+ Meer informatie

Goeie ouwe t^d

5 minuten leestijd

Er ging dagelijks heel wat om in het kleine winkeltje. „Op drukke dagen, vooral 's maandags, yerkochten we vaak een hele ketel. In de oorlog kwam dat nog vaker voor. De mensen stonden dan gewoon in de rij voor de winkel, om een emmertje heet water te kunnen bemachtigen. Maar ja, als de ketel op was, dan duurde het weer zo'n drie uur voor ik weer water had. Je moest dan tegen de mensen zeggen: kom vanmiddag maar eens terug. Vóór op de ketel zal een peilglas, dus we konden precies zien als hij bijna leeg was. De toevoerkraan ging dan open en er werd een verse lading kolen op het vuur gegooid".

„Dan moet je ook vertellen, dat we wel eens vergaten om die kraan open te zetten", zegt zijn vrouw. „Ja> dat is ook wel eens gebeurd. Wel een flink vuur, maar een bijna droge ketel. Dat ging geweldig stomen natuurlijk. Heel de winkel stond dan binnen de kortste keren vol met stoom". Badwater De handelswaar van de waterstoker had verschillende toepassingen. „Het water werd hoofdzakelijk gebruikt voor de gewone was en de afwas. Ook als de mensen in bad gingen kwamen ze bij ons het badwater halen. Je moet zo rekenen, het was vroeger heel gewoon dat een heel gezin in hetzelfde water de wekelijkse poedelbeurt onderging. Een paar emmers heet water waren dus voldoende voor de hele familie. Maar voor de was verkochten we wel het meeste water, 's Maandags was dan ook altijd de drukste dag. 's Morgens om zes uur stonden de wasvrouwen van de hofjes bij ons in de buurt al op de stoep".

„Het was juist zo lastig dat dat altijd op maandag was", vertelt mevrouw Van der Kroon, „want op zondagavond wilde je het vuur niet aanmaken. Mijn man moest er dan 's nachts uit om het vuur aan te steken. Maar hij durfde dan eigenlijk niet zo goed meer naar bed, want je wist maar nooit wat er met dat vuur of met de ketel kon gebeuren als je sliep. Hij lag dan altijd maar zo'n beetje te hanewaken tot het vijf uur was. Soms schrok ik wakker en het eerste wat ik dan zei was: „Ben je er al uit geweest?" Gelukkig zijn er nooit nare dingen gebeurd, zoals brand of zo". Op vertoon van deze distributiekaart kon de keer Van der Kroon in de oorlogsjaren zijn toewijzing brandstqffen en kruidenierswaren krijgen. Hierdoor kori de waterstokerij in deze moeilijke tijd toch door blijven draaien. Maar dat schoorsteenvegen maakte wel zo'n bendel Daar waren de buren helemaal niet gelukkig mee". drong, had een jutezak over de schoorsteen gehangen. Zijn vrouw zal hem wel een beetje opgeruid hebben, want tijdens het schoorsteenvegen hing haar keurige witte was buiten en we waren vergeten haar te waarschuwen. Toen kon ze dus wel weer opnieuw gaan wassen, met warm water van ons natuurlijk"...

De inkomsten uit de waterstokerij waren niet voldoende om van te leven. „Nee, daar kwam je niet mee. De meeste waterstokers deden er van alles bij. Wij verkochten ook kolen, petroleum, turfmolm en kruidenierswaren. Later, zo na 1950, werd de waterverkoop ook steeds minder en moesten we het hoofdzakelijk van de kruidenierswaren hebben. Kolen hebben we nog vrij lang verkocht. Ik weet nog goed dat ik in 1938 10 ton antraciet had gekocht, dat was nogal wat in die tijd, moet je rekenen. Daar betaalde ik toen 279 gulden voor. Nu zou je voor zo'n zelfde partij wel een 3.000 gulden neer moeten tellen. Nu we het toch over kolen en prijzen hebben: in die begintijd ging ik altijd met de handkar naar de gasfabriek op Feijenoord (een wijk in Rotterdam-zuid) en dan. nam ik 15 mud gaskolen mee. Je moest er altijd vóór vijf uur 's morgens zijn, ajiders mocht je niet eens meer op het terrein. Gaskolen waren de goedkoopste die je in die tijd kon krijgen en daar betaalde ik 75 cent per mud voor. zonders aan de hand was, dan was het: ga de waterstoker eens halen. Als er iemand niet goed geworden was, dan werd niet direct de dokter geroepen, nee, eerst moest de waterstoker maar even komen. En dan ging mijn man maar weer. Er werd bij ons ook vaak geïnformeerd of de mensen goed van betalen waren. Als iemand iets op afbetaling wilde kopen, dan kwam die betreffende winkelier bij ons vragen of hij dat wel doen kon".

„Heel vroeger, dat is nog voor onze tijd hoor, heette de waterstoker „water- en vuurbaas". De mensen gingen bij hem een kooltje vuur halen om thuis de kachel aan te kimnen steken of wat water te warmen voor koffie of thee. Maar dat hebben wij niet meer meegemaakt".

Het was de hele week wel flink aanpakken geblazen voor Van der Kroon en zijn vrouw. „Ja, veel rust kende je niet. ledere morgen om zes uur op om het vuur weer aan te maken en 's avonds tot een uur of elf in de winkel staan". We kijken hem wat ongelovig aan. „Jazeker, voor de oorlog waren we soms tot elf uur openl Het gebeurde wel dat ik op zaterdagavond om elf uur nog naar de kapper ging". „Maar het mooiste was", zegt zijn vrouw, „de mensen die 's avonds laat kwamen, waren altijd dezelfde. Ze konden best eerder komen, maar dat deden ze gewoon niet. Je was dan wel verplicht om open te blijven. Mijn man had in die tijd ook nog orgelles. De leraar moest dan soms aan zijn vingers trekken, om hem aan de gang te houden. Dan zat hij gewoon te slapen".

„Ja, ze noemen het de goeie ouwe tijd, maar wat mij betreft mogen ze dat goeie er wel aflaten", besluit de heer Van der Kroon zijn verhaal. En daar hoeven wij niets meer aan toe te voegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.