+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

46.

En nu ging het weer verder tot zij de Liefelijke Bergen bereikten. Hier maakten zij kennis met de herders, die hen hartelijk welkom heetten. Toen zij zagen dat Stoutmoedig, die zij van vroeger kenden, zovelen bij zich had, zeiden zij: „Waarde vriend, gij hebt een talrijk gezelschap daar bij u. waar hebt gij die allen toch verzameld’ “ Toen zei Stoutmoedig:

Hier ziet gij eerst Christinne met haar stoet,
Haar zonen en hun vrouwen; zij gelijken
ten Wagen, die gij ’s nachts omhoog ziet prijken.
Zij houden ’t bij de pool en welgemoed
Gaan ze op ’t kompas, en sturen van de zonden
Voort tot genâ; dies zijn zij hier gevonden.
Dan d’ oude Eerlijk op zijn pelgrimstocht,
Voorts Lichtvertraagd. van wie ’k betuigen mocht
Dat hij is als Kleinmoedig waar van zin.
Gaarne ging deez’ met ons ’t pelgrimsleven in.
Nog zie ’k de goede man Neerslachtig komen,
Zijn dochter Zeerbevreesd volgt hem met schromen.
Zegt, wacht in deze plaats ons gastvrijheid,
Of moeten wij nog verder? Geeft bescheid.

Toen zeiden de herders: „Dit is een aangenaam gezelschap, dat ons van harte welkom is. Wij hebben steun voor de zwakken en ook verkwikking voor de sterken. Onze Vorst /iet met een oog vol liefde op hetgeen ook voor de minste der Zijnen is gedaan. Geen zwakheid zal de ontvangst minder hartelijk doen zijn. Komt binnen, Kleinmoedig en Lichtvertraagd; kom Neerslachtig, kom binnen met uw dochter Zeerbevreesd! Wij roepen deze met name„, gingen zij voort, zich tot Stoutmoedig wendende, „omdat zij zo licht zich laten afschrikken; maar gij en allen die sterker zijt dan zij, gij kunt doen zoals gij gewoon zijt”. Hierop antwoordde Stoutmoedig: „Hieraan zie ik dat gij herders zijt van mijn Koning, en dat Zijn genade zich afspiegelt in uw gelaat, want gij hebt de zwakken niet afgestoten of belemmerd, maar hun weg naar het paleis met bloemen bestrooid, gelijk het betaamde”.

Nu gingen de zwakken en Kleinmoedig naar binnen en Stoutmoedig en de overigen volgden. Toen allen zich hadden neergezet, zeiden de herders tot de zwakkeren: „Wat is uw verlangen? Want alles is hier ingericht om de zwakken te ondersteunen en om de onge-duldigen volgzaamheid te leren”. En nu werd een avondmaaltijd aangericht, waarbij voor de hulpbehoevende zachte, licht verteerbare spijzen werden opgezet, en toen allen zich verkwikt hadden, werd aan ieder een geschikt slaapvertrek aangewezen, waar zij zich ter ruste konden begeven.

De weg naar het paleis werd, en wel inzonderheid voor de zwakken, met de geur van schone bloemen door de herders veraangenaamd, om alle vrees en schuchterheid weg te nemen. Bloemen vanuit het hof der hoven waardoor de liefelijke geur van het Evangelie verspreid werd tot een reuk des levens ten leven. Want die heerlijke reuk kan alleen een reuk des doods ten dode zijn als zij door het afkerige zondaarshart versmaad wordt.

Toen de morgen was aangebroken en het helder dag was, nodigden de herders hen uit nog enige merkwaardigheden te bezichtigen. Zo brachten zij de pelgrims, nadat dezen zich verfrist en voedsel genomen hadden, naar buiten, naar het vrije veld en vervolgens naar een berg, Wonder genaamd. Daar zagen /ij een man staan, die door zijn woorden bergen verzette. Zij vroegen de herders wat dit kon betekenen en dezen gaven hun ten antwoord: „Die man is de zoon van een zekere Grote Genade, van wie gij in de reisbeschrijving van de Pelgrim hebt kunnen lezen. Hij moet de pelgrims leren, hoe zij de schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden op hun weg door het geloof kunnen overwinnen”.

In het geloof gaat het altijd om het wonder van Gods genade, want telkens komen de reizigers naar Sion te staan voor bergen van onmogelijkheden. Het is een wonder als ge voor de Ileere moogt bukken in het stof der verootmoediging. Een wonder als u opnieuw moogt uitroepen: „Ik zal u hartelijk liefhebben, Heere mijn sterkte!” De onvoorwaardelijke overgave aan de Heere is en blijft een wonder. Staat u van verre, kunt u Christus niet door het geloof omhelzen als uw Borg en Zaligmaker.’ Maar dat kan wel door hel wonder van de genade des geloofs, want dan gaat het vanzelf Hem aan te nemen als geschenk van de Vader, Hem te kussen en te omhel/en als uw Zaligmaker. Voor Gods kind is het een wonder van genade straks opgenomen te mogen worden in de eeuwige heerlijkheid. Het zalig worden is echt geen rekensom vanuit de mens, het is en blijft een wonder van Gods genade. Maar daarom dan ook alleen kan het wel duizendmaal.

n nu gingen zij naar een andere plaats, genaamd de berg Onschuld, en daar zagen zij een man in het wit gekleed. Niet ver van hem af bevonden zich twee anderen: Vooroordeel en Kwaadwillig, die niet ophielden hem met allerlei vuil te werpen. Maar hoe zij hem ook mochten werpen, het vuil viel terstond weer van zijn kleding af, die vlekkeloos rein bleef. „Wat heeft dit te betekenen?” vroegen de pelgrims. „Wel”, zeiden de herders, „deze man heet Godvrezend en zijn kleed toont hoe rein zijn leven is. Zij, die hem met vuil werpen, haten hem om zijn godsvrucht, maar Zoals gij zelf niet, het vuil kan zijn gewaad niet bezoedelen, omdat hij zichzelf ombesmet bewaart. Wie zulke mannen wil verontreinigen, doet vergeefs werk, want na een wemig tijds zal (iod hun gerechtigheid doen voortkomen als hel licht, en hun recht als de middag”.

„Zalig zijl gij”, zegt de Heere Jezus, „als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alk-kwaad tegen u spreken om Mijns naams wil”. Door te wandelen op de weg der gehoorzaamheid in heiligmaking, komt u daarmee een ieder te veroordelen die leeft naar het goed dunken van zijn verdorven hart. En daar zij dat niet overnemen tol bekering, wordt u door die mensen met leugen en laster veroordeeld. Maar dat geeft u stof de Heere te prijzen daar u door de kracht van Zijn genade moogt wandelen in Zijn wegen en wijken van dat kwaad.

Nu werden zij gebracht naar een hoogte, genaamd Liefdadigheidsberg. Daar werd hun een man getoond, die een rol laken voor zich had uitgespreid, en daarvan sneed hij klederen voor de armen, die hem omringden; maar hoeveel hij ook weggaf, zijn voorraad werd niet minder. Toen vroegen zij: „Wat betekent dit’.’ “ „Dit betekent„, was het antwoord van de herders, „dat wie waarlijk een hart heeft voor de armen, nimmer gebrek zal hebben aan het nodige. De zegenende ziel zal vet gemaakt worden. De weduwen van Sarepta die de profeet des Heeren onderhield, zag de olie en het meel niet verminderen”.

Hier gaat het om het geheim van het geven. Het is zaliger te geven dan te ontvangen. Maar die ontvangt kan ook weergeven. Het geheim is van Goddelijke oorsprong. Gods heerlijkheid schittert in het geven. Bij de schepping van hemel en aarde gaf God leven, licht, vrede, blijdschap en zaligheid. Hij versierde ons met Zijn beeld. En zo was de mens in staat zijn God te dienen en te verheerlijken. De Heere Jezus heeft gezegd: „Geeft Gode wat Gods is”. Maar veel meer geeft God tot redding en zaligheid van zondaren. Hij geeft Zijn Zoon, Zijn Geest, en Zichzelf, Zijn hemel en aarde. Zijn eer geeft Hij geen anderen, daarin is de bewegende oorzaak van het Goddelijk geven. Het is de vreugde van de liefde te geven in het natuurlijke en in hel geestelijke leven. Maar wij zijn en blijven altijd afhankelijk van het Goddelijk geven. Uit al de liefde van ons hart door Hem geschonken, zullen wij Hem eeuwig lieven en loven.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.