggen of hoogbegaafd zijn gevolgen heeft voor het geestelijk leven. Het intellectueel bezig zijn kan misschien wel een rem zijn. En het kan voor hen moeilijker zijn om te geloven dat zij bij voorbeeld een verduisterd verstand hebben. Maar is dat voor ons ook niet zo?"

Moeder: „Jan en Hilda hebben nooit gezegd: Ik kan het niet beredeneren, dus ik geloof het niet".

Mevr. Hasselaar: „In de Bijbel zie je voorbeelden van Godvrezende mensen die met hun hoogbegaafdheid veel betekend hebben in de dienst van de Heere. Denk bij voorbeeld maar aan Mozes, David, Salomo, Daniël en Paulus". „Simone hééft wat...", zei Heleen. Ze keek naar de krant, waarachter Harmen zat. De krant zakte. „Ja...?" aarzelde Harmen. „'t Is me niet opgevallen, geloof ik". Heleen glimlachte. „Ze kan het ook aardig verbergen. Ze is een dochter van d'r vader, weet je". De krant zakte verder. „Alsof jij..." begon Harmen.

De deur ging piepend opend. „Hallo", zei Simones stem. Ze gooide haar rugzak op het aanrecht. „Wat zitten julhe hier in conferentie? Ernstige problemen?" Ze lachte.

Harmen keek Heleen aan. Ze glimlachte. „Hoe was het?" vroeg ze. „Een beetje naar 't zin gewerkt?" Simone zakte op de keukenstoel neer. „Ging wel", aarzelde ze. „Echt vakantiewerk, hè. Er werkt van alles, brr..." Ze rilde. „Is er nog koffie?" Heleen knikte. „Maar we gaan zo eten, hoor", zei ze. „Hoe bedoel je, van alles?" Ze keek onderzoekend. Simone haalde haar schouders op. „Allerlei mensen", vertelde ze. „Geen greintje fatsoen, soms. 't Lijkt wel, of ze niet opgevoed zijn".

Heleen stak het gas aan. Ze zette de steelpan erop. „Ben jij dat dan wel?" vroeg ze. In haar ogen waren lichtjes. Simone draaide zich om. „Dat vraagt u, omdat ik wel 'ns mopper", zei ze. „Maarre..." Heleen schoot in de laeh. „Hè, hè", zuchtte Simone, „u vist naar een complimentje. Zèg dat dan!"

Heleens ogen werden weer ernstig. Ze schonk de koffie in. „Met véél gebreken. Simoon", zei ze zacht. „Maar dat weet je ook wel". Ze keek naar Harmen. Hij knikte hard. „Zeg", vroeg hij, „heb je 't écht naar je zin, daar?"

Simone roerde hard in haar koffie. Er vloog iets over de rand. Op haar gezicht kwam een stugge trek. Heleen tikte Harmen tegen z'n voet. Hij glimlachte.

„O jawel", zei Simone. „Alleen, ja, och..." Ze nipte van de koffie. „Lekker", genoot ze. Heleen voelde de bezorgdheid groeien. Ze wist het immers wel: die eieren-inpak-fabriek was niks voor Simone. Een winkel, of een bejaardenhuis, ja...! Het bejaardenhuis waar oma woonde, was christelijk. Daar zou Simone het ongetwijfeld goed naar haar zin gehad hebben. Een winkel, och, daar was men wel wat gewend. Maar die fabriek... Er werkte van alles. Misschien werd Simone er wel geplaagd... Of uitgelachen...

„Nou weet ik nog niks", kwam ze. „Er, er is toch niks gebeurd?" Simone schudde haar hoofd. „Echt niet", reageerde ze. „Toe, ik ben onderdehand oud en wijs genoeg, ik rol er wel door. Enne, misschien vertel ik het nog wel eens". Ze dronk haar mok leeg, ging naar boven.

Heleen pakte een pollepel. Ze roerde verwoed in een pan. „Zo was ik ook", zei Harmen zacht. „Je hebt gelijk. Heleen, ze heeft wat..." Heleen draaide zich om. Ze glimlachte. „En nou vind ik het weer moeilijk dat ze niks zegt", zuchtte ze. „Terwijl, ach... Ik ga David in bad doen. Let jij even op het eten? Er hoeft niets meer te gebeuren".

Ze hees David uit zijn stoel, nam hem mee naar boven. Davids gezicht was ernstig. „Zou jij nou ook zorgen hebben, jochie?" vroeg ze zacht. Simone kon nog wat vertellen, maar David... Soms zou ze zijn gedachten willen lezen. Soms zou ze willen weten of hij gelukkig was. Het kon niet.

Ze waste David. Hij was stil. Slap hing hij in haar armen. „Na het eten meteen naar bed, David", zei ze. Ze droogde hem voorzichtig af. Z'n ogen vielen bijna dicht. Ze trok hem zijn pyjama aan, hees hem op haar arm. Wat werd hij zwaar... Haast tè zwaar om te dragen. Ze zuchtte. Misschien wilde Simone hem wel naar beneden brengen. Als alles in de keuken goed gegaan was, zou het eten klaar zijn.

Ze liep naar Simones kamer, duwde de deur open. „Simone, wil jij..." begon ze. Simone keek heel verschrikt. Ze lag half geknield voor het bed. Haar ogen waren rood. „Mama", zei ze. „David". Ze kwam overeind. Heleen kleurde diep. Ze zette David op de grond. „Neem me niet kwalijk, Simoon", stamelde ze. „Ik wist niet..." Ze voelde zich heel schuldig. Waarom had ze niet geklopt, zoals anders? Dit was een stukje privé...

Simone glimlachte verlegen. „U kon het niet weten", zei ze zacht. „U... Och, laat maar. Soms, mam, soms kan ik de dingen niet goed aan u, of aan papa vertellen. Vindt u 't erg?" Ze boog haar hoofd.

Heleen slikte. Ze schudde langzaam haar hoofd. „Eerst wel", zei ze eerlijk, „maar nü niet meer. Simoon".

En op de trap veegde ze haar tranen weg. Ada Verrips

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.