+ Meer informatie

VAN CONFERENTIE TOT CONFERENTIE OVERZICHT VAN DE LANDELIJKE DIACONALE CONFERENTIES

12 minuten leestijd

1.1941 - 1943

20 augustus 1941:

eerste “Algemeene Diaconale Vergadering der Chr. Geref. Kerk’” te Amsterdam

Voorzitter van deze conferentie is dhr. A.L. de Bruyne, voorzitter van de ontvangende diaconie van Amsterdam-West. Op de “jaarvergaderingen van het Weeshuis, in 1940 en 1941 te Utrecht gehouden”, is voldoende belangstelling gebleken voor een bijeenkomst van de diaconieën “mede met het oog op de bijzondere omstandigheden”. De diaconie van Amsterdam-West is aangewezen om de voorbereidingen te treffen. Alle diaconieën zijn schriftelijk uitgenodigd via afgevaardigden aanwezig te zijn en gevraagd onderwerpen of vragen ter behandeling voordien in te dienen. Er zijn afgevaardigden van 57 diaconieën aanwezig. Er zijn dertien vragen ingediend; verschillende diaconieën hebben in een preadvies de beantwoording voorbereid. Ook “het comitë tot het organiseeren van ouderlingen- en diakenenconferenties” werkt voor diakenen. De voorzitter poneert, dat deze conferentie niet bedoelt “om een splijtzwam te brengen onder de broeders en het diaconale werk te lichten uit het ambtelijke werk in onze kerk, zooals door O. & D. uitgedrukt.” Algemeen zijn de aanwezigen voor herhaling van deze conferenties. Besloten wordt een “commissie met vrij mandaat te benoemen om een volgende conferentie te organiseeren, zoo mogelijk in overleg met O. & D”.

Behandeide zaken o.a.:

1. “De algemeene diaconale vergadering, gehouden op 20 Augustus 1941 te Amsterdam-West, spreekt uit, dat samenwerking van onze diaconieën met de burgerlijke armenzorg slechts noodgedwongen, indien de eigen middelen daartoe niet toereikend zijn, behoort te worden aanvaard. Immers het werk, dat om Christus’ wil namens Hem in het midden der gemeente wordt verricht, kan alleen dan aan zijn bedoeling beantwoorden, indien de arme broeders en zuster geheel worden geholpen. Men zie een dergelijke samenwerking dus steeds als van een tijdelijke karakter en trachte het daarheen te leiden, dat de diaconie geheel voorzie in den nood van haar eigen armen”.

2. “Indien een diaconie niet kan voorzien in de behoeften van de aan haar zorgen toevertrouwde armen”, dan verdient het aanbeveling, “dat zij financieelen steun zoekt bij diaconieën van zustergemeenten. Zij doe dit echter langs kerkrechtelijke weg, n.l. via den kerkeraad aan de classis”.

3. De wenselijkheid “een commissie van advies inzake diaconale aangelegenheden” wordt aan de generale synode voorgelegd via de diaconie van Amsterdam-West, “unaniem van oordeel, dat het groote aanbeveling zou verdienen, indien onze Generale Synode enkele deputaten zou willen benoemen, die te samen een Commissie van Advies inzake diaconale aangelegenheden zouden moeten vormen. Daarbij ware het in het oog te houden, dat deze adviezen niet alleen moeten kunnen liggen op het terrein der speciale vraagstukken, welke in dezen tijd rijzen, maar op het gansche breede terrein van den diaconalen arbeid met zijn vele vraagstukken.” De generale synode die op 2-4 September vergaderde, antwoordde op 15 september de diakonie van Amsterdam-West, dat de synode het schrijven “door u mede namens vele diaconieën ingezonden, met groote belangstelling heeft gelezen en besproken. Zij besloot geen speciale deputaten van advies voor diaconale aangelegenheden te benoemen, maar daarvoor aan te wijzen de deputaten voor de correspondentie met de Hooge Overheid (…). De diaconieën kunnen aan deze deputaten adviezen vragen.” In de Acta 1941 is niets terug te vinden van de ontvangst, behandeling en beantrwoording van het schrijven van de diaconie van Amsterdam-West.

4. Het “gebed in het ambtelijk werk der diakenen” (…) behoort bij de uitoefening van het diakenambt. Waar en wanneer de diaken in gebed zal voorgaan zal in elk geval afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Men behoort dit aan persoonlijke en zakelijke omstandigheden over te laten”.

5. Inzake de vraag “wie geheel, gedeeltelijk of niet voor diaconalen steun in aanmerking komen”, wordt geconcludeerd: “dat, naar luidt van Schrift en belijdenis, de uitdeeIing der gaven met voorzichtigheid moet geschieden, en dat inzonderheid de huisgenooten des geloofs dienen te worden gesteund; dat de ondersteuning, rekening houdende met de verplichtingen van anderen, moet geschieden naar behoefte, waardoor bepaald moet worden wie geheel en wie gedeeltelijk voor onderstand in aanmerking komen; dat principieel gezien geen enkele der “huisgenooten des geloofs” (leden of doopleden dus) buiten de diaconale zorgen valt; dat overigens niet uit het oog verloren mag worden, dat ook de overheid geroepen is te voorzien in maatschappelijke nooden als: werkloosheid, gevolgen van rampen en anderszins, waardoor, indien de overheid haar roeping verstaat, de diaconie zich van hulpverleening in dergelijke gevallen ontslagen mag achten.”

Spreker in de middagvergadering ds. L.S. den Boer over het onderwerp “Het diakenambt”.

3 juni 1942: tweede “Algemeene Diaconale Vergadering” te Amsterdam

De procureur-generaal heeft machtiging verleend tot deze vergadering “onder voorwaarde, dat geen onderwerpen van politieken aard, direct noch indirect zullen worden besproken”. Er zijn 46 diakonieën vertegenwoordigd. Medegedeeld wordt, dat er een volledige overeenstemming is bereikt tussen het Comitë van Voorbereiding en het Ouderlingen- en Diakenen-Comitë. Het voorstel is om in het voorjaar een bijeenkomst voor diakenen onder de leiding van een diaken en in het najaar één voor ouderlingen onder de leiding van een ouderling te houden; ook dienen er drie diakenen zitting te nemen in het Ouderlingen- en Diakenen-Comitë. De vergadering gaat hiermee akkoord. Op de volgende conferentie zullen de benoemingen plaatsvinden. De vergadering spreekt uit, dat er ook classicale diakenen-conferenties gehouden worden, eventueel samen met de ouderlingen. Het slotwoord spreekt dhr. W.J. Graves te Amsterdam, die ook het verslag verzorgt.

Behandeide zaken:

Wanneer bij bezit van enig vermogen waarvan de renteopbrengst onvoldoende is voor eigen onderhoud, een beroep op de diaconie wordt gedaan, dan dient onderscheiden te worden “in gevallen, waarin opheffing uit den toestand van armlastigheid nog mogelijk is en gevallen, waarin zulks b.v. wegens leeftijd niet meer bereikt kan worden. In eerstgenoemd geval moet als doel van de diaconale hulp opheffing uit den toestand van armlastigheid worden nagestreefd. In het andere geval verdient het aanbeveling, indien geen of niet toereikende hulp van anderen (kinderen enz.) kan worden verkregen, het onroerend goed aan de diaconie over te dragen en - rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden - den betrokkenen blijvend voldoende levensonderhoud te verzekeren. Bij het overlijden van den langstlevende kan, na verhaal van de gemaakte kosten, een eventueel restant aan de erven worden uitgekeerd”.

2. Het karakter van den diaconalen arbeid brengt mede “den eisch van de algeheele voorziening in den nooden der behoeftige leden van Christus’ kerk”; onder alle omstandigheden moet het streven daarop gericht blijven, “ook langs den weg van onderlinge hulpverleening door diaconieën van verschillende gemeenten”; naar de eis der praktijk kan “beperking van den omvang van den diaconalen arbeid - bij vol-strekte onvermijdelijkheid - de voorkeur verdienen boven het streven naar het behoud van een zoo breed mogelijk terrein, zulks in bepaalde gevallen ook tot behoud van diepgang in het ambtelijke werk”; in het gestelde geval kan “deze beperking het best gezocht worden, door het overlaten van de zorg voor krankzinnigenverpleging aan de overheid, zulks omdat dit een terrein is, waar de overheid reeds een taak heeft en het geestelijk element in den diaconalen arbeid ten aanzien van deze behoeftigen het moeilijkst tot stand is te brengen”; daarbij moet voorop staan “dat de diaconie zich, indien noodig, de extra kosten moet getroosten, die noodig zijn voor de verzorging in een christelijke inrichting”; bij beoordeling van de vraag “hoever verdere volstrekt noodzakelijke beperking moet gaan”, er steeds naar gestreefd moet worden, “de zorg voor de gewone - valide - behoeftigen geheel in eigen hand te houden”.

3. “Wanneer een diaconie hetzij blijvend, hetzij tijdelijk als gevolg van bijzonderen nood, onvermogend is om in de behoeften, welke haar zorgen omvatten, te voorzien, wende de kerkeraad van die gemeente zich tot de classis. De classis stelle tevoren een commissie van onderzoek en advies in. Deze beoordeelt direct ingekomen aanvragen, ook door ter plaatse een onderzoek in te stellen. Als regel adviseert deze commissie aan de eerstvolgende classis, welke bij inwilliging van het verzoek om steun besluit in de gemeenten der classis één of meer collecten te doen houden. Zijn de behoeften groot en niet classicaal te voorzien, dan worde eerst classicaal geholpen, eventueel met medewerking van genabuurde classes, en worde de zaak aan de e.v. particuliere synode voorgelegd. De classicale commissies van onderzoek en advies dienen gemachtigd te worden in spoedeischende gevallen een bedrag op te nemen om in directe behoeften te voorzien. Zij zijn gehouden hieromtrent aan de e.v. classis omstandig te rapporteeren. Teneinde deze steunverleening aan diaconaal hulpbehoevende gemeenten te organiseeren worde deze aangelegenheid langs kerkrechtelijken weg ter e.v. generale synode gebracht. Inmiddels handelt iedere classis in voorkomende gevallen naar bevind van zaken. Bij beschouwing van het bovenstaande wordt er van uitgegaan, dat een diaconie financieel hulpbehoevend is, wanneer zij niet in staat is genoegzaam hulp te bieden. De weg van de onderlinge hulpverleening der gemeenten ten behoeve van den diaconalen arbeid worde ingeslagen vóór men er toe overgaat het stelsel van dubbeie bedeeling (in samenwerking met de overheid) te aanvaarden.”

4. Bij de dienst der offeranden moet “als ideaal voor oogen worden gehouden een onderscheiding in eeredienst en dienst der barmhartigheid, waarbij de inkomsten voor den eeredienst verkregen worden uit vaste vrijwillige bijdragen en die voor den dienst der barmhartigheid uit handreikingen door middel van collecten, als onderdeel van den dienst des Woords”; in geval van “onmogelijkheid, dit ideaal geheel te verwezenlijken, waardoor collecten voor den eeredienst noodig worden, moet er naar gestreefd worden, de verhouding tusschen vrijwillige jaarlijksche bijdragen en collecten voor den eeredienst zo te doen zijn, dat in den dienst der offeranden, tijdens den dienst des Woords, het zwaartepunt niet verplaatst wordt naar de collecte voor den eeredienst, maar blijft bij die voor den dienst der barmhartigheid”; als er plaatselijk geringe diaconale behoeften bestaan, maar grote behoeften van de eredienst dan mogen die er niet toe leiden “dat de regel, dat bij elken dienst des Woords gelegenheid worde gegeven tot het doen van christelijke handreiking, wordt losgelaten”.

5. Inzake eventuele diaconale steun aan een diaken of ouderling wordt uitgesproken dat “wat de ideëele zijde van dit vraagstuk betreft, goed voor oogen moet worden gehouden, dat de Schrift nergens voor verkiesbaarheid tot een ambt of voor het blijven in een ambt het bezit van een zekeren welstand vereischt; dat voorts geen enkel gemeentelid principieel is uitgesloten van de weldaden van Christus (de ondersteuning); dat, wat de formeele zijde betreft, geen uitspraak in het vigeerende kerkrecht deze zaak regelt; dat, wat de practische zijde betreft, de vraag in hoeverre het verkeeren in behoeftige omstandigheden zoowel voor ouderlingen als voor diakenen een beletsel moet zijn voor den ambtelijken dienst, geval voor geval dient beoordeeld te worden, waarbij het aan te bevelen is wel onderscheid te maken tusschen tijdelijke en blijvende behoeftigheid, en overigens de persoonlijkheid van de betrokkene in aanmerking te nemen”.

26 mei 1943: derde “Algemeene Diaconale Vergadering” te Amersfoort

1. Ondersteuning behoort naar behoefte te worden gegeven; deze behoefte wordt enerzijds mede bepaald “door de levensomstandigheden, waarin men vroeger verkeerde, anderzijds door de oorzaken, waardoor men in kommervolle omstandigheden geraakt is”; een diaconie is echter “niet gehouden een zoodanige ondersteuning te verstrekken, dat elk welvaartspeil gehandhaafd wordt, doch wel zoo, dat onze broeders en zusters geen zorgelijk leven behoeven te leiden”.

2. “Overwegende, dat de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken alle gegrond zijn op de drie ambten van Christus, n.l. Zijn profetisch, Zijn koninklijk en Zijn priesterlijk ambt; in aanmerking nemende, dat Hij geen van deze drie ambten vervuld heeft boven één der beide andere; op grond hiervan aannemende, dat er dus bij Hern, onzen Koning, geen onderscheid in de waardering viel te constateeren” wordt uitgesproken “dat er op grond hiervan ook geen verschil in rangorde in de tegenwoordige ambten bestaan, zoodat de ambten wel gescheiden, doch niet verschillend in waarde zijn”.

3. Inzake de interpretatie van artikel 83 van de D.K.O. wordt uitgesproken dat volgens dit artikel “armen behooren te worden verzorgd in de gemeente, waarin zij gevestigd zijn of zich gevestigd hebben; dat onder “genoegzame oorzaken” voor vertrek o.a. moet worden verstaan de zekerheid, in de nieuwe woonplaats werk te hebben of meer steun van familie e.d. te zullen ontvangen; dat er in de practijk echter vele variaties mogelijk zijn, waardoor een, uit een andere gemeente kornende, gesteunde niet, hetzij tijdelijk of blijvend, in zijn onderhoud kan voorzien b.v. door ziekte; dat het in zulke gevallen, wanneer de diaconie van inwoning dezen steun niet voor haar rekening kan nemen, aanbeveling verdient in overleg te treden met de diaconie van de gemeente van herkomst, omtrent de verdeeling van dezen steun, terwijl hiervoor geen bepaalde te volgen gedragslijn kan wor den gegeven”.

4. “De aard der liefde van het diaconale ambt eischt, dat onderzoek worde gedaan in gevallen, waarin de diaconie op mogelijke behoeftigheid wordt gewezen, opdat mede daardoor een algeheel verval in armoede voorkomen worde, voordat men zelf een verzoek om steun zou moeten indienen.”

5. Het diaconale werk behoort door diakenen te worden verricht, maar in bijzondere gevallen kan bijstand van ouderlingen worden aanvaard, doch dit zij “steeds tijdelijk en naar opheffing van dezen toestand dient te worden gestreefd; echter nimmer met opoffering van de diaconale belangen”.

6. Het slot van artikel 25 D.K.O. houdt “volledige verantwoording aan den kerkeraad” in, aan wien de diaconie deze ten allen tijde verschuldigd is; “rekeninge” aan de gemeente omvat alleen het geldelijke beheer in het algemeen; “aan de gemeente kan inzage van de boeken worden verleend, mits de administrate zóó ingericht is, dat noch de specificatie van de steunbedragen op naam, noch de namen zelf daaruit blijken”.

7. Betreffende de vraag of een evangelisatiecommissie in een voorkomend geval een beroep kan doen op de diaconie dan wel dient te verwijzen naar Maatschappelijk Hulpbetoon, wordt “overwegende dat het de taak der evangelisatie is het Woord te brengen aan afgedwaalden en/of onwetenden; dat het in het algemeen zeer gevaarlijk is om bij dat geestelijke Woord stoffelijke gaven te voegen met het oog op onzuivere motieven, die er toe zouden kunnen leiden, dat Woord uiterlijk aan te nemen; dat de diaconale zorg zich in hoofdzaak uitstrekt tot de huisgenooten des geloofs” geoordeeld “dat voor de leniging van nood van evangelisatie-objecten niet uit de diaconale kas behoort te worden geput, doch dat de gemeente de Evangelisatie-commissie daartoe zelfstandig in staat stelle”; en niettemin aanbevolen “dat een dergelijke steun niet dan na advies van de diaconie verleend worde”.

8. “Ten aanzien van het recht van verhaal van uitgekeerden steun” wordt uitgesproken, “dat alleen in uiterste noodzaak de wettelijke weg worde bewandeld. Personen, die in staat geacht moeten worden de genoten ondersteuning terug te betalen, moeten hiertoe met zedelijke middelen worden aangemaand, opdat zooveel mogelijk de geestelijke en zedelijke taak van de kerk ook in dit opzicht tot uiting kome”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.