+ Meer informatie

Verdeling afkoopsom is erkenning van rechten der afgescheidenen

Maar regeling nog niet in kannen en kruiken

6 minuten leestijd

DEN HAAG — Ook de „kleine" afgescheiden kerken kunnen profiteren van de bereidheid van de staat om met 250 miljoen gulden de rechten op kerkelijke tractementen en pensioenen af te kopen. Ik bedoel bijvoorbeeld de Chr. Geref. kerken, de Geref. kerken Vrijgemaakt en de Geref. Gemeenten. De plannen tot afkoop werden deze week bekend.

Rijk zullen ze er niet van worden. Veel varkens maken de spoeling nog steeds dun. Bovendien mag het geld niet oneigenlijk gebruikt worden: het mag slechts aangewend in de sfeer van pensioenen en emeritaatsgeld en niet voor zending, evangelisatie of voor de bouw van nieuwe kerken. Wanneer een kerkgemeenschap geen emeritaatsregeling kent, valt men bij voorbaat buiten een uitkering.

Een principiële vraag is inmiddels: mogen, willen de afgescheidenen een deel van de afkoopsom aanvaarden? Hebben zij zich vaak niet met hand en tand verzet tegen overheidssubsidies? Om daar antwoord op te vinden moeten wij terug in de historie van de toekenning van de rechten op tractementen en pensioenen.

Voorgeschiedenis
Met de Reformatie hadden alle kerkelijke goederen, landerijen, gebouwen, schenkingen, sieraden moeten overgaan in bezit van de Roomse naar de Gereformeerde Kerken. Mede uit oogpunt van bescherming nam de overheid ze echter in beheer.

De kerken vroegen daarom de overheid de tractementen van haar dienaren geheel voor rekening te nemen. Die overheid verklaarde overigens een deel van de kerkelijke goederen verbeurd om er de enorm zware oorlogskosten mee te dekken.

In de Franse tijd verklaarde de overheid alles tot nationaal eigendom en heeft men uitbetaling van de tractementen gestaakt. In 1814 echter legde men in de grondwet vast dat predikanten en geestelijken van alle toen bestaande kerkgenootschappen een toelage uit de schatkist zouden krijgen. Die toelage bleef echter op het peil van 1814, werd nooit verhoogd en is nu slechts een druppel op een gloeiende plaat: een paar honderd gulden per predikantsplaats per jaar. Bovendien is voor de later gestichte predikantsplaatsen vrijwel nooit een toelage toegekend.

De toelage functioneert dus al lang niet meer naar de oorspronkelijke opzet. Wel prijkt ze jaar na jaar op de rijksbegroting. Dit jaar was ze geschat op 4,3 miljoen gulden. Om er een keer van af te komen ligt er dan na overleg tussen kerk en staat een voorstel tot afkopen van de rechten op tafel.

Rechten
Wie kan er nu aanspraak maken op die afkoopsom? Natuurlijk diegenen met wie in 1814 rekening gehouden werd: de toen bestaande acht kerkgenootschappen. Dat waren de Ned. Herv. Kerk, de Evang. Lutherse en de Oud katholieke Kerk, de Doopsgezinde Sociëteit, het Ned. Israëlitisch kerkgenootschap, het Portugees Israëlitisch kerkgenootschap, de Remonstranse Broederschap en de Rooms-katholieke Kerk.

Maar in het CIO, het „Interkerkelijk Contact In Overheidszaken", zijn meer kerken vertegenwoordigd: de Geref. kerken, de Ned. Geref. kerken, de Chr. Geref. kerken, de Unie van Baptistengemeenten, het Leger des Heils en anderen. Via dat CIO is het overleg tussen kerk en staat over de afkoopsom gevoerd. De Geref. Kerken Vrijgemaakt en de Geref. Gemeenten hebben — los van deze afkoopkwestie — bewust geen vertegenwoordiger in het CIO benoemd.

Wat hebben nu de kerken in het CIO gezegd? Ook diegenen die geacht kunnen worden door afsplitsing of afscheiding onmiddellijk dan wel middellijk uit de acht kerkgenootschappen te zijn voortgekomen, delen mee in de afkoopsom. Dat initiatief, nogmaals, was van de kerken, niet van de staat. Het is een edelmoedig en oecumenisch gebaar.

De staat vindt dat best zolang hij zichzelf niet bevoegd acht te oordelen in de kwestie van interne geschillen binnen de kerken.

Principiële zaak
De vraag was: mogen de afgescheidenen dat geld aanvaarden? Ik meen van wel. Als de afgescheidenen in de vorige eeuw spraken over het „hervormd genootschap" immers, door de koning ingesteld, beschouwen zij zichzelf als wettige voortzetting van de vaderlandse kerk. En zou die wettige voortzetting geen recht hebben op de kerkelijke goederen? De te verwachten uitkering van de afkoopsom hangt toch met de onteigening van die kerkelijke goederen ten nauwste samen. En ook de afgescheidenen mogen bij vereffening dus hun rechten laten gelden.

De afkoopsom moet als subsidie worden gezien, zoals die bijvoorbeeld bij kerkbouw werd verleend. Het feit dat de afgescheidenen mogen meedelen in de afkoop, betekent een erkenning van hun mederechthebben op de erfenis van de oude vaderlandse kerk.

Wettelijke regeling
We moeten wel in de gaten houden dat de kwestie van de afkoop nog niet definitief rond is. De voorgestelde regeling moet eerst nog door de ministerraad. De kans van wijziging daarbinnen is uiterst klein. Van der Stee zal vrij zeker zijn collega's van te voren geraadpleegd hebben.

Anderzijds moet een wettelijke regeling getroffen worden die goedkeuring van de Tweede kamer behoeft. Dat zal wel geen halszaak worden. Toch is er de eerste twintig jaar een aanzienlijk hoger bedrag mee gemoeid: 12,5 miljoen gulden plus een bedrag aan rente per jaar tegen 4,3 miljoen met portvrijdom voor de acht kerken op dit moment. Voordeel is dat men tot een overzienbare post komt en zo de oplossing vindt voor een al sinds de Tweede wereldoorlog slepende zaak.

Krap
De afkoopsom is vooral voor de Hervormde Kerk, die al jaren krap bij kas zit en met de pensioenen worstelt, interessant. En hoe bijvoorbeeld de financiële stand van zaken ten aanzien van de emeritikas in de Chr. Geref. Kerken is blijkt uit de stijging in de gevraagde bijdragen per (doop)lid per jaar van ƒ 6,50 in 1973 naar ƒ 10,- in 1978.

Anderzijds kunnen de kerken die niet tot de oorspronkelijke acht behoren, moeilijk anders dan kritiekloos en dankbaar aanvaarden wat hen in de schoot geworpen wordt.

Beslissing
Na is het CIO wel een overlegorgaan, maar het heeft niet de bevoegdheden voor de kerken te beslissen. Ook de kerken zelf zullen zich moeten uitspreken. Voor de Rooms-katbolieke Kerk is het niet moeilijk de bevoegde instantie aan te wijzen. Daar maken de bisschoppen de dienst uit. Maar wie beslist in de protestantse kerken of men akkoord gaat met de afkoopsom?

Mr. dr. C. J. Verplanke, lid van de deputaten Hoge overheid van de Chr. Geref. Kerken zag hier een taak voor de synode. Want geld aanvaarden van de overheid is in afgescheiden kring nog altijd een gevoelige zaak. Mogelijk ziet een andere de bevoegdheid bij het moderamen van de laatstgehouden synode.

Ik geloof dat juist de afgescheiden kerken het zich niet zo moeilijk behoeven te maken. Het gaat immers niet om subsidie. Als een deputaatschap voor de emiriti-kas wel het legaat van een overledene kan ontvangen, zou het dan geen vastgestelde tijdelijke uitkering van de staat mogen aannemen?

Overigens heeft men nog de tijd om over de bevoegdheden na te denken. Een kerkelijke beslissing dient genomen te worden één jaar nadat het ontwerp-wet tot wet is geworden. En dat laatste zal ook nog wel een jaar duren.

Verdeling
De overheid gaat het geld niet zelf verdelen. Er zal een stichting in het leven worden geroepen die een verdeelsleutel moet gaan voorstellen. Die verdeelsleutel heeft alles te maken met het totaal aantal kerkelijke dienstjaren van de ambtsdragers. Het feit dat in de Rooms-katholieke Kerk het celibaat is voorgeschreven, drukt de pensioenkosten en is in feite voordelig voor de andere kerken.

Zoals gezegd: de „kleine" kerken zullen er niet rijk van worden. Want het aantal geestelijken in de grote kerken overtreft verre en verre dat in de kleine afgescheiden kerken. De Gereformeerde Kerken met hun vele predikanten kunnen echter een aardige duit meepakken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.