+ Meer informatie

“DE GELOOFWAARDIGHEID VAN DE BIJBEL” *)

10 minuten leestijd

Gesteid kan worden dat de kerk geboren is uit het Woord van God, leeft van de Heilige Schrift, staat en valt met de Bijbel. Waar die Bijbel, de Heilige Schrift niet (meer) beleden en beleefd wordt als het Woord van God, daar is de kerk misschien nog wel een gemeenschap - in de zin van grotere of kleinere menigte mensen -, maar geen geméénte van Christus, ook al kunnen generaties-oude tradities de zaak nog lang overheid houden. De vraag hoe wij de Bijbel benaderen, gehoor geven aan dat Woord van God, is van levensbelang, niet in de laatste plaats voor ambtsdragers in die gemeente en ten behoeve van die gemeente die mede door hun dienst geroepen en aangesproken wordt door dat Woord van God.

Gelet op de hoge waarde van de Bijbel is het geen wonder dat er de eeuwen door veel te doen is geweest over en random de Bijbel. Dr. B. Loonstra heeft ons aan zich verplicht door ons breed en diepgaand hieromtrent te informeren in de publikatie die hij onder de titel die boven dit artikel staat. heeft uitgegeven. Het is geen gemakkelijk boek, maar zeker voor ambtsdragers de moeite waard er kennis van te nemen. Immers met de problemen die erin worden behandeld, worden ook zij geconfronteerd bij hun pastoraat in de gemeente. Hoe gevarieerd ook, de vraag naar de ‘geloofwaardigheid’ van de bijbel is moeilijk te ontgaan - tenzij laf ontvlucht. Met de uitdrukking ‘geloofwaardigheid’ stelt dr. Loonstra de behandelde problemen aan de orde die bij het lezen en onderzoeken van de Bijbel, vooral in onze kritisch ingesteld tijd, (kunnen) opkomen.

Nadrukkelijk stelt de schrijver zijn ‘grondovertuiging’ voorop dat de Bijbel het Woord van God is. Afgedacht van kwesties die kunnen rijzen met betrekking tot handschriften en vertalingen, die ‘grondovertuiging’ dat God “op Zijn Woord” te geloven, te vertrouwen is, wordt bij herhaling uitgesproken met name in de eerste en de laatste paragrafen. Dit is geen rationeel te bewijzen stelling. Dit is een zaak van geloof, die ‘principiële geloofwaardigheid’ - zoals deze ‘grondovertuiging’ ook wel wordt omschreven (deze behoeft niet te worden ‘aangetoond’, want die is gegeven met de fundamentele aanvaarding van de Bijbel als Gods Woord tot ons - blz. 212). Deze nadruk dient in rekening te worden gebracht wanneer het gaat over - wat genoemd wordt: - de ‘praktische geloofwaardigheid’ van de Bijbel. Want als de schrijver in zijn boek de ‘oneffenheden’, ‘onvolkomenheden’, onregelmatigheden’, ongerijmdheden’, tegenstrijdigheden’ en ‘afwijkingen’ - altemaal woorden die in dezen worden gebruikt - die men in de Bijbel heeft geconstateerd of geconstrueerd, aan de orde stelt dan doet hij dat ‘in feite’ als ‘de zoveelste poging hierin een begaanbare weg te wijzen’ (102) en dat kennelijk ‘om recht te doen aan de unieke geloofwaardigheid van de bijzondere boodschap van de Bijbel’ (168). Maar bij de uitwerking hiervan wil de schrijver naar het lijkt, zo objectief en eerlijk te werk gaan dat bij oppervlakkige lezing de indruk kan ontstaan dat een “begaanbare” weg weihaast alleen gedicteerd wordt door hen die zijn ‘grondovertuiging’ niet of nauwelijks delen.

Ook al wordt het in dit boek niet expliciet aan de orde gesteld, in het kader van dit artikel is het m.i. goed te herinneren aan het feit (!) dat de mens die ‘als God’ wilde zijn, zichzelf ten maat en autonoom, ‘kennende goed en kwaad’, dat die mens steeds weer God en de naaste de “maat” wil nemen en de “wet” wil lezen. Wat dat betekende en betekent voor de menselijke samenleving: de mens overgegeven en overgeleverd aan zichzelf, verwezen naar en aangewezen op zichzelf, heeft de geschiedenis wel bewezen tot de huidige dag (het oudtestamentische ‘geweld’ inbegrepen - 45v.). God had het absolute oordeel aan de mens kunnen voltrekken, maar in Zijn souvereine genade zocht Hij die mens op, sprak hem aan, hep hem ter verantwoording, stelde die mens in verantwoordelijkheid tegenover God en de naaste. De mens fungeerde daarbij niet als een machine, een automaat, niet als ‘stok en blok’. En Zijn “aanspreken”, “roepen” was niet een dictaat vastgelegd op plaat of band (als The Book of Mormon). Hij schakelde mensen in toen Hij zich openbaarde, te kennen gaf in Zijn Woord en in Zijn werk, met hun hele persoonlijkheid en met heel hun levenscontext, opdat geen moment hun verantWOORDelijkheid op non-actief gesteld zou worden (en in de lijn van de voortgaande openbaring is het niet de Conventie van Genève - 46 - die inzake het zojuist genoemde ‘geweld’ als ‘normatief’ tegenover het Oude Testament gesteld kan worden, maar het kruis van Golgotha, waar al het geweld van het oordeel losbrak tegen Jezus Christus: Mij komt de wrake toe; hebt - daarom - uw vijanden lief!). In de Bijbel komt via tijd- en cultuurgebonden mensen Zijn Woord tot ons.

Nadat dr. Loonstra in hoofdstuk 1 de ‘Geloofwaardigheid als gegeven’ heeft benadrukt en a.h.w. en passant heeft getoond dat Kuitert die van de klassiek-gereformeerde bijbelbeschouwing niets moet hebben, ‘toch de pretentie heeft iets over boven te zeggen dat algemeen geldig is (namelijk: God spreekt niet door de Bijbel tot ons)’ en zo verraadt dat zijn natuur sterker is dan zijn leer (21), stelt hij in hoofdstuk 2 de ‘Problemen met de praktische geloofwaardigheid’ aan de orde. Een brede - om zo te zeggen -inventarisatie volgt: de vrees van Kaïn, de vrouwen van Esau, de naamgeving van Mozes, het aantal Israëlieten enz. enz. Het gaat niet alleen om ‘interne ongerijmdheden’, maar ook om problemen op grand van ‘buitenbijbelse informatie’ en om vragen over ‘normatieve geldigheid’, waarbij aan de orde komen: aardlagen en fossielen, de zonen Gods, Jericho en Ai, het reeds genoemde geweld in het Oude Testament, de plaats van de vrouw en het gebruik van het Oude Testament in het Nieuwe. Het zou te ver voeren op elk van de gestelde problemen en vragen in te gaan. De huisbezoekers en catecheten onder ons weten wat er in dezen gaande is. Dr. Loonstra schrijft die problemen en vragen niet met een machtspreuk af maar gaat erop in.

In de twee volgende hoofdstukken wordt het vraagstuk van de praktische geloofwaardigheid benaderd vanuit de geschiedenis van de schriftuitleg. De schrijver bespreekt op boeiende wijze ‘enkele hoogtepunten’ in dezen ‘die door hun onderlinge verschillen duidelijk maken dat iedere tijd op zijn eigen wijze heeft getracht de praktische strekking van het principieel beleden gezag van de Bijbel te bepalen’ (53). Achtereenvolgens worden behandeld: Calvijn en het humanisme, Voetius en het cartesianisme, Bavinck en de ethische theologie, Barth in vergelijking met Bavinck en de ethischen, Origenes en de allegorese, Gereformeerde theologen en de grenzen van de letterlijke schriftzin (o.a. Coccejus), Hamann over teken en betekenis, alsmede literaire vormen met overdrachtelijke betekenis. Uiteraard komen de verschillende punten uit het tweede hoofdstuk opnieuw naar voren. Weer is het verleidelijk een en ander uit deze hoofdstukken weer te geven, maar de ruimte ervoor ontbreekt. Min of meer samenvattend is te zeggen dat de vraag eens in het Paradijs gesteld: Kan God op Zijn woord geloofd worden? - en toen ontkennend beantwoord -, in de loop van de geschiedenis niet tot zwijgen is gekomen. Het ‘uit God, door God en tot God zijn alle dingen’ van de Reformatie - die zich ontworstelde aan de Roomse opvatting dat de Bijbel op gezag van de kerk Gods Woord is, - werd gaandeweg via humanisme en rationalisme vervangen door het “uit de mens, door de mens, tot de mens” (er is vaker aan herinnerd in ons blad) - het “op gezag van de kerk” maakte voor velen a.h.w. plaats voor “op gezag van de geleerden” die de gestelde vraag alleen onder hun voorbehoud wilden behandelen. Het is goed kennis te nemen van wat Loonstra vrij breedvoerig bespreekt inzake het verweer daartegen van mensen als Calvijn, Voetius, Bavinck enz. Met name wat dr. Loonstra betreffende de ‘organische inspiratie’, zoals deze door Bavinck is beschreven, weergeeft in twee paragrafen, is ten volle de aandacht waard, juist in verband met de vooropgezette ‘grondovertuiging’. Natuurlijk moeten we verdisconteren dat Calvijn, Voetius, Bavinck mensen waren die in hun eigen tijd en context leefden (Loonstra betrapt Bavinck op een inconsequentie! - 89). De ‘organische inspiratie’ die de bijbelschrijvers niet tot ‘stokken en blokken’ maakte, betekent geen ‘accommodatie’ in ongunstige zin, maar wil tot uitdrukking brengen dat de hen inspirerende Geest aansluit bij, rekening houdt niet alleen met hun persoonlijkheid maar ook met hun levenscontext (zie boven), opdat recht gedaan zal worden ‘aan de verschillende aspecten van de Bijbel als Gods Woord in menselijk schrift, waarbij wat mensen gezegd en geschreven hebben zo in dienst staat van de Heilige Geest, dat wij daarin het betrouwbare Woord van God ontvangen hebben, de heilsopenbaring, waarvan Christus het middelpunt is’ (Van Genderen en Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, 89).

De laatste drie hoofdstukken gaan over de ‘Werkelijkheidsbeleving in de Bijbel’, ‘De eigen aard van de bijbelse geloofwaardigheid’ en ‘Geloofwaardigheid en contextualiteit’. In deze hoofdstukken spitst de schrijver zijn betoog toe op de ruimte die hij nodig acht voor een ‘overdrachtelijke uitleg’ om uit de in de eerste hoofdstukken gesignaleerde ‘problemen’ te komen terwille van de ‘geloofwaardigheid van de Bijbel’. Of dr. Loonstra geslaagd is met zijn betoog? Het lijkt mij niet eenvoudig hierop zonder meer positief te antwoorden. Opvallend is dat hij in deze hoofdstukken steeds weer zo over de ‘bijbelschrijvers’ schrijft, dat daarbij zijn ‘grondovertuiging nauwelijks resoneert, alsof ’t alleen om hèn gaat. Over hùn ‘indrukken’, hùn ‘voorstellingen’ wordt gesproken over hùn ‘belevingswereld’, hùn ‘waarheidsbegrip”, op een gegeven moment zelfs over: ‘men’ heeft leren kennen, ‘men’ zag, ‘men’ is gaan lezen (201) enz. alsof die ‘grondovertuiging’ er niet of nauwelijks meer toe doet. Onwillekeurig komen er dan allerlei vragen op. Wat wordt er concreet bedoeld met ‘historische kern’ en ‘interpreterende aanwas’ (196)? Als erover ‘natuurwetenschap’ in verband met de schepping wordt gesproken, wordt dan het feit dat er verschil bestaat tussen natuurwetenschap en natuurfilosofie, voldoende in rekening gebracht? Onze woorden en werken spreken elkaar maar al te vaak tegen, maar vanuit de ‘grondovertuiging’ stellen we toch zonder meer dat Gods werk Gods Woord niet weerspreekt, ook al kunnen wij niet alles kloppend krijgen? Wat bewijst het ontbreken van de ruines van Jericho en Ai ten tijde van de intocht? Er is in ‘bijbels perspectief’ over de relatie resp. positie van man en vrouw toch nog wel iets meer op te merken dan verschil in cultureel-historische zienswijzen (198 - verg. artikel in AC 1986-629 en de vragen die daarin gesteld worden)? In verband met het laatste: rijmt het verbod van onderricht door een vrouw omdat haar man dan ‘aan haar onderworpen zou zijn’ (204), wel met de laatste zinnen van het boek: ‘als mijn vrouw mij op een bepaald punt advies geeft en ik luister naar wat zij zegt, dan ken ik haar de positie van adviseur toe. Ik onderwerp mij aan haar woorden en in die positie verleen ik haar gezag’ (223)? De vraag of hier sprake kan zijn van een ‘functioned’ en (daarom?) conditioned wisseling van ‘hoofd’, laat zich maar met moeite onderdrukken.

Het zal duidelijk zijn dat bij alle waardering voor het gebodene, met name het slot van dit boek schrijver dezes heeft teleurgesteld. Zouden de voorgestelde “leesregels’ hem geholpen hebben toen hij als Afgescheiden student in Groningen met de op humanisme en rationalisme gebaseerde schriftbenadering werd geconfronteerd? Enige twijfel lijkt hem niet uitgesloten. Heeft de ‘grondovertuiging’ die dit boek ten diepste draagt, déze regels nodig om overeind te blijven en met de ‘problemen’ klaar te komen? Als ‘denkbeeiden die in hun overgeleverde vorm de onze niet meer kunnen zijn’, als ‘bijbelse voorstellingen die de beperktheid van onze eigen werkelijkheidsbeleving in het licht stellen’ en als terwille van ‘de betuigde heilswerkelijkheid’ onvervangbare ‘voorstellingen’ ongemoeid gelaten moeten worden, dankzij ‘overdrachtelijke uitleg’ allemaal keurig kloppend zijn te maken, waar is dan de ‘grondovertuiging’ in verantwoordelijkheid en geloof?

*) Dr. B. Loonstra, De geloofwaardigheid van de bijbel. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer. 228 blz. f 35,-.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.