+ Meer informatie

DE WARE SCHULDBELIJDENIS

„En de zoon zelde tot hem: Vader, ik heb gezondigd..."

3 minuten leestijd

Hoe weet ik, of de kennis van mijn ellende diep genoeg is? Waaraan weten we, of de zondekennis van de jongste zoon uit deze gelijkenis echt was?

Dat weten wij niet van tevoren, wanneer de zoon nog in het vergelegen land is: daar is wel inkeer geboren, maar er is ook nog de kracht om de vader een voorstel te doen: maak mij als een van uw huurlingen. Is de verloren zoon opgestaan uit slaafse vrees, of uit kinderlijke vreze? Gewoonlijk stellen wij het ons als volgt voor: De verloren zoon komt thuis, eindelijk. De vader ziet hem van verre, en dan: ja, zoon, val nu eerst maar in het stof, en laat je schuldbelijdenis maar eens horen, val God nu toe in Zijn recht, dèn zal de vader je oprichten, als je belijdenis écht is tenminste, en zo zal God je in genade aannemen.

O, wanhoop — wanneer weet ik, of mijn schuldbelijdenis echt is, echt genoeg is? Christus Zelf stalt in deze gelijkenis het enige ware Evangelie uit, dat van wanhoop verlost, omdat Hij ons hier de hartslag van Zijn eeuwige Vader doet horen:

In de Zoon — de Enige en Eniggeborene — breekt de ontferming van de Vader over verloren zonen zo door, dat Hij Zelf ons tegemoet snelt, ons in de armen sluit, geen woord spreekt, ons insluit in Zijn liefde, terwijl wij nog geen woord hebben kunnen spreken, geen belijdenis van schuld nog hebben kunnen voortbrengen — zó, zoals we zijn, geheel nooddruftig, arm en naakt, zijn we ingesloten in de vaderarmen, vallen daarin letterlijk God toe in Zijn recht, en dan, ja, dèn, liggend aan het hart van de Vader, wordt de belijdenis van onze schuld voortgebracht. En dan luistert de Vader, zonder Zelf een woord te spreken, of hier een slaaf of een kind in Zijn armen rust.

Dan wil de Vader het horen! Is hier een slaaf in Zijn armen — dan volgt geen schuldbelijdenis, dan denkt het hart: ik ben weer thuis, alles is goed, waarom zou ik mezelf zo vernederen mijn schuld nog uit te spreken?

Maar het kind, de kinderlijke vreze: zie, daar breekt het hart, nu breekt het, het verdraagt deze toesnellende, deze opzoekende liefde van God in Christus niet, de omarming, de warmte — nu breekt alles in het kind, het hoort het hart van de Vader kloppen, en de Vader luistert: Vader, ik hèb gezoridigd.... Daarin, dat God in Christus mij aan Zijn hart drukt, wordt mijn hart leeggeperst. Dit is voor God mijn hart en léven buiten het erf van het verbond van Zijn genade: ik ben niet meer waard uw zoon genaamd te worden.

En wanneer de Vader deze taal gehoord heeft dan drukt de Vader het kind als dood van liefde, het kind sterft onder de liefde van deze Vader, zodat de voorgenomen woorden : maak mij als een van uw huurlingen, niet meer over de lippen komen. Deze laatste rest van leven in mijzelf wordt gesmoord in de liefde van de Vader.

Dit nu is het Evangelie, de glans en heerlijkheid van de Vader in de Zoon door de Heilige Geest.

En hieraan weet ik in leven en in sterven, of mijn zondekennis echt en diep genoeg is: te weten door de Geest van de Vader en de Zoon dit ene: wanneer de Vader een verloren zoon om de hals valt. Hij eigenlijk Zijn eniggeboren Zoon omhelst, en onder deze liefde bezwijk ik, sterf ik. Vader, ik heb gezondigd...

Over dit sterven ruist het leven: van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest — tot in eeuwigheid.

Epe

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.