+ Meer informatie

ISRAËL: VOLK MET EEN LAND

12 minuten leestijd

Toen de redactie mij begin dit jaar uitnodigde een artikel te schrijven over de betekenis van de landbelofte voor Israël, kon niemand vermoeden welke ontwikkelingen zich sindsdien zouden voordoen en hoe tengevolge daarvan deze vraag opnieuw in alle hevigheid op ons af zou komen. Toch is het goed om wat afstand te houden van de discussies van de dag en te zoeken naar een bijbels-verantwoorde benadering van deze vragen. Dat althans wil ik proberen in dit artikel.

1. Laten we eerst eens zien, hoe de vraag naar de betekenis van de landbelofte voor Israël in deze eeuw op ons afgekomen is. Een belangrijke merksteen in de tijd is uiteraard 1948: de stichting van de staat Israël. Na de nacht van Auschwitz was dat een lichtpunt in de geschiedenis. Sindsdien hebben we joden vanuit alle windstreken naar dit land zien terugkeren. In de afgelopen jaren nog kwamen uit de voormalige Sovjet-Unie honderdduizenden joden naar Israël toe. Hoe mogen we dit duiden? En wat betekent het voor onze houding als christenen ten opzichte van de staat Israël?

Er zijn christenen - ik denk vooral aan hen die zich verenigd hebben rond het blad Christenen voor Israël - die soms heel ver gaan in het doen van uitspraken aangaande Gods handelen in de terugkeer van joden naar Israël. God zou bezig zijn oudtestamentische beloften te vervullen. De terugkeer van de Russische joden zou daar een nieuw blijk van zijn. In die benadering speelt het land Israël een heel belangrijke rol. Er werden niet veel negatieve geluiden gehoord toen begin september het akkoord gesloten werd tussen Israël en de PLO op basis van “land in ruil voor vrede”. Maar de heer K.R. van Oordt, een vooraanstaand man in de kringen van de Christenen voor Israël, gaf te kennen er niet blij mee te zijn dat Israël de bijbelse stad Jericho (die -merk ik op - nooit herbouwd had mogen worden!) aan de Palestijnen afstond. Men beroept zich daarvoor op de bijbel. In het Oude Testament kunnen we het een en ander lezen over de grenzen van Israël, vooral in Genesis 15, 18, waar de HERE Abram een gebied belooft van de Nijl tot aan de Eufraat. Maar het is niet duidelijk welke politieke betekenis die belofte heeft. Daarvoor kunnen we dan toch eerder terecht in o.a. Numeri 34 en Ezechiël 47. Maar als we met die teksten in het achterhoofd naar de huidige politieke situatie gaan, levert dat problemen op, want daar wordt niet gerept over de Negev-woestijn (tot aan Eilat) en ook de kuststrook bij Tel Aviv heeft niet zulke beste papieren. Anderzijds is wel duidelijk, dat de grenzen naar het noorden toe tot diep in Syrië en Libanon lopen. Wat moeten we op grond daarvan zeggen? Zullen we Israël oproepen de Negev te ontruimen en anderzijds berispen, omdat het in 1982 bij de Libanon-oorlog niet het daar veroverde gebied heeft vastgehouden? Afgedacht van de oorlogen, die daarmee gemoeid zouden zijn, is het toch een echte vraag of dat terecht zou zijn.

2. Ik probeer in dit artikel mijn betoog stap voor stap op te bouwen, zodat iedere lezer voor zichzelf kan uitmaken of, en zo ja, wanneer hij een ander spoor gaat volgen. Om te beginnen, meen ik, dat we moeten erkennen dat Israël een volk is. Dat lijkt een vanzelfsprekendheid, maar het is het helaas niet. In de geschiedenis van de christelijke kerk heeft men het vaak zo gezien, dat Israël als volk had afgedaan. Gods verbond met het joodse volk had een einde genomen, of beter: was overgegaan op de kleine rest van Israël, die met de gelovigen uit de heidenen samen de christelijke kerk vormde.

Inmiddels is langzaam maar zeker - ik noem met ere de naam van Calvijn - een andere visie gerijpt. De kerk is niet in de plaats van Israël gekomen - zij is in Israël ingelijfd. Daarom: Gods verbond met Israël heeft geen einde genomen. Zo kreeg men ook oog voor het bestaan van Israël, van de synagoge als teken van Gods trouw. Nu, als men dat zegt, dan erkent men ook dat Israël iets anders is dan de kerk. De kerk immers doorbreekt de grenzen tussen de volkeren. De kerk is katholiek, algemeen. Maar Israël - dat is anders. Daar wordt men besneden, daar houdt men de sabbat en de spijswetten, die het contact met niet-joden bemoeilijken. Israël is een apart volk, in ons midden. Als je dat zegt, dan zeg je ook, dat het recht heeft op een eigen plaats temidden van de volkeren.

De kerk erkent de voorrang en het voorrecht van dit volk, door de HERE aan Israël verleend. Maar die erkenning heeft wel consequenties. Het houdt in, dat we ruimte geven aan dit volk onder ons en ons dus keren tegen antisemitisme en de daaruit voortvloeiende discriminatie van joden. Maar - als de discriminatie doorgaat, structureel blijkt te zijn in de afgelopen tweeduizend jaar en noodlottige gevolgen heeft - dan kan men er toch enkel alle begrip voor hebben, dat joden na de zoveelste pogrom eind vorige eeuw wegtrokken uit Rusland?! Wegtrokken - naar het land van de vrijheid: Amerika. Maar ook: naar Palestina. Langzaam maar zeker ontwaakt in de vorige eeuw het zionisme. Men wil een land hebben, waar men in vrijheid kan leven - als joden. En al spoedig is duidelijk, dat dat niet Oeganda kan zijn, maar alleen Palestina. Is er iets op tegen, dat joden naar dit land trekken? Ik zou niet weten, waarom je ze niet groot gelijk zou geven… Immers, dit volk is, zoals de titel van een boek van S. Safrai luidt, een “volk met een land”. Dit volk hoort daar, in het land Israël, thuis - en nergens anders.

Maar wie vandaag land zegt, zegt ook: staat. Zover is het nog niet in de eerste helft van deze eeuw. Maar wanneer de Moefti van Jeruzalem ten tijde van de jodenvervolgingen Hitler prijst, weten de joden in Palestina hoe laat het is. Het is niet voldoende, dat zij leven in het land Palestina, ze hebben een eigen staat nodig. Tussen haakjes: hoezeer zonder een rechtstaat de rechteloosheid zijn kansen krijgt, zien we toch in Somalië en het voormalige Joego-Slavië?! Maar tegelijk kleven aan de moderne staat ook heel dubbelzinnige aspecten. Wie staat zegt, zegt macht. Bovendien hechten zich aan een staat, als politieke vorm van een natie, ook gemakkelijk gevaarlijke, religieuze tendensen. Als illustratie is het voldoende om te verwijzen naar het oplevend nationalisme in Oost-Europa. Het vacuüm, dat ontstaan is na het wegvallen van de communistische ideologie, zuigt nieuwe vulling aan, en een nationale identiteit is een uiterst effectief middel om mensen tot geweld te bewegen.

Hoe is dat met de nieuwe staat Israël? Die staat is ontstaan vanuit de fundamentele behoefte een plekje te hebben, waar men in veiligheid kan leven. En omdat je als jood altijd rekening moet houden met antisemitisme, zolang je in de minderheid bent, is de enige oplossing: een eigen staat te hebben. De grondleggers van de staat Israël zijn er niet op uit geweest een theocratische staat in het leven te roepen. Van ultraorthodox joodse zijde is er zelfs fel verzet geweest tegen de staat Israël, omdat pas de Messias als nazaat van David het volk Israël weer een eigen leven als volk binnen bepaalde grenzen zou kunnen en mogen geven - de theocratische gedachte! De huidige staat Israël is een moderne politieke gestalte - en niet meer dan dat. Het is een staat, waaraan je geen bijzondere maatstaven moet aanleggen - behalve dan die aan welke iedere staat gemeten mag en moet worden.

Wellicht vindt u de redenering tot dusverre wel èrg nuchter. Daar hebt u gelijk in. Dat komt, omdat ik ervoor gekozen heb mijn betoog op een bepaalde manier op te bouwen. Tot dusverre denk ik niet dat er veel verschil van mening zal zijn op dit punt: als apart volk heeft Israël recht op een eigen plek onder Gods zon, en het zou wereldvreemd zijn om Israël het recht te ontzeggen een eigen kraam op de markt der staten op te eisen. Ook al zou ik niet geloven in de God van de Bijbel, dan nog begrijp ik niet, dat mensen - tegen de achtergrond van wat de eeuwen door joden is aangedaan - rustig ervoor pleiten dat er een gemeenschappelijke joods-palestijnse staat moet komen. Zulke gedachten zijn heel idealistisch, maar ook naïef en zelfs gevaarlijk. Het zal nog een lange en moeilijke weg worden om een begin van een basis van vertrouwen tussen joden en Palestijnen op te bouwen!

Goed, alleen al nuchter bekeken vind ik dus, dat je Israël het recht op een eigen staat moet toekennen. Maar, ik heb meer dan mijn nuchtere politieke kijk. De vraag is: gelden voor dit volk als volk van God van Godswege nog beloften ook ten aanzien van het land? Nu, ik meen dat het Nieuwe Testament ons geen grond biedt om aan de staat Israël een zekere heilsbetekenis toe te kennen. Op grond van Handelingen 1 verwacht ik geen ander koningschap over Israël dan dat van Jezus Christus. Hij regeert reeds -maar dan in het verborgene. Juist daarom geloof ik ook in Gods trouw jegens Israël. En toch blijft de vraag - de vraag waar het in dit artikel om gaat - of ik op grond van die trouw van God aan Israël niet meer kan zeggen, dan ik tot dusverre gedaan heb.

3. Dat brengt ons bij de vraag: zegt het Nieuwe Testament iets over het land? Heel weinig. Zo weinig, dat velen bewust of onbewust denken: na het Nieuwe Testament is alles zo algemeen, dat het land er niet meer toe doet. Toch is die conclusie m.i. voorbarig. Als illustratie verwijs ik naar Efeziërs 6, 2-3. Daar wordt het vijfde gebod aangehaald: “Eer uw vader en uw moeder”. De apostel vermeldt daarbij: “dit is het eerste gebod met een belofte”. Sommigen menen op grond daarvan, dat het land voor Israël in het Nieuwe Testament heeft afgedaan. Immers - anders had de apostel het Oude Testament wel letterlijk overgenomen: “opdat gij lang leven moogt in het land, dat de HERE, uw God, u geeft”. Maar nu Paulus dat niet doet, verbindt men er de conclusie aan, dat de landbelofte voor Israël heeft afgedaan.

Maar is dat juist? Het is veel gebeurd - en gebeurt nog. Maar dat is geen argument. Is het bijbels alle spreken van het Nieuwe Testament over de aarde te vergeestelijken? Ik meen van niet. De Brief aan de Efeziërs spreekt tot voormalige “vreemdelingen en bijwoners” (Ef. 2, 19), niet-joden dus. Met het oog op hen spreekt Paulus in algemene termen. Maar geldt dat ook zo voor een jood? Ik meen dat we dat niet zomaar uit dit schriftgedeelte mogen afleiden. Als we die conclusie trekken, zegt dat wellicht meer over ons dan over het Nieuwe Testament. Daarom houd ik het erop, dat de bijbelse landbelofte voor Israël niet heeft afgedaan.

De vraag is nu: wat is het karakter van de landbelofte? Ik blijf dan nog even bij Efeziërs 6, 2-3. Het is naar mijn gedachte niet zonder betekenis, dat het leven naar Gods gebod en het wonen in het land daar met elkaar verbonden worden. Ik meen, dat we eruit op kunnen maken, dat het wonen in het land niet een onveranderlijk gegeven is, maar dat de HERE aan Israël - zo goed als ook aan ons! - het land weer kan ontzeggen, nl. wanneer wij niet in zijn wegen wandelen. Dat geldt Israël, maar ook ons, op de plaats die God aan ons heeft gegeven. Dat hoor ik ook in de oudtestamentische wijsheid, waarbij ik bijvoorbeeld denk aan Psalm 37, 29 - een tekst, die ook door Christus wordt aangehaald in Mattheüs 5, 5. Door de vraag van het land op deze wijze te benaderen, wordt ook duidelijk, dat deze landbelofte van een andere orde is dan andere beloften door de HERE aan Israël gedaan. De landbelofte is niet onvoorwaardelijk. Het wonen in het land is ervan afhankelijk of Israël rechtvaardig handelt. Het houden van een basisregel als eerbied metterdaad voor onze ouders is een waarborg voor een lang leven in het land. Zo heeft de HERE God het gezegd. Die voorwaarden heeft Hij nooit verbonden aan zijn verbond met Abraham, of aan zijn verbond met David. Die verbonden zijn onvoorwaardelijk. Die hangen niet af van mensen. Daarbij gaat het ook om meer dan handelen: om geloof. Maar de landbelofte is conditioneel in het Oude Testament. Als een volk de ongerechtigheid laat toenemen, loopt het gevaar het eigen land te verspelen. Daarom kan Israël in de ballingschap gezonden worden, als het niet leeft naar Gods recht. Ook daarvan meen ik, dat dat in het Nieuwe Testament niet anders ligt.

5. Ik moet een balans zien op te maken. Het zal duidelijk zijn, dat ik mij van harte verheug over het feit, dat de joden een eigen staat hebben - en nog wel in het gebied dat hun vaderen van God ontvangen hadden. Ik meen dat er reden is als kerk om God er ook voor te danken, waarbij we niet mogen vergeten, dat Gods verbond met Abraham zijn diepste kern daarin heeft, dat de volkeren in en met Israël gezegend worden. Om die zegen van Abraham, die in Jezus Christus tot de heidenen is gekomen, gaat het. Die zegen bestaat in het kennen van God in het aangezicht van Christus. Zou het niet onze vurigste wens moeten zijn, dat Israël en de kerk dat samen doen - en God verheerlijken om zijn onuitsprekelijke genade?

Hoezeer ik me verheug over het feit, dat Israël een plek heeft onder de zon, toch kunnen en mogen we niet vergeten, dat Gods gave van het land aan Israël in de Bijbel een doel heeft: dat Israël aan zijn bestemming van Godswege beantwoordt. Zeker - de terugkeer van het volk Israël naar het land Israël is door God gegeven. Maar als ik dat voluit erken, betekent dat nog niet, dat ik weet hoe het allemaal verder zal gaan met Israël. Laten we bidden, dat de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land daaraan dienstbaar zal zijn, dat Israël zijn God, de HERE, zal herkennen en erkennen in de gekruisigde en opgestane Here Jezus Christus. Tot heil van Israël en de volkeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.