+ Meer informatie

Overdreven sympathie en verering voor Barth

Puchingers "Ontmoetingen met theologen"

6 minuten leestijd

ZUTPHEN — Wie ooit de naam van dr. Puchinger tegenkomt — en dat is waarlijk geen zeldzaamheid — denkt onwillekeurig aan interviews. Al sinds een lange reeks van jaren heeft Puchinger gesprekken gevoerd met allerlei vooraanstaande flguren, meest in eigen land, waaronder ook vele theologen, en wel van diverse gezindheid.

Op dit terrein heeft de schrijver zijn sporen dus al sinds lang verdiend. Temeer omdat deze gesprekken, mede dank zij de vraagsteller zelf op een hoog niveau gevoerd zijn, en te waarderen zijn als een primaire informatiebron. Toch heeft Puchinger nog wel meer geschreven dan alleen maar interviews. Zo schreef hij ook opstellen over al sinds lang niet meer levende theologen.

Charme
De opzet en stijl van Puchingers boeken nodigen als vanzelf uit tot lezen, of beter gezegd: tot grasduinen. Een sterke persoonlijke betrokkenheid van de schrijver bij hetgeen door hem verhaald wordt, geeft aan zijn boeken een eigen charme.

In dit artikel willen wij enige aandacht besteden aan een van Puchingers jongste pennevruchten, een boek getiteld: „Ontmoetingen met theologen."

Die „theologen" zijn in dit geval er niet minder dan 19. Te beginnen met Paulus en ongeveer eindigend met Rothuizen. Een opsomming zullen wij de lezers besparen; zij zullen in hetgeen hier verder volgt vanzelf wel een aantal namen tegenkomen. Eerst iets over de titel van dit boek. Hij wekt de indruk dat de schrijver zelf de genoemde theologen heeft „ontmoet" en nu via zijn boek de lezers ook tot zulk een „ontmoeting" wil brengen.

Welnu, als dat de opzet is geweest, dan moet ik zeggen dat die mislukt is. Verreweg de meeste „ontmoetingen" in dit boek zijn op z'n best zeer vluchtige ontmoetingen. Wat wij te weten komen over Luther, Witsius, Van Zinzendorf en Doedes en meer anderen kan echt de naam van „ontmoeting" niet dragen.

Minimaal
Het is minimaal. Er zit bovendien niets eigens in; het is alles overgenomen uit boeken van anderen. Als het over Witsius gaat komen wij een aantal citaten tegen uit het proefschrift van prof. Van Genderen, en als het over Doedes gaat een aantal citaten uit het proefschrift van dr. Schram. Kan men dat met enig recht een „ontmoeting" noemen?

Van nog minder kwaliteit is hetgeen het eerste stuk bevat dat over Paulus gaat; het is naar mijn gevoelen weinigzeggend. En dan: ik heb er bezwaar tegen dat Paulus hier in een rij van theologen wordt gezet, waarin ook namen als die van Van Ruler, Hoekendijk, Barth en Rothuizen voorkomen.

Wij ontkennen niet dat Paulus een „theoloog" is geweest, maar dan toch wel een van geheel eigen orde. Hij was méér dan een theoloog, ook apostel en dus kan men hem niet zomaar in dit rtijtje zetten.

Herdruk
Heel dit boek is in feite niet veel anders dan een herdruk van een aantal boekbesprekingen, soms in de vorm van een artikel, die door Puchinger geschreven zijn in dagbladen en andere periodieken. En dan vraag ik: Móet dat nu zo nodig?

Moet alles wat een schrijver, hoe kundig ook, eens gepubliceerd heeft in tijdschriften en andere bladen, later nog weer eens in boekvorm worden uitgegeven? Mag dan soms geen letter van hem verloren gaan? En bovendien: boekbesprekingen, hoe waardevol ook, liggen toch gewoonlijk beneden het niveau van artikelen over een bepaald onderwerp. Zij zijn gebonden aan de stof die door anderen aangereikt is.

Er komt bij, dat degenen die theologisch geïnteresseerd zijn toch wel de boeken die besproken worden zelf zullen bezitten, of in ieder geval ze gemakkelijk in hun bezit zullen kunnen krijgen. En waartoe dan een boek als dit met al die citaten? Berkouwers boek over het Vaticaanse concilie, het boek van Eberhard Busch over Karl Barth, en ook dat van Bremmer over Bavinck - zij zijn alle in de predikantenwereld en ook daarbuiten welbekend.

Nu kan men zeggen: maar er is nog een deel van het kerkvolk dat er niets van weet. Zal dat dan naar een boek als dit is grijpen? En stel dat men het doet, wat moet men dan aanvangen met al die zwaarwichtige Duitse citaten uit de brieven van Karl Barth?

Ontmoeting
Wil dit alles dan zeggen dat ons oordeel over dit bock uitsluitend negatief is? Dat nu ook weer niet. Er staan heel goede en treffende stukken in. Ai zijn het grotendeels „maar" boekbesprekingen, zo af en toe bieden zij meer dan dat. En dan komt het ook wel tot een „ontmoeting".

Dit is naar mijn gevoelen vooral het geval als het gaat over Kuyper, of Schilder of Barth. Dan toont zich in Puchinger de meester. Dan worden wij getroffen door rake typeringen, treffende vergelijkingen en krijgen wij ook weleens informatie uit de eerste hand.

Kuyper en Schilder behoren tot Puchingers verleden en het siert hem, dat hij ze niet helemaal afschrijft. Maar vergis ik mij, als ik beweer dat heden zijn hart meer ligt bij Barth, Berkouwer en Rothuizen, en eventueel ook John Newman en Noordmans - hoe verschillend deze allen ook zijn?

Alleen al kwantitatief is aan Barth de meeste aandacht geschonken, ongeveer een-vijfde van het boek. En wat over Barth geschreven wordt, getuigt van veel sympathie en zelfs verering. Soms deed het mij zelfs wat overdreven aan. Heel gewone uitspraken van Barth, die ook ieder ander zou kunnen doen, worden bijkans met apostolisch gezag bekleed.

Het deed mij denken aan de houding die in het begin van de 16e eeuw door velen werd aangenomen ten aanzien van de grote humanist Erasmus. Ieder die in die tijd wilde meetellen achtte zich de koning te rijk als hij een briefje kreeg, al waren het maar een paar krabbeltjes, van de grote Erasmus die bijna als een god werd vereerd.

Hetzelfde is tot voor kort het geval geweest — zo voel ik het tenminste aan — bij de vereerders van Karl Barth.

Lijn
De vraag die, ten slotte, bij mij opkwam was deze, of er ook een zekere lijn door dit boek loopt.

Een paar dingen zijn duidelijk. Vooral Puchingers verleden brengt met zich mee dat hij personen en theologische inzichten tot op zekere hoogte bekijkt en beoordeelt vanuit het gereformeerde denken en leven zoals dat gestalte heeft gekregen in het optreden van Kuyper, Bavinck en later Schilder.

Ik meen uit enkele losse opmerkingen, hier en daar in zijn boek verspreid, te hebben, mogen opmaken dat dat verleden door Puchinger niet geheel en al is losgelaten. Toch miste ik, anderzijds in dit boek alle bezorgdheid voor de enorme koerswijziging die zich binnen de Gereformeerde Kerken gedurende de laatste jaren heeft voorgedaan.

Invloed Barth
Al wordt het niet met zoveel woorden gezegd, toch is wel duidelijk, dat Puchinger in elk geval niet afwijzend staat tegenover het theologische standpunt van Berkouwer en zovele anderen die in zijn spoor verder getrokken zijn. En daar is de invloed van Barth niet vreemd aan geweest.

Hier en daar laat Puchinger de wens horen dat er nog eens een uit de bronnen, onder andere brieven, geputte biografie zal worden geschreven van theologen als Schilder. Ik wil hierbij opmerken: wie zal beter in staat zijn tot het samenstellen van zulk een biografie dan Puchinger zelf? Wij twijfelen er niet aan of in zulk een boek zal het dan komen tot een werkelijke „ontmoeting". En onze stellige verwachting is — en daarmee besluiten wij deze bespreking — dat zulk een boek, meer dan hetgeen thans voor ons ligt, Puchinger eer zal aandoen.

Dr. G. Puchinger. „Ontmoetingen met theologen". Uitgeverij Terra, Zutphen 1981, 360 blz. Gebonden ƒ 36,-.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.