+ Meer informatie

KERK EN ISRAËL

8 minuten leestijd

Dit artikel wordt geschreven niet lang nadat het staakt-het-vuren tussen Israël en Hezbollah een feit is geworden. Zomer 2006: opnieuw hield de wereld de adem in rond het zoveelste conflict in het kruitvat dat Midden-Oosten heet. En altijd weer cirkelt het om Israël en het bestaansrecht èn het geheim van dit volk. Mocht de belangstelling voor Israël in de kerken wegebben — en dat is voor een deel onmiskenbaar het geval — dan worden we keer op keer hardhandig wakker geschud. Zoals het lijden van het joodse volk in de Tweede Wereldoorlog èn de stichting van de staat Israël daarna een schok voor de kerk betekende en haar welhaast drong om de Schriften opnieuw te lezen waar het gaat om Israël.

KERK EN ISRAËL IN DE BELIJDENIS

Een vraag die ook al in de vorige eeuw regelmatig aan de orde is geweest, is deze: waarom lezen we in de gereformeerde belijdenis niets over Israël? En zou op dit punt geen nieuw, aanvullend belijden nodig zijn?

Nu zou dat laatste op zichzelf al geen eenvoudige, zo niet onmogelijke zaak zijn. De kerken in wat wij noemen de gereformeerde gezindte zijn zo jammerlijk verdeeld, dat de zo noodzakelijke geloofseenheid ontbreekt om tot een nieuwe, gezamenlijke belijdenis te komen. Dat zou zich alleen maar des te meer manifesteren wanneer het over Israël gaat. Ook dan lopen de visies ver uiteen. Het maakt nogal wat verschil of men een ‘vervangingstheologie’ voorstaat, of het gedachtegoed van bijvoorbeeld ‘Christenen voor Israël’ huldigt. Bovendien zullen we, juist wanneer het om ‘de hoop voor Israël’ gaat, bescheiden moeten zijn. De Schrift spreekt zeker over gegronde verwachting voor Israël. Maar dan zó, dat de contouren ervan geopenbaard worden en niet de exacte invulling zichtbaar wordt.

Wanneer wij onze belijdenis raadplegen op het punt van ‘kerk en Israël’, is de oogst inderdaad uitermate mager. C. Graafland wees er in zijn boek Het vaste verbond al op, dat in geen van de klassieke belijdenisgeschriften over Israël gesproken wordt. Daarop vormen de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelberger Catechismus en de Dordtse Leerregels geen uitzondering.

Er zijn wel plaatsen waar we aandacht voor Israël hadden kunnen verwachten. Ik denk aan zondag 21, vraag en antwoord 54 (over de kerk) en aan hoofdstuk 1 van de Dordtse Leerregels (over de verkiezing). Wat daar gezegd wordt is op zich juist en conform de Schrift. Het staat uiteraard ook (dat geldt zeker voor de DL) tegen de achtergrond van een bepaalde controverse. Dat dan de spits van de belijdenis zich richt op het punt in geding, is te begrijpen en ook gerechtvaardigd. Maar wie vandaag in de prediking of op een studiekring uitleg geeft over de DL zal vanuit de veelzijdigheid van de Schrift nog wel wat meer willen zeggen: wat is de (eerste) plaats van Israël in de verkiezing? Hoe verhouden zich verbond en verkiezing? Kunnen we spreken van een wijdere en een nauwere cirkel van de verkiezing (volksverkiezing, particuliere verkiezing)? Hoe verhouden zich tijdelijke verwerping en eeuwige verwerping? Zo zijn er meer punten te noemen. Daar is ook alle ruimte voor, want de belijdenis bedoelt niet de Schrift uitputtend weer te geven, maar samen te vatten en toe te spitsen.

Hetzelfde valt op te merken bij art. 25 NGB: over het ophouden van de ceremoniele wet en de vervulling van de wet in Christus. Opnieuw: wat er staat is volkomen juist. Maar er is nog wel heel wat meer op te merken over de verhouding tussen wet en evangelie, over de blijvende betekenis van de wet, ook voor christenen, over de betekenis van het woord ‘vervulling’, etc. Juist hier kunnen (en moeten!) de vragen rond de verhouding kerk en Israël volop aan de orde komen.

KERK EN ISRAËL — DE BORDJES VERHANGEN?

Lange tijd heeft in de kerk de gedachte geheerst — niet bij iedereen (denk aan nadere reformatoren en puriteinen) en vandaag bij velen niet meer — dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. De bordjes zouden dus verhangen zijn. Sinds het joodse ‘nee’ tegen Jezus Christus hebben de joden het voorrecht het uitverkoren volk te zijn, verspeeld. De beloften gelden niet meer voor hen. De oordelen overigens wel!

Deze gedachte komen we al vroeg tegen. De brief van Barnabas (eerste helft tweede eeuw, gerekend tot de geschriften van de apostolische vaders) stelt dat Israël radicaal en definitief heeft afgedaan en dat God verder is gegaan met een nieuw volk: de kerk. Een ander, Justinus Martyr, zegt onomwonden dat de Schriften niet langer van de joden zijn, maar van ‘ons’. Het Oude Testament wordt teruggelezen als een ‘geestelijk’ boek, waarin alle beloften die voor Israël bestemd waren, op de kerk worden toegepast. Is er lange tijd (en nog?) zo niet over bijv. Ezechiël 37 gepreekt: met een rechtstreekse toepassing op de kerk? Niet dat die toepassing er niet mag zijn uiteraard (ze moet er zelfs zijn!), maar niet met voorbijzien van het eerste adres: Israël. Wij zijn ‘erbij gekomen’, zelfs ‘nabijgekomen’. Waarbij? Bij het geheim van de verzoening door het bloed in het binnenste heiligdom, waar we als heidenen van nature geen toegang hadden. Maar nu, door het bloed van Christus, gaat de poort open. Door het geloof alleen, uit genade alleen. Maar als we dat werkelijk beleven, zouden we dan het ‘eerste adres’ vergeten? Dat zou toch grote onachtzaamheid en hoogmoedigheid zijn!

Erbij gekomen. Niet: in de plaats gekomen van. ‘Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!’ (Rom. 11:1).

Hoe is het toch mogelijk dat we daar zo blind voor geweest zijn? Hebben we Paulus’ oproep later in dat hoofdstuk dan niet ter harte genomen: ‘Wees niet hooggevoelende, maar vrees’? (vers 20).

Geen vervangingsgedachte dus. Bijbels is een ander woord: vervulling. Christus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen (Matt. 5:17). Zo kunnen we ook zeggen: het Oude Verbond wordt niet afgeschaft, maar vervuld. Het komt tot zijn diepste bestemming, het wordt gecompleteerd in Christus. Maar als dan het Oude Verbond niet heeft afgedaan (stel u voor, wat deden we dan nog met het Oude Testament!), valt ook van Israël niet te zeggen: het heeft afgedaan. Het kan en zal tot ‘vervulling’ komen in Christus.

Daarom is het goed om als kerken op onze formuleringen te letten. Ik acht het dan ook een verbetering dat in het nieuwe concept-doopformulier I de uitdrukking: ‘dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is’, vervangen is door de woorden: ‘Nu het bloed van Christus heeft gevloeid, heeft de besnijdenis als teken van het verbond haar vervulling ontvangen in de christelijke doop’. Geen bordjes verhangen, maar een lijn die doorloopt!

KERK EN ISRAËL — TWEE WEGEN NAAR HETZELFDE DOEL?

Mede in reactie op de vervangingsleer en reflecterend op de dubieuze rol van de kerk tegenover de joden in het verleden, is de zogenoemde ‘tweewegenleer’ opgekomen. Twee wegen tot het heil: een voor Israël en een voor de kerk. Van de joden vraagt God gehoorzaamheid aan de wet, en langs die weg kunnen zij het eeuwige leven verkrijgen. Voor de christenen geldt de weg van het geloof in Jezus Christus waardoor ze rechtvaardig worden voor God. Verkondiging van het evangelie aan de joden is dan ook uit den boze. Christenen hebben Jezus nodig om bij de Vader te komen, joden niet. De joodse godsdienstfilosoof Rosenzweig formuleerde het als volgt: ‘Moet ik mij bekeren hoewel ik van geboorte een uitverkorene ben? De jood heeft Jezus niet nodig. De jood is immers al bij de Vader’.

Het is schokkend om dat te lezen. Maar nog erger is het, dat christelijke theologen deze gedachte hebben overgenomen. Op een ontstellende manier doet men tekort aan de Persoon en het werk van Christus, die de Messias van Israël èn de Heiland der wereld is. Hoe langer hoe meer blijkt vandaag dat wie eenmaal op dit spoor is gaan zitten, verder gaat: waarom zou ook de (gematigde) islam niet een nieuwe weg tot God zijn? Dan zijn we niet ver meer van het adagium: ‘Er zijn vele wegen die naar Rome leiden’.

KERK EN ISRAËL: SAMEN AANGEWEZEN OP DE ENE WEG

Tegenover alle relativisme komt het erop aan te (blijven) buigen voor Gods Woord, het evangelie van de zaligheid in Christus. Zijn Zelfopenbaring (in opdracht van de Vader!) is exclusief: ‘Ik ben de Weg (….); niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Joh. 14:6). Dat is de enige, ware weg die jood en heiden krijgen aangewezen. En Joh. 14:6 is in het Nieuwe Testament bepaald geen zwerfsteen. Ook op andere plaatsen klinkt dat door. ‘Want door Hem hebben wij beiden (jood en heiden) de toegang door één Geest tot de Vader’ (Ef. 2:18). En om niet meer te noemen: tot de Hebreeën (!) komt het woord: ‘Daar wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan door het bloed van Jezus, op een verse en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees (…), zo laat ons toegaan…’ (10 : 19, 20, 22).

Naar mijn gedachte is dat ook de diepste bedoeling van de bekende tekst Rom. 11:26: ‘En alzo zal geheel Israël zalig worden’. Alzo: dat wijst terug naar het slot van vers 25: ‘totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn (of: binnengaat)’. En hoe gaat de volheid der heidenen binnen? Niet anders dan door het geloof in Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.