+ Meer informatie

DE HUWELIJKSSLUITING

6 minuten leestijd

(reactie)

Met bijzondere interesse las ik in AC van maart en april 1984 de beide artikelen over „De huwelijkssluiting” van de hand van prof.dr. W.H. Velema.

De eerste vraag waarop hij - daartoe uitgenodigd door de vraagstelling van een kerke-raad - ingaat, is deze: „ls uit de gegevens van Oud en Nieuw Testament af te leiden dat de overheid bij de huwelijkssluiting betrokken moet zijn, wil men van een echt (lees: bijbels) huwelijk kunnen spreken? (blz. 308). Tegen het eind van het tweede artikel (blz. 318) vraagt hij zieh af: „Heb ik met genoegzame duidelijkheid uit de Schrift aan-getoond, dat het huwelijk ten overstaan van de overheid gesloten moet worden?”

Wat mijzelf betreft: ik heb er enige moeite mee, die vraag bevestigend te beantwoor-den. Het is mij namelijk opgevallen, dat in de beide artikelen zo weinig gegevens van Oud en Nieuw Testament echt aan de orde komen. De gestelde vraag wordt in hoofd-zaak beantwoord door middel van een summiere samenvatting van enkele bladzijden uit de dissertatie van dr. J. Rinzema. Daaruit wordt geconcludeerd dat huwelijkssluiting en -ontbinding in de Israëlitische samenleving publiekr-schtelijke handelingen zijn. Terecht! Daarmee is echter nog niet duidelijk gemaakt dat het huwelijk zo een pu-bliekrechtelijke handeling behoort te zijn; en zeker niet, waarom dit zo behoort te zijn.

In de weergave van de aan prof. Velema voorgelegde vraagstelling (op blz. 308) Staat te lezen: „In artikelen of lezingen die in onze kring hierover zijn geschreven, wordt een beroep gedaan op algemeen menselijke overwegingen. Het huwelijk gaat samenlevings-verbanden zoals familie, volk en kerk aan. Doch dit beroep is niet een voluit bijbels beroep”.

Zelf heb ik vorig jaar in het „Haags Kerkblad” een aantal artikelen gepubliceerd (als weergave van een eerder gehouden lezing) over „Vragen rondom ongehuwd samenwo-nen”. Uiteraard weet ik niet of de zojuist geciteerde klacht („niet een voluit bijbels beroep”) ook betrekking had op mijn artikelen. Ook is mij niet helemaal duidelijk wat men bedoelt met een „voluit bijbels beroep”. Als men er mee bedoelt dat de noodzaak van burgerlijke huwelijkssluiting voor de overheid gestaafd wordt door een verwijzing naar bijbelteksten, ben ik van mening dat een dergelijke bewijsvoering niet te leveren is. Ook prof. Velema is daar in zijn artikelen m.i. niet in geslaagd. Dat het huwelijk ten overstaan van de overheid gesloten behoort te worden Staat voor mij vast. Maar ik kan het niet anders zien dan dat dit slechts op indirecte wijze op de Schrift te baseren is. Met „op indirecte wijze” bedoel ik dan: via een betoog (zo u wilt: een redenering) waarin men een aantal zaken opsomt die vanuit een bijbelse visie wezenlijk zijn te achten voor het huwelijk, en vervolgens aantoont dat deze zaken alleen bij een onder officiële getuigen gesloten huwelijk tot hun recht komen. En bij die „naar bijbelse visie voor het huwelijk wezenlijk te achten zaken” denk ik dan aan het feit dat een huwelijk geen zaak van twee mensen onderling is; het raakt alle levensverbanden waarbin-nen de gehuwden staan en moet daarom een publiek, rechtsgeldig, duidelijk, niet-vrijblijvend karakter hebben. Een Schriftbewijs in directe zin is hierbij naar mijn mening echter niet mogelijk.

Vervolgens zou ik willen ingaan op het betoog van prof. Velema, in zijn tweede artikel vooral, wanneer hij stelt dat er bij verbreking van een samenwoningsrelatie geen sprake is van echtbreuk maar van woordbreuk. Er was geen huwelijk, dus kan het ook niet stuk gaan!

Een eerste opmerking: het lijkt me niet denkbeeidig dat jongeren deze opvatting van prof. Velema naar zieh toe zouden halen (tegen zijn bedoeling, dat is duidelijk) als argument om dan toch maar de voorkeur te geven aan het samenwonen boven het offi-cieel trouwen. Het verbreken van een samenwoningsrelatie is immers wel ernstige zonde (ontrouw, woordbreuk) maar toch - zo zou men op grond van zijn artikel kunnen redeneren - een zonde die nog iets minder ernstig is dan echtbreuk. Het „zonde-risico” in geval van verbreking van de relatie is dus bij samenwonen minder groot dan bij officieel trouwen!

Vervolgens: is er bij het verbreken van een samenwoningsrelatie toch niet sprake van veel méér dan alleen ontrouw-door-woordbreuk? Er was toch wel degelijk een relatie, een - zij het niet publiekelijk gesloten - verbond voor het leven, dat bij uiteengaan ver-broken wordt?

Prof. Velema maakt in zijn artikel terecht het onderscheid tussen binnen- en buiten-kant van het huwelijk. De binnenkant is dan voor mij datgene, wat het huwelijk een huwelijk doet zijn: de gemeenschap waarin man en vrouw elkaar voor het leven in trouw en liefde toebehoren. De buitenkant is: de wijze waarop dit huwelijk in de sa-menleving gestalte dient te krijgen, wil het door die samenleving als een huwelijk er-kend worden; dat is dan bij ons: de sluiting ervan ten overstaan van de overheid.

Wanneer prof. Velema er sterk voor pleit, deze beide aspecten niet te scheiden, stem ik daarmee van harte in. Maar het valt toch niet te ontkennen dat er mensen zijn die aan de buitenkant, de officiële sluiting, niet toe komen terwijl ze wel degelijk een relatie hebben die overeenkomt met de binnenkant van het huwelijk. Uit het betoog van prof. Velema krijg ik echter de indruk dat hij zegt: waar de buitenkant ontbreekt, is ook de binnenkant op geen enkele wijze aanwezig. Zo’n redenering maakt voor mijn gevoel kortsluiting met de realiteit.

Opvallend vond ik ook, dat prof. Velema in zijn artikelen niet spreekt over de beslissende betekenis van het samenleven-in-geslachtsgemeenschap. Hij heeft dat indertijd wel gedaan in zijn boek „Leer ermee te leven” (Kampen 1973) op blz. 42, 43. Hij brengt daar 1 Cor. 6 ter sprake, waar Paulus de zonde van hoererij afwijst met de woor-den: wie zieh aan een hoer hecht is één lichaam met haar, daarbij verwijzend naar het „één vlees zijn” waarmee in Gen. 2 de huwelijksrelatie wordt omschreven. Zo toont Paulus aan hoe onmogelijk en verkeerd de omgang met een hoer is. Men handelt alsof men in een totale gemeenschap leeft, terwijl men die juist niet wil.

Hoe staat het nu bij hen die (niet vrijblijvend) samen wonen? Ook zij beleven in de ge-slachtsgemeenschap het één-vlees-zijn, het leven in een totale gemeenschap met elkaar; maar in hun geval mag men zeggen: zij willen dat ook! In hun relatie is dus wel degelijk datgene te vinden, wat constituerend is voor het huwelijk.

Daarmee is beslist niet gezegd dat zulk samenwonen gelijk staat met het officiële huwelijk, in die zin, dat het dus niet uit zou maken of men samenwoont dan wel trouwt. Immers, ten onrechte maken zij die samenwonen de binnenkant van het huwelijk lòs van de buitenkant. Zij maken de onderscheiding tussen beide aspecten tot een schei-ding. Daarom moet naar mijn overtuiging tegen samenwonenden gezegd worden: u hebt met elkaar een relatie van zulk een aard, dat ze in een officieel gesloten huwelijk gestalte behoort te krijgen. Want u leeft in feite „in de echt”.

Maar dat heeft dan toch wel consequenties voor de ethische beoordeling van het verbreken van zo een samenlevingsrelatie?

Prof. Velema schrijft in zijn zojuist aangehaald werk op blz. 42: „Wie geslachtsgemeen-schap oefent stelt een eenheid, die niet zonder schuld ongedaan gemaakt kan worden”. Ik meen, dat daaraan toegevoegd mag worden: in het geval van samenwonen is die schuld niet geringer dan wanneer men een officieel gesloten huwelijk verbreekt. Men pleegt in feite echtbreuk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.