+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

15

Vanuit de kleine kinderkamer is de Pelgrim geleid naar een open plaats. Daar had Uitlegger natuurlijk een wijze bedoeling mee. Hier kan de zon branden, de regen stromen en de wind tot stormen overgaan. Voor vorst en hagel, sneeuw en ijzel heeft men hier geen bedekking.

Deze plaats is voor de Pelgrim een beeld van het leven der genade. Hij zal door veel verdrukkingen heen moeten voordat hij zal worden opgenomen in de eeuwige heerlijkheid. Dat leven is ecjit niet gelijk aan dat van een kamerplant, die nooit met de verschrikkingen in het rijk der natuur te maken heeft.

Op deze open plaats brandt een vuur, dat trekt als vanzelf de aandacht. Maar het vuur dat hier aanschouwd wordt, is niet het vuur door de hand van een mens ontstoken. Maar daarmee weten wij nog niet door wie of door wat het vuur ontstoken is. Het is voor ons heel moeilijk de oorzaak daarvan aan te wijzen.

Onder de oude dag ging het om het vuur, door de Heere ontstoken. Elia kende zich daarvan afhankelijk. Zijn offer moest door het vuur van God uit de hemel ontstoken worden. Gans Israël moest het weten: De Heere is God. Hij is het waardig gediend en gevreesd te worden.

Toen de zonen van Aaron met vreemd vuur kwamen voor het aangezicht des Heeren, werden zij met de dood gestraft. En al was het in een ander verband bij Ananias en Saffira, het offer dat zij brachten werd niet gebrachtinhet vuur der liefde door de Heere ontstoken. De oprechtheid des geloofs werd gemist, het kwam op uit een leugenachtig hart. In het leven met de Heere gaat het om het leven der genade dat oprecht is voor Hem. En laat dat toch voor ons een gebedszaak zijn, een smeken om ontferming.

Het vuur der genade is een vuur der liefde, dat de Heere door Zijn Geest komt te ontsteken. Dat is en blijft voor ons een wonderlijke zaak, een heerlijk bezit, het hart wordt er door aan de Heere en aan Zijn dienst verbonden. De genegenheden strekken zich naar Hem uit met een vurig verlangen. Al slaat de vlam der liefde dan nog niet ineens naar buiten uit, zoals dat plaats kan hebben in een krachtig getugen van de Heere, men kan dat toch ook weer niet geheel verborgen houden. Van dat vuur der liefde gaat kracht uit. Het komt zich als vanzelf naar buiten openbaren. In de onberouwelijke keus de Heere te vrezen is de warmte van dat vuur waarneembaar.

Wat een zegen als dat vuur steeds feller gaat branden, als de vlam er uit slaat, zodat het wordt een ijveren voor de naam en de zaak des Heeren. Hij wil niet dat het voor altijd een geestelijke binnenbrand blijft. De Vader der lichten wil dat wij leven als lichtende kinderen. Maar hier ontmoet het vuur, dat de Heere ontstoken heeft, tegenstand. De boze zoekt het weer met de wateren der verdrukking te blussen. Hij staat hier in het vuur van haat en vijandschap tegenover de Heere en Zijn volk. Het vuur door hem ontstoken is het vuur der hel, waarin hij eeuwig zal branden, want het is door niets en niemand te blussen. Satan kan het niet gedogen dat het helse vuur van vijandschap in een zondaarshart geblust wordt bij de ontsteking van het vuur der liefde.

In het Paradijs is het hem gelukt door zijn helse listen dat vuur der liefde te blussen in onze harten, daar wij in moedwillige ongehoorzaamheid zijn raad kwamen op te volgen. Satan kan het niet gedogen dat wij in het vuur der genade de Heere liefhebben en hem haten. Hij dacht voor eeuwig onze harten te bezitten in het vuur van haat en vijandschap tegen God. Want daarin heeft hij zijn helse vreugde. Om God te treffen in Zijn Vaderlijke liefde zoekt hij de mens eeuwig te pijnigen in het helse vuur.

Voor satan is het dan ook een bittere teleurstelling als de Heere het vuur der genade ontsteekt in het hart van een zondaar, om Hem hartelijk lief te hebben en kinderlijk te vrezen. Daarom moet het ons dan ook niet verwonderen als satan met zijn onderdanen alles in het werk stelt de wateren der verdrukking over het vuur der genade uit te storten. Naar zijn oordeel zijn alle zondaren van nature zijn willige onderdanen, al heeft hij hen wederrechtelijk in zijn greep.

Maar het vuur blijft branden, het gaat zelfs tot spijt van de vijand nog feller branden. Dat is voor onze Pelgrim onbegrijpelijk. En dat is het nu wat hem duidelijk gemaakt moet worden.

Wel is het hem steeds duidelijker geworden dat de kracht om te volharden niet in hem is. De vrees van te zullen bezwijken, daar hij van zichzelf de kracht niet heeft om te volharden op de door hem ingeslagen weg, bezwaardt hem bij de gedurigheid.

En zo was het nu ook bij de Emmaüsgangers. Het stond op het aangezicht van deze mannen te lezen dat het hart bedrukt en bedroefd was. Zij waren wat het innelijke leven betreft niet meer dan een rokende vlaswiek, die naar het oordeel van de vijand uitgeblust moest worden. Zodat het ondergaan in de duisternis hen steeds meer kwam aan te grijpen.

De les dat wij het vuur der genade niet brandende kunnen houden, is een harde les. Een les die zeer smartelijk is voor het nieuwe leven. Maar anderzijds is het ook weer een waardevolle les. Een les om ons met steeds meer klaarheid te leren leven uit de genade van de Heere Jezus Christus. Daarom moet dan ook het raadsel opgelost worden.

Uitlegger weet dat deze vraag: Hoe is het mogelijk dat het vuur blijft branden? in het hart van de Pelgrim leeft. Met een vragende blik heeft hij de ogen van het vuur opgeheven tot zijn meester.

Maar om achter het geheim te komen neemt Uitlegger zijn leerling mee naar de andere kant van de muur. En zie, daar staat de Man Die het vuur ontstoken heeft. In het nieuwe leven der genade is het een leven uit Hem. Hij houdt met Zijn oliekruik het vuur in stand tegenover het water der verdrukking. Hij giet er olie in, Hij heeft in dienst van Zijn Vader het werk der genade voor Zijn rekening genomen. Altijd is het oog van Zijn ontfermende liefde er op gevestigd. Van een onbewaakt ogenblik is bij Hem tegenover het werk der genade geen sprake.

Deze edele Man roept het ons toe inde zwaarste verdrukking en in de diepste beproeving: „Mijn genade is u genoeg”. Hij wil dat wij het van Hem verwachten, dat wij op Hem alleen vertrouwen. Bij Hem zijn uitkomsten tegen de dood.

Genoeg is de genade van de Heere Jezus tegenover de scherpe doorn, die u steekt en de vuistslagen, die u treffen. Hij wil door Zijn genade uw lijden verzachten, uw druk verlichten en uw moed versterken.

Wat een heerlijke vertroosting voor de Pelgrim, daar hij achter het geheim gekomen is, door achter de muur gesteld te worden. Als hij nu weer voor de muur staat en ziet op het water dat geworpen wordt in het vuur, dan weet hij door genade dat de Man met de oliekruik achter de muur staat.

Genoeg was de genade van de Heere Jezus voor de Emmaüsgangers. Toen de Man van smarten voor hen de Schriften kwam te openen vloeide de olie der genade in het hart. En zie, de rokende vlaswiek begon steeds feller te branden.

Thuis gekomen mochten zij bij de breking van het brood en bij de zegen die er in gesmaakt werd, achter de muur kijken. Dat deed hen de Man van smarten aanschouwen in de staat van Zijn verheerlijking. En zij zeiden tot elkander: „Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg en als Hij ons de Schriften opende?”

Altijd weer hebben wij Uitlegger nodig om achter het geheim gebracht te worden. Hij alleen kan ons achter de muur leiden. En toen vader Jacob achter de muur mocht kijken, zei Israël: „Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.