+ Meer informatie

KERKGESCHIEDENIS.

§ 3. Het Hoofd der Kerk en Zijn prediking.

4 minuten leestijd

Over de prediking van den Heere Jezus is nog wel 't een en ander te zeggen. Christus gaat ook in tegen de onder de Joden gangbare opvatting omtrent den Messias en het Rijk, dat Hij zal stichten. De Heere Jezus vat de zaken in de kern aan. De Joden zouden er genoegen mee genomen hebben, wanneer de Messias hen zou verlost hebben van het Romeinsche juk, waar zij onder zuchtten, en een aardsch vrederijk zou gesticht hebben. Maar Gods plan was totaal anders. Die overheersching door menschen was de hoofdzaak niet. Daar ging het niet om. Het was maar een gevolg van iets, dat veel dieper zat. Die overheersching had een oorzaak en bij den Heere Jezus gaat het er nu om, die oorzaak bloot te leggen en weg te nemen. Dan zou vanzelf het gevolg, de tyrannie van menschen, ophouden. De oorzaak ligt in de tyrannie van Satan, die hij uitoefent in elk menschenhart. Indien de macht des duivels gebroken werd, dan was het op den duur met alle menschelijke tyrannie ook gedaan. Dan pas kon er een waarachtig, duurzaam, ja eeuwig Vrederijk gesticht worden.

De Heere Jezus legde dus de nadruk op de geestelijke zijde van de dingen. Zoo liet Hij ook zien, dat het Oude Testament geestelijk moest worden bezien. De profetiën zouden op geestelijke wijze hun vervulling vinden in Hem. De Heere Jezus bezag dus de Wet en de Profetiën met geheel andere oogen. Zoo kregen ook alle ceremoniën en symbolen een geestelijke beteekenis: Het bloed van stieren en bokken kon de zonden niet wegnemen. Ze waren maar profetie van het Goddelijke Lam, dat geslacht moest worden, om de zonden der wereld weg te nemen.

Het Oude Testament eischte dus den dood van den Messias. Alleen door te sterven was het voor Christus mogelijk, om Zijn volk te bereiken. Dat doel was: De overwinning op alle vijanden, aardsche, maar ook geestelijke.

Wie zijn nu Zijn discipelen? Allen, die ééne planting met Hem worden. Allen dus, die de geestelijke zijde van het leven, van Gods Woord, leeren kennen. Allen, die gelooven en aanvaarden, dat zij niet voor Gods aangezicht kunnen bestaan, maar wederom geboren moeten worden, een nieuw hart en een nieuwen geest moeten ontvangen en de mogelijkheid daartoe alléén zien buiten zichzelf in Christus. Allen, die zich onvoorwaardelijk aan God overgeven, om door Hem met Hem verzoend te worden en gereinigd van alle zonden.

Zulke menschen waren er ook onder de Joden tijdens Jezus' omwandeling op aarde. En sommigen van hen heeft Jezus opdracht gegeven, om te prediken, om het Evangelie te verkondigen, de goede boodschap van genade en zaligheid voor ellendige zondaren, voor armen van geest, voor treurenden, voor hongerenden naar de gerechtigheid.

Die menschen konden niet maar dadelijk gelooven, dat de Messias, Dien zij gevonden hadden, moest lijden en sterven en ten derden dage opstaan. Zij hadden gekozen vóór Jezus, maar ze moesten nog véél leeren. Ze moesten ervaren, dat God rechtvaardig was, en de zonden van Zijn kinderen niet anders, dan dooi den dood van den Godmensch, vergeven kon. Alleen zóó kon het

„nieuwe Verbond" ingewijd worden. Het nieuwe Verbond, waarin elke eisch tevens een belofte is.

Wij hebben bij deze prediking van den Heere Jezus zoo uitvoerig stilgestaan, omdat die toch eigenlijk de grondslag van de Kerk is. In die prediking hebben we het nieuwe beginpunt van den draad, die we straks door de geschiedenis volgen moeten. Die prediking door woord, maar vooral ook door daad, is de grondslag, waar de Kerk op moet bouwen. Dat was het Evangelie, dat de discipelen straks als Apostelen, (gezondenen) overal in de wereld moesten verkondigen.

Die prediking had een totaal anderen inhoud dan de Joodsche Wetsgodsdienst en aardsche. politieke Messiasverwachting. Het stak er hoog boven uit. Toch zal uit 't vervolg blijken, dat datgene, wat Jodendom en Christendom gemeenschappelijk hadden, van grooten invloed is geweest op den gang van het Evangelie door de wereld. De Joden hadden zich namelijk buitengewoon uitgebreid. In alle deelen van de toen bekende wereld waren Joden te vinden, voornamelijk in de groote handelssteden. In Babylonië, Mesopotamië, Egypte, Syrië, Klein-Azië, ja zelfs in Griekenland en Italië, hadden zich in den loop der jaren vrij groote kolonies van Joden gevestigd. Daar hadden ze ijverig getracht, cm heidenen te winnen voor hun godsdienst. Zulke heidenen, die zich tot het Jodendom bekeerden, werden ..Jodengenooten" of , , Godvreezenden" genoemd. En de Apostelen, die evenals de Joden, niet véle goden, maar slechts cén God predikten, die niet gezien, noch afgebeeld kan worden, vonden vaak in die „Jodengenooten" de eerste volgelingen en geloovigen. Dat zien wij telkens in het boek der Handelingen, voornamelijk op het Pinksterfeest.

Zoo is het Jodendom, dat Christus toch zoo bitter vijandig gezind was, door Gods souvereine voorzienigheid gebruikt, om den weg te banen in de heidenwereld voor den zegetocht van het Evangelie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.