+ Meer informatie

KERK EN PARTIJKEUZE

9 minuten leestijd

In de jaren voor en na de Tweede Wereldoorlog kende ons land drie in de Tweede Kamer vertegenwoordigde protestants-christelijke partijen: de A.R. Partij, de C.H. Unie en de S.G.P. De leden van de C.H.U kwamen hoofdzakelijk voort uit hervormde kring en de Christelijk-Historische Unie vond dan ook in onze kerken weinig aanhang. De christelijke gereformeerden vielen voor wat betreft hun partijkeuze hoofdzakelijk in twee groepen uiteen: antirevolutionairen (o.a. de kamerleden ds. Van der Zaal, mr. Th.A. Versteeg, de vader van wijlen onze prof.dr. J. Versteeg, en dr. C. Boertien, de huidige commissaris der Koningin in Zeeland) en staatkundig gereformeerden (o.a. de kamerleden ir. C.N. van Dis en later diens zoon, het huidige kamerlid C.N. van Dis). Onder de socialisten of de liberalen trof men zeker geen fervente leden uit de kring van onze kerken aan.

De laatste tien jaar is het politieke kleurenpalet in de Tweede Kamer nogal veranderd. Er zijn wederom drie protestants-christelijke partijen: de S.G.P., het G.P.V. en de R.P.F. En door de samenvoeging van A.R. Partij, C.H. Unie en K.V.P. is er een nieuwe christelijke, zij het niet meer protestants-christelijke partij ontstaan: het C.D.A.

Dat heeft toch wel gevolgen gehad voor de partijkeuze van de leden onzer kerken. De S.G.P.-aanhang zal weinig gewijzigd zijn - ds. Slagboom is zelfs voorzitter van de S.G.P. -, maar veel, vroeger antirevolutionaire christelijke gereformeerden treft men niet (meer) aan, zeker niet in belangrijke functies, in het landelijke C.D.?., waarin de R.K.-moraal en denkwereld is gaan overheersen en waarin aan het belijdend lidmaatschap van een christelijke kerk geen aandacht meer wordt geschonken, zodat een islamiet in het hoofdbestuur zitting heeft en een hindoe voorkomt op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. De in de A.R.P. aanwezige rechtervleugel is geleidelijk uit het C.D.A. afgevloeid (evenals een groot deel van de rechtervleugel van de C.H.U.) en het C.D.A. wekt niet de indruk dat erg te betreuren. Lubbers wint stemmen - en daar schijnt het om te gaan -, maar het C.D.A. verliest reformatorische leden.

De uit het C.D.A. vertrokken of geruisloos afgevloeide leden onzer kerken zijn veelal overgegaan naar de R.P. F., welker beginselprogram meer aanspreekt dan de „evangelische inspiratie” van het C.D.?., maar die (nog?) niet de krachtige uitstraling en presentatie zoals b.v. van het G.P.V. heeft. Het G.P.V. daarentegen heeft weer het bezwaar, dat leden onzer kerken er wel op mogen stemmen - graag zelfs! -, er misschien hier en daar lid van kunnen worden, maar in geen geval het passief kiesrecht kunnen verwerven. Voor velen niet tot de S.G.P. behorende, vroeger antirevolutionaire leden onzer kerken is de partijkeus dus moeilijk geworden: het C.D.A. spreekt hen niet aan en blijkt op al te reformatorische leden ook niet bijzonder gesteld te zijn, maar een duidelijk alternatief is er voor vroegere antirevolutionairen eigenlijk niet. Dat zou pas ontstaan als S.G.P., G.P.V. en R.P.F. zich zouden bundelen tot één reformatorische partij. Lijstverbindingen maken de keus al wat eenvoudiger, maar een federatie stuit kennelijk voor-alsnog op bezwaren.

De vraag is nu, wat de kerk mag of kan doen om haar leden leiding te geven bij hun partijkeuze. De Gereformeerde Kerken waren daarover destijds zeer duidelijk: gereformeerd (dus Kuyperiaan) betekende A.R. (de partij van Kuyper). De Rooms-Katholieke Kerk was eveneens duidelijk: een rooms-katholiek behoorde op de K.V.P. (vroeger R.K.S.P.) te stemmen. De Hervormde Kerk liet zich over een partijkeuze niet uit. De aanwezigheid van modaliteiten liet dat niet toe: confessionelen stemden C.H.U., bonders deels A.R. (ds. Fokkema) deels C.H. en na de oorlog kozen sommige overtuigde hervormden (Buskes, Scheps, Van Walsum) voor de doorbraak naar de P.v.d.A. In de Gereformeerde Gemeenten was de keus voor de S.G.P. zo vanzelfsprekend, dat men zulks kerkelijk niet eens behoefde aan te moedigen: de in de verkiezingstijd verschijnende advertenties, ondertekend door leden uit de Geref. Gemeenten wier ambt (ds.) er uitdrukkelijk bij wordt vermeld, spreken in dat opzicht duidelijke taal. En evenzo is in de Geref. Kerken (vrijgemaakt) de keus voor het G.P.V. onbetwistbaar.

In onze Kerken ligt het minder duidelijk. Er zijn predikanten die zich inzetten voor de S.G.P. of voor de R.P.F.; voor het C.D.A. is weinig of geen pastorale interesse.

En de vraag die mij ter beantwoording in dit blad is voorgelegd, is nu of de kerk aan de politieke keuze harer leden leiding moet of kan geven.

Ongetwijfeld behoort de prediking gericht te zijn op het gehele leven, dus ook op het politieke leven harer leden. De kerk predikt het Evangelie en dat Evangelie dient uit te stralen in het leven van het gezin, van de maatschappij, ook van de Staat. Paulus geeft verschillende aanwijzingen, hoe de overheid zich moet gedragen: zij is dienaresse Gods, ons ten goede (Rom. 13), en dient ons in Staat te stellen een stil en rüstig leven te leiden in alle godsvrucht en waardigheid (1 Tim. 2). De Geloofsbelijdenis gaat nog verder: het zou zelfs overheidstaak zijn „de hand te houden aan de heilige kerkedienst”, „te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst” en „het woord des Evangelies te doen prediken” (art. 36). De kerk behoort in haar prediking haar leden dus wel degelijk bij te brengen, niet alleen wat de taak van ouders, van werkgevers en van werknemers, maar ook van de Staat is. De vraag is echter, of de kerk zelf die taak moet overnemen. Moet de kerk zelf onderwijs gaan geven door kerkelijke Scholen te exploiteren? Moet de kerk zelf een kerkelijke vakbond oprichten? En moet de kerk zelf een kerkelijke politieke partij stichten, die deelneemt aan de verkiezingen?

Ik meen, dat de kerk dan haar taakopdracht ver te buiten gaat. De kerk heeft „de reine prediking des Evangelies” (art. 29 N.G.B.) te oefenen en wel zo, dat haar leden daaruit de consequenties kunnen trekken voor hun functioneren in de samenlevingsverbanden waarin zij zijn geplaatst (b.v. gezin en Staat). De politieke verantwoordelijkheid van de kerk is beperkt tot voorbede voor de overheid en tot het rechtstreeks spreken tot de overheid als de vrijheid van de kerk en haar leden tot het uiten van geloofsopvattingen wordt beperkt. Een duidelijk voorbeeld van het laatste was het optreden van de kerk onder het nazistisch bewind - zij het dat lang niet alle predikanten zich toentertijd onomwonden uitspraken (of durfden uit te spreken) over wat de bezetter b.v. de Joden aandeed! - en van de kerk in de Oosteuropese landen toen daar het communistisch regime nog oppermachtig was.

De kerk kan zich ook tot de overheid richten als het gaat om een beleid dat duidelijk strijdig is met de Wet Gods, zoals abortus of euthanasie, waar het van God gegeven menselijk leven in het geding is. En naarmate de secularisatie toeneemt, wordt de roeping om profetisch te getuigen in de richting van volk en overheid steeds sterker. Het moet daarbij dan niet gaan om de rechten van de mens, maar om het recht Gods.

Daarbij moet de kerk zich niet laten leiden door ideologieën, zoals in toenemende mate het geval blijkt te zijn in de Ned. Herv. Kerk en in de Geref. Kerken, daarbij gevoed door de Wereldraad van Kerken. Het is verbazingwekkend om te zien tot welke eenzijdigheden men dan komt. Nooit is b.v. geprotesteerd tegen de inval van Rusland in Afganistan, wel tegen de aanwezigheid van Amerika in Vietnam (welks bewoners na het zo vurig begeerde vertrek der Amerikanen nu overal asiel zoeken en in wankele bootjes het land verlaten); nooit is geprotesteerd tegen de marxistische guerrilla in El Salvador, tegen het optreden destijds van Ceaucescu in Roemenië, tegen de schending van mensenrechten in Iran of tegen het geweld van SWAPO of ANC, wel tegen de blanke minderheidsregering in Zuid-Afrika, ja zelfs tegen het openlaten van vliegvelden voor de Zuidafrikaanse luchtvaartmaatschappij ! Men is dan zo politiek bezig, dat men de eenzijdigheid daarvan niet eens meer beseft.

Tot nu tot had ik het over het bedrijven van politiek, het doen van politieke uitspraken door de kerk zelf. Maar de tot mij gerichte vraagstelling betrof de beïnvloeding van de politieke partijkeuze harer leden.

Die leden hebben immers als Staatsbürgers wel degelijk een taak op politiek terrein, t.w. gestalte te geven aan wat de Bijbel van de overheid verlangt. Dat verlangen dient door de kerk in de prediking tot uiting te worden gebracht. De concrete uitwerking daarvan is echter een zaak van de kerkleden zelf, die zich daartoe kunnen bundelen in christelijke politieke partijen. Het is zeker een taak van de kerk, aan te dringen op het actief bezig zijn van haar leden in organisaties die het Woord van God tot uitgangspunt van haar handelen nemen. De kerk hoeft echter niet zo ver te gaan, dat zij leden die vanuit een vaste christelijke geloofsovertuiging actief willen zijn in een niet-christelijke (PvdA, VVD) of een nauwelijks meer christelijke (CDA) partij om het beleid daar in christelijke, nader: in reformatorische richting om te buigen, onder censuur gaat zetten. De kerk hoort geen partij bij name te noemen, omdat het niet op haar weg ligt, een concrete vertaling te geven van de Bijbelse uitgangspunten voor het staatkundig leven. Dat laatste is de taak van haar leden.

Voorbede voor hen die christelijke politiek willen bedrijven, past de kerk wel, voorbede voor een bepaalde politieke partij (uiteraard die van de biddende predikant!) past de kerk niet. En daarom zet ik vraagtekens achter de verkiezingspropaganda, door predikanten - weliswaar niet ambtelijk, maar wel met vermelding van hun ambt - bedreven. Zulks brengt de verhevenheid van hun prediking, die boven de alledaagse concretisering van de Bijbelse uitgangspunten behoort uit te stijgen, in het geding.

De kerk hoeft niet, zoals in de partijpolitiek moet gebeuren, compromissen te sluiten. Ze hoeft geen politiek beleid te ontwerpen en moet daarom haar leden vrij laten in de keuze van een partij, waarbinnen zij aan de Bijbelse, door de kerk gepredikte idealen gestalte kunnen geven.

De kerk behoort b.v. ten aanzien van Zuid-Afrika haar leden niet op te wekken tot boycotacties, wel iets te doen wat de gemeenschap nalaat, t.w. de dialoog aan te gaan met Zuidafrikaanse kerken en met hen te discussiëren over de bij velen aldaar nog levende, vaak op Bijbelteksten (b.v. Gen. 9 : 25 en 26) gebaseerde apartheidsideologieën. Evenmin behoort de kerk zich uit te spreken b.v. tegen kernwapens, wel tegen atheïstische ideologieën, die tot voor kort heel Oost-Europa beheersten en zich liefst nog verder wilden uitbreiden. Hoe men tegen die dreiging weerstand moet bieden (met con-ventionele of met kernwapens) is een zaak van de politiek, van compromissen, van tactiek. En de gekozen tactiek blijkt nu te hebben geholpen, zodat de kernwapens kunnen verdwijnen.

De kerk dient te voorkomen, dat zij wordt geïdentificeerd met een politieke partij. En daarom dienen ook de predikanten als dienaren der kerk uiterst behoedzaam te zijn in het etaleren van hun politieke partijkeuze.

De kerk proclamere de Koningsheerschappij van Christus over het gehele leven, niet de heerschappij van een bepaalde politieke partij. En zoals te betreuren is, dat de protestants-christelijke partijen in ons land niet tot eenheid vermogen (of wensen?) te komen, zo is nog meer te betreuren, dat we niet over de Kerk, maar over een verscheidenheid van christelijke kerken moeten spreken. Wat zou er een zeggingskracht van uitgaan, als de Kerk zich eens kon richten tot overheid en volk! Zou het achterwege blijven daarvan niet mede de oorzaak kunnen zijn van de toenemende secularisatie? Mag ik besluiten met u die vraag ter overdenking voor te leggen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.