+ Meer informatie

Boekbesprekingen

6 minuten leestijd

Geert van Dijk Het concrete is het wezenlijke. Het denken van A. Janse van Biggekerke (1890-1960) over Gods verbond met mensen.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 293 blz.; € 27,50.

Geert van Dijk (1968), predikant in de Nederlands gereformeerde kerk van Sliedrecht, promoveerde aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn op een proefschrift over de markante hoofdonderwijzer Antheunis Janse uit Biggekerke. In de jaren dertig van de twintigste eeuw genoot hij landelijke bekendheid in gereformeerde kring. Met D. H. Th. Vollenhoven en H. Dooyeweerd stond hij aan de wieg van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte. Vooral in vrijgemaakt-gereformeerde kring is zijn invloed aanwijsbaar in het werk van C. Veenhof, H.J. Jager, K.J. Popma, J. Kamphuis, C. Vonk en F. van Deursen.
Bij Janse draait alles om het verbond. Het verbond is het referentiekader van waaruit hij de hele werkelijkheid beschouwt. De werkelijkheid van het concrete, menselijke leven wordt gezien door de bril van het verbond. Vandaar de titel: Het concrete is het wezenlijke. Het wezenlijke ligt niet ‘in’, ‘achter’, of ‘boven’ de belofte van het verbond maar is met de belofte zelf gegeven. Vandaar zijn verzet tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte en het neo-scholastieke denken in de lijn van Kuyper, alsof de werkzaamheid van de belofte alleen door de wedergeboorte gewaarborgd is. Vandaar zijn verzet tegen de dialectische theologie van Karl Barth, alsof er nog een Wort Gottes ‘achter’ de letterlijke tekst van de Bijbel bestaat. Vandaar zijn strijd tegen wat hij noemde ‘het mysticisme van de belevingsgodsdienst’ bij bevindelijke groeperingen in Zeeland, alsof het beloftewoord alleen bedoeld is voor hen die inwendig door de Geest zijn aangeraakt.
In dezelfde lijn ligt zijn onophoudelijke strijd tegen de dichotomie van lichaam en ziel: het wezenlijke van de mens ligt niet in de ziel als zou deze belangrijker zijn dan het concrete lichaam. De nadruk op verbondswraak en verbondsvloek als gevolg van verbondsbreuk bracht hem tot een welwillende houding tegenover de Duitse bezetter. Daarmee heeft hij velen van zich vervreemd en taande zijn invloed na de oorlog. Het proefschrift beschrijft trefzeker het geestelijk klimaat binnen de Gereformeerde Kerken in de jaren tussen beide wereldoorlogen en schetst de aanloop naar de Vrijmaking van 1944. Bij Janse vinden we geen namen uit hervormd-gereformeerde kring, behalve J.G. Woelderink. In hervormd-gereformeerde kring speelden in de jaren dertig dezelfde vragen met betrekking tot ‘verbond’ en ‘bevinding’ (c.q. de verhouding van ‘objectief en subjectief’). Uit het proefschrift wordt niet duidelijk of men in gereformeerde kring notitie nam van wat in hervormd-gereformeerde kring op dat punt werd geschreven. De discussie over verbond en wedergeboorte verzandde in de Gereformeerde Kerken in een onvruchtbare (en vermoeiende) polemiek, waaraan Janse volop meedeed. Inbreng vanuit andere kerken die met dezelfde zaken worstelden, zou veel vruchtbaarder geweest zijn. De auteur van het proefschrift constateert tot zijn vreugde dat in de beide kerken van de Vrijmaking (GKv en NGK) meer aandacht gekomen is voor de ervaring van het geloof en het werk van de Heilige Geest in de vernieuwing van de mens als schatten van Gods verbond. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de gemeenschappelijk verklaring over de toe-eigening des heils, in 1975 opgesteld en vastgesteld door de Deputaten voor de eenheid van de Gereformeerde belijders in Nederland van de Christelijke Gereformeerde Kerken, en de Commissie voor samenspreking van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt, buiten verband), die als bijlage is opgenomen in het boek. ‘De overweging dat Janse nooit is losgekomen van zijn bevindelijke wortels, doet hopen dat mensen die door kerkscheuringen uit elkaar zijn gegroeid, wellicht dieper aan elkaar verbonden zijn dan zij soms hebben gedacht’ (241). Deze waardevolle studie houdt ons de spiegel voor dat polemiek weinig vruchtbaar is. Het oprecht luisteren naar wat de ander (ook!) in de Schrift heeft gehoord, schept verbondenheid. Heel concreet. Het is wezenlijk voor een ieder die iets over het verbond wil zeggen.
M.A. KUIJT, WIJK (BIJ HEUSDEN)


Mariska Dijkstra-Wolters Tjonge jongens! Ontdekkingstocht voor moeders met zonen. Uitg. De Banier, Apeldoorn; 220 blz.; € 17,95.
Dit boek kan het beste beoordeeld worden door een moeder met zonen, want daar gaat dit boek over. Desondanks had de tekst mij, als vader van twee zonen en een dochter, direct te pakken. Ook voor een vader is het handig iets af te weten van de voorkeuren van jongens.
De schrijfster, zelf moeder van drie zonen en redacteur bij het Reformatorisch Dagblad, heeft door het bevragen van meer dan 100 moeders en met behulp van kennis van pedagogen, psychologen en leraren een zeer informatief boek geschreven. Ze maakt duidelijk dat een gezinscultuur een bepaalde kleur krijgt, wanneer het huis vooral door mannen bevolkt wordt. Jongens vinden andere dingen leuk en belangrijk dan meisjes. Ze houden over het algemeen van beweging, techniek en computers. Ze voetballen graag, houden van schietspelletjes en crossen met auto’s. Deze voorkeuren gaan natuurlijk niet altijd op. Er zijn tal van jongens die niet in dit plaatje passen.
Veel van deze gegevens zijn algemeen bekend. Het vernieuwende van het boek is echter dat er aandacht gevraagd wordt voor de rol van moeders ten opzichte van hun zonen. Jongensgedrag vraagt van moeders opvoedingsvaardigheden die soms tegen hun gevoel indruisen. Je moet niet per se oogcontact willen maken als je met jongens praat.
Stoeien moet je niet altijd uitleggen als ruzie. Om hen te bereiken moet je zo nu en dan met jongensactiviteiten proberen mee te doen, zoals hutten bouwen, ballen gooien en ravotten. Tegelijk ben je geroepen om te midden van veel actie en beweging duidelijke grenzen te stellen. Dit zijn vaardigheden die overigens ook voor vaders van belang zijn.
De auteur heeft er goed aan gedaan ook aandacht te besteden aan de godsdienstige opvoeding van jongens. Bij jongens ligt er niet zo’n nadruk op gevoel en empathie, wat voor meisjes belangrijk is, maar op de feiten. In preken wordt op het eerste veelvuldig een beroep gedaan. Dit roept de vraag op of dominees zich onbedoeld niet te veel richten op hun vrouwelijke hoorders. Dijkstra-Wolters geeft boeiende en uitdagende inkijkjes in opvoedingssituaties met vooral jongens. Het boek is aantrekkelijk opgemaakt en bevat korte portretten van moeders die iets over hun gezin vertellen en een aantal ‘prikborden’ met informatie en adviezen.
A. DE MUYNCK, HENDRIK IDO AMBACHT

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.