+ Meer informatie

Problemen en Systemen in de verhouding van Kerk en Maatschappelijk werk

7 minuten leestijd

WAT IS HET MAATSCHAPPELIJK WERK?

II Problemen (vervolg*)

Als gevolg van de optredende vervalperioden in het kerkelijk leven en in het kloosterwezen, krijgt de overheid spoedig belangstelling voor het werk de weldadigheid. Wie denkt niet aan Karel de Grote en zijn hulporganisaties! Er kwamen Burgerlijke Hospitaalorden. De steden komen tot bloei en nemen het werk der barmhartigheid ter hand. Overal verrijzen sieckhuizen, waar melaatsen worden ondergebracht. Men sticht pock- en pesthuizen voor de overige zieken van zeer besmettelijke aard. Dolhuizen, waarin geesteszieken verblijf vonden, worden ingericht.

Ook in de Reformatie is aandacht voor de behoeftigen in de samenleving. Er komen met de nieuwe tijd ook nieuwe armenregelingen. Bijvoorbeeld in de Kastenordnungen van de Lutherse Reformatie. Johannes à Lasco pleit voor Calvinistische diaconale organisaties, voor centralisatie van de inkomsten. Hij geeft aandacht aan de verscheidenheid onder de hulpbehoevenden. Het Gereformeerde diaconaat komt op als een zelfstandig ambt en ontplooit rijke mogelijkheden. Men heeft belangstelling voor werkelozen, voor de ouderloze jeugd, voor verwaarloosde kinderen. Er ontstaan gezinsverpleging, ziekenzorg, bejaardenhulp (hofjes). De bestrijding van maatschappelijke nood gaat een belangrijke plaats innemen. De kerk en de staat proberen in onderling overleg samen te werken, al botst dit nog al eens. De diakenen treden voor het kerkelijk werk in dezen op de voorgrond.

De volgende tijd brengt weer een ander aanzien. Genoemd worden het werk van A. H. Francke (1663—1727) met zijn vele opvoedingsinstellingen. Dit vindt in Nederland navolging. Men gaat zich bezig houden met de opvoeding van dove en blinde kinderen, met het reclasseren van gevangenen, met de algemene volksontwikkeling. Het Reveil levert daarin zijn aandeel. Met waardering is te wijzen op de arbeid van ds. O. G. Heldring. Naast de caritas (liefde) doet de humaniteit (vanuit het standpunt der Verlichting) zijn intrede als motiet voor deze hulpverlening. Ten aanzien van de vraag, of overheid, kerk of particulieren als organisatoren moeten optreden, worden zeer uiteenlopende meningen gelanceerd en oplossingen geformuleerd.

De psychologie geeft dus het maatschappelijk werk een visie op de noodveroorzakende knooppunten der maatschappelijke ontwikkeling dezer eeuw én op deze nood verwerkende readies van de mens. De psychologische geschoolde maatschappelijke werker kan tweeërlei doen: de situatie, waarin de nood ontstaan kan, tekenen en begrijpend doorzien én de situatie, waarin de mens deze nood doorworstelt, doorlichten. zodat hij én preventief op de eerste kan ingrijpen én curatief de tweede kan verhelpen.

Hoe de maatschappelijke werker dit ziet en doet. wordt bepaald vanuit een levensbeschouwelijke basis, die niet vanuit de psychologie zelf kan afgeleid, maar uit iemands visie op de samenleving en op de mens. En in deze laatste beslist het geloof, hetzij ongeloof, hetzij waar geloof, hetzij de verwerping van de Openbaring Gods in de Heilige Schriften, hetzij de aanvaarding en verwerking daarvan.

V. Nadere probleemstelling.

Zo staat dan het maatschappelijk werk voor ons in zijn historische groei, geworteld in de eeuwenlange hulpverlening (vanuit caritas, philanthropic of humanitas), ontplooid vanaf het midden der 19e eeuw, opgeroepen door de geweidige, stormachtige, diepingrijpende structuurveranderingen van de samenleving der laatste tijden; in zijn sociologische bijzonderheid, als een eigen vorm van hulpverlening, georganiseerd in instituten, werkend met bepaalde methoden, zich bezighoudend met een aparte nood, zich onderscheidend van allerlei voorafgaande en van de uit hetzelfde veranderde samenlevingspatroon opgekomen nevenorganisaties; en in zijn psychologische aanpak van de diagnose en therapie ter bestrijding van dit eigensoortige leed.

Doch hoe moet nu de verhouding worden gezien tussen de Kerk en dit maatschappelijk werk? Wat is de relatie van het werk der bijzondere ambtsdragers in de gemeente van Christus met deze arbeid der barmhartigheid in onze samenleving?

Is er een verbinding? En welke?!

III Systemen.

1. Inleiding.

Tot nu toe stelden we (art. 1) de problematiek zuivcr en scherp. We stootten namelijk op de vraag, of er een relatie is tussen de kerkelijke bijzondere ambten en het maatschappelijk werk. En vervolgens: Indien dit het geval zou zijn, hoe dan dit verband theoretisch geconstrueerd en practisch verdisconteerd moet worden.

Om ons in deze materie verder in te werken, leek het ons goed nader te onderzoeken, wat het maatschappelijk werk wil en omvat, terwijl we als bekend veronderstelden de bijbelse waarde en taken der bijzondere ambten in Christus’ Kerk. Het maatschappelijk werk, zo bleek ons, is opgenomen met de ontwikkeling der moderne samenleving, welke meebracht een aparte nood met de intensie van een ontwrichting van de normale verhoudingen in het gezin en op het werk. Omdat het ontstaan van de nood vanuit psychologische en sociologische factoren zeer ingewikkeld ligt, is het maatschappelijk werk een arbeid geworden met geschoolde. wetenschappelijk ingewerkte en toegeruste krachten (art. II).

Tens’otte willen we de verschillende systemen van de projectie van het verband tussen kerk en Maatschappelijk werk nagaan, om zo te komen tot een verantwoorde afgrenzing

2. Constructies.

A. Saecularisering van het maatschappelijk werk.

Dit is het eerste systeem, waar we mee te maken krijgen. Het wordt aangeduid als de saecularisering of ook wel de profanisering van het maatschappelijk werk. Elke constante band van kerk en geloof met het maatschappelijk werk wordt ontkend en doorgekapt. Want maatschappelijk werk is een neutrale zaak. We helpen de ander in zijn sociale nood vanuit algemene creatuurlijke overwegingen en op een wetenschappelijk verantwoorde wijze. Meer mag men van de maatschappelijk werker (ster) niet eisen. Alles, wat men meer vordert, wordt tot een hinderlijke, het werk schadende binding. Daarom ook geen relatie met enige levensbeschouwelijke organisatie of christelijke kerkformatie.

Prof. dr. G. C. van Niftrik (in: „Helpen als Ambacht”) wil hier zelfs een goed reformatorisch beginsel in zien! Tegenover Rome zou de Reformatie, vanuit de leer van de rechtvaardiging van de zondaar en goddeloze, de verkerkelijking der levensgebieden hebben doorbroken. De Reformatie heeft de verschillende takken van sociale arbeid vrij gegeven. De Reformatie eerbiedigt daarom de volledige zelfstandigheid van de maatschappij en daarmee ook van het maatschappelijk werk. De Reformatie pleit voor de erkenning van de saeculariteit, de profaniteit, de wereldlijkheid van het vakmanschap van het maatschappelijk werk. Het gaat daarin om zuiver technische, vakkundige diagnose en therapie van maatschappelijke toestanden, spanningen en conflicten. Letterlijk zegt Van Niftrik: „Vanuit de reformatorische rechtvaardigingsleer pleit ik voor de profanisering van het maatschappelijk werk”, a.w. blz. 160.

Hier hebben we de eerste constructie in optima forma!

B. Verstatelijking van het maatschappelijk werk.

In onze huid,ge welvaartsstaat is de staat bij machte ook een goede „verzorgingsstaat” te zijn. Daarbij gaat het om een regering en een daarbij behorende wetgeving en ambtenarenapparaat, die doordrongen zijn van de gedachte, dat de overheid niet alleen politioneel de orde heeft te handhaven, maar ook verantwoordelijk is voor het welzijn van de burgers van de wieg tot het graf, zodat ze maatregelen moet nemen om de risico’s. die de leefbaarheid van hun bestaan bedreigen, zo klein mogelijk te maken. De staat gaat dan hulp bieden aan de hulplozen. Naast de politie-agent wordt hij diaken. Dit werkt de staat ook uit ten aanzien van het maatschappelijk werk.

Zo wordt het maatschappelijk werk enkel en alleen een overheidszaak, -taak en -orgaan. De staat zal het alles organiseren en financieren. Het spreekt vanzelf, dat elke levensbeschouwelijke visie op dit werk achterwege moet blijven. Het werk moet los van elke principiële basis, louter als overheidsinstelling worden gewaardeerd en uitgeoefend.

Maar dan dringen tegelijk een drietal vragen zich aan ons op, welke zijn:

1. Wordt het persoonlijk gevoel van verantwoordelijkheid der mensen en burgers voor hun naasten zo niet in gevaar gebracht? 2. Is het eigenlijk niet de nalatigheid der christenen in het algemeen en der kerk in het bijzonder, waarvoor de staat gedrongen werd zo op te treden? 3. Waar ligt het recht en waar zijn de grenzen van de bevoegdheid der staat?

Op deze verstatelijking heeft het „Rapport van Deputaten der Chr. Geref. Kerken voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden inzake de taak der diaconie” 1959, blz. 5, ook al gewezen en ze tevens afgewezen.

*) Zie voor hei voorgaande. „Ambtelijk Contact” april 1962)

[Wordt vervolgd]

Mussel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.