+ Meer informatie

Naarde katechisatie

6 minuten leestijd

(143)

VAN GODS WET

Het vierde gebod (2)

Naar Schrift en belijdenis ligt het Sabbathsgebod gegrond in de schepping, Genesis twee en drie.

Dit is de laatste tijd vooral een punt van discussie geworden, waarbij men dat ontkent of in twijfel trekt. Men wil de oorsprong van de Sabbath zoeken in de Wetgeving op de Sinai.

Zoals we in de vorige les terugwezen op onze lessen daarover in de lessen 13, 14 en 15, lijkt ’t ons toch niet overbodig, niet alleen een resumé van een en ander daarover te geven, maar ook enkele passage’s uit deze lessen over te nemen en nu weer onder de aandacht te brengen voor hen, die deze vroegere nummers van ons blad niet meer bezitten.

In verband nu met de gedachte, dat alle nietnoodzakelijke arbeid alleen voor Israël verboden was, kwam de vraag aan de orde of het Sabbathsgebod aangaande de zevende dag wel waarlijk terug is te brengen tot de schepping en dat God ook voor de MENS de zevende dag als rustdag heeft ingesteld. Men zegt: ditis niette lezen uit Gen. 2: 2 en 3. Daarom stelt men, dat de Sabbath eerst is ingesteld bij Mozes. Wel stemt men toe, dat God de zevende dag ook heeft willen maken tot een schone en goede dag voor de mens. Maar dit houdt niet in, dat de mens geen arbeid mag verrichten. Er is nog iets, wat betreft de RUST Gods. Men zegt, dat de rust Gods vanwege de vloek der zonde is gebroken, zodat God Zich niet meer kan verlustigen in de werken Zijner handen. De gangbare mening van oudere en nieuwe theologen, dat de rust Gods, Zijn verlustiging in de werken Zijner handen, voortduurt tot het komen van de nieuwe hemel en aarde, betwist men sterk. Daar nu door de zonde een eind kwam aan de rust Gods, verloor nu ook de zevende dag zijn karakter als rustdag Gods, zo beweert men. Nu heeft God echter Zijn rust weer hersteld door het verlossingswerk van Christus en daarom moeten we ervan uit gaan, dat de instelling van de Sabbath alleen dâârmede verband houdt.

U gevoelt wel, waar men heen wil: de instelling van de Sabbath moet loskomen van de instelling ervan bij de schepping. Geen arbeid verrichten behoorde tot de schaduwachtige betekenis van de Joodsche Sabbath. Maar die is nu vervuld, dus ook het: geen werk doen. Letterlijk schrijft een theoloog: „Maar het schaduwachtige lag ook in de bepaling: geen werk doen, absoluut geen werk doen.”

Zo lezen we ook in het artikel „Hermeneutiek van de wet” in ons jaarboekje van 1965 van de hand van Prof. Oosterhoff: „Het lijkt mij dan ook ten eenenmale onjuist om van de Sabbath als een „scheppingsordinantie” te spreken. Gen. 2:3 behoeft in het geheel niet te betekenen, dat de Sabbath bij de schepping is ingesteld of dat ze in alle eeuwen door alle volken moet onderhouden worden. Het kan ook betkenen, dat de Sabbath onder Israël heeft samengehangen met het scheppen en rusten van God bij de aanvang der wereld. Gen. 1 is stellig geschreven na de afkondiging van het Sabbathsgebod in de woestijn. Er zijn dan onder Israël verschillende motieven voor de Sabbath geweest.”

Calvijn laat echter de Sabbath wel degelijk berusten in hetgeen God Zelf heeft gedaan na Zijn scheppingswerk: gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gedaan had. Zie zijn commentaar op Gen. 2:3 „en God heeft de zevende dag GEZEGEND en dien GEHEILIGD.” Calvijn verklaart dan aldus: „En daarom is die zegening niets anders dan de plechtige wijding, waarmee God Zich de neigingen en bezigheden der mensen op de zevende dag toeëigent.” Eerst heeft God dus gerust, vervolgens heeft Hij die rust gezegend, OPDAT ZE DOOR ALLE EEUWEN ONDER DE MENSEN heilig zou zijn, of liever, elke zevende dag heeft Hij aan de rust gewijd, opdat Zijn Voorbeeld een EEUWIGDURENDE regel zou zijn.”

In de Wet des Heeren zelf zien we duidelijk, dat God de heiliging van Zijn dag terugbrengt naar Zijn rust op de zevende dag na Zijn volbracht scheppingswerk. Lezen we niet in het vierde gebod: „w a n t in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt.”

Zo even merkten we op, dat velen het „geen dagelijkse arbeid verrichten op de Sabbath” ook rekenen bij het schaduwachtige gedeelte van het vierde gebod, waarom men het Sabbathsgebod van Gods Wet zocht los te maken van de instelling van de Sabbath bij de schepping!

In dit verband beroept men zich ook op de verklaring van de Heidelb. Katechismus, Zondag 38. Men beweert, dat de Katechismus hier niet spreekt van „geen dagelijkse arbeid verrichten op de Zondag,” maar dat zij het alleen heeft over het „naarstig opkomen tot de gemeente Gods, om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken enz.”

Maar is dit een bewijs, dat de Heidelberger is uitgegaan van het standpunt, dat dagelijkse arbeid op Zondag wèl geoorloofd is, omdat hij er niet van spreekt? De catechismus wijst in haar antwoord heel duidelijk op de ware „heiliging” van de Sabbath. De „kerkedienst” staat hierin centraal. En waarom gaat het in de „kerkedienst”? Om eventjes naar een preek te horen en dan maar weer rustig het gewone dagelijkse werk te doen? Is niet het karakter van de Sabbath het bijzonder bezig zijn en de verlustiging in de dingen van Gods Koninkrijk? Zegt men: ja, maar dat geldt ook van de dagen der week, goed en daarop wijst ook onze Heidelberger: „dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze werken ruste”. Maar de Sabbath is toch bedoeld als een speciale dag hiervoor: „inzonderheid op de rustdag”. Zo b.v. in het gebedsleven van Gods kinderen. Zij kennen een biddend leven. Maar dit neemt niet weg, dat er toch bepaalde ogenblikken zijn, waarop zij zich tot het gebed afzonderen. Zo is het ook met heel het dagelijkse leven. Gods kind is niet een „Zondagschristen”. Ook de dagelijkse arbeid in de week is „godsdienst”. Het „christen-zijn” moet ten allen tijde uitkomen, zal het wel zijn. Maar de Sabbath is toch de speciale afzonderlijke dag, die gewijd moet zijn aan de dienst des Heeren, waarin, zo merkten we op, de kerkdienst centraal gesteld is. Zeer terecht wijst de bekende Dr. A. Kuyper Sr. in zijn „E Voto” op de roeping van Gods kinderen: „navolgers Gods te zijn als geliefde kinderen” naar het woord van de apostel. Het leven van Gods kind moet een afspiegeling zijn van het leven Gods naar de vaste regel van het vierde gebod: „zes dagen zult gij arbeiden en al Uw werk doen,” want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt en Hij rustte ten zevende dage; daarom zegende de Heere de Sabbathdag en heiligde dezelve.” De mens is naar GODS BEELD geschapen en daarom moet dus de geaardheid van het Goddelijk leven regel zijn voor het menselijk leven. (Deel IV, hfd. II). Wanneer de Dag des Heeren door de vernieuwende kracht van de Heilige Geest mag zijn een hartelijk vermaak in de dienst des Heeren, zal deze geen dag van verveling zijn. Ervaart u dit door genade? De Heere geve het voor het eerst of bij vernieuwing!

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.