+ Meer informatie

Naar de katechisatie

5 minuten leestijd

121

HET GELOOF (9)

C) Het vertrouwen (vervolg)

Het derde element in het zaligmakend geloof is het VERTROUWEN des geloofs. We merkten in onze vorige les daarbij reeds op, dat de werkzaamheden of de oefeningen van het geloof onderscheiden liggen in trap en maat. De Bijbel laat ons dit zien. Het Oude Testament geeft twee Hebreeuwse woorden aan voor het vertrouwen des geloofs, namelijk het woord „batach” en „aman”. „Batach” wijst op „vertrouwend toevluchtnemen”. We vinden dit woord in Jes. 30 : 15: „Want alzo zegt de Heere Heere, de Heilige Israëls: Door wederwerking en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in VERTROUWEN zou uwe sterkte zijn.” Zo ook in 2 Kon. 18 : 19, 20 en 21; Psalm 13 : 6; ps. 31 : 7 enz.

Het woord „aman” geeft „vastheid”, „zekerheid” aan. Vergelijk ons woord „amen” als besluit van het gebed. Jezus sprak menigmaal: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u.” Dan staat er ook in het Grieks het woord „amèn”.

Ook het Oud-Testamentische woord „aman” betekent: vast, zeker zijn. Deze betekenis vinden we in Jes. 7 : 9: „Indien gijlieden niet gelooft (aman), zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.” En in Gen. 15 : 6: „En hij geloofde (aman) in den Heere en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Ook het Nieuwe Testament heeft twee woorden voor vertrouwen, nl. als toevluchtnemend vertrouwen, zichzelf iemand toevertrouwen, zich aan iemand vertrouwend overgeven (o.a. Lukas 24:25), Rom. 9:33, Rom. 10 : 11 e.a.) en als VERZEKERD vertrouwen. Daarop wijst het woord, dat Paulus gebruikt in Rom. 8 : 38: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven enz.” Het heeft de betekenis van „overreed, overtuigd, zijn.”

We kunnen met Comrie dus spreken van een „toevluchtnemend” geloof of vertrouwen en van een „verzekerd” vertrouwen.

Veel voorbeelden zouden te noemen zijn. Denk slechts aan die schone geschiedenissen van b.v. de Kanaanesche vrouwe, de bloedvloeiende vrouw, de hoofdman te Kapernaum. Zij hebben uit de nood van hun leven de toevlucht mogen nemen door het geloof tot Christus, als de enige en volkomen Medicijnmeester en Verlosser. De Kanaanesche vrouw wist zelfs van Jezus, dat Hij de Zoon van David was, ja, de Heere als de Zoon van God!

We zien dus, dat in het toevluchtnemend geloof de ziel werkzaam is. Om weer de Kanaänesche vrouw tot voorbeeld te nemen, zij kwam met de nood van haar leven tot Jezus. Zeker, het ging wel om genezing van haar dochter, die door de duivel deerlijk bezeten was, maar die ellende en nood was haar ellende geworden. Zij had die ellende van haar kind zelf gevoeld. O, die vreselijke macht van de zonde en van de duivel! Waren er geen zonden, zo waren er geen wonden.

Ouders! hebt u te doen gekregen met de nood van uw arme ziel? Dan krijgt u ook te beseffen en te doen met het ziele-heil van uw kinderen!

Lieve jeugd! Heb je al gezien bij jezelf, hoe ontzettend de macht van de zonde is, hoe verdervend de dienst van satan en van de wereld is? O vraag toch, of Gods Geest je dit laat zien en bewenen. Dat Hij je tot die ware keus des harten brengt, zoals die van Mozes en van Ruth.

Die Kanaanesche vrouw had ook nergens baat gevonden. Maar zij hoorde het gerucht van Jezus, van Zijn prediking en van Zijn daden. En zij kreeg het geloof om de toevlucht tot Hem te nemen.

Haar geloof werd wel zwaar op de proef gesteld. Denk eens even in, wat dit voor haar geweest is: geen antwoord van Jezus op haar roepen, een schijnbare afwijzing. Maar zij mocht a a n h o u d e n met roepen, zij kon niet terug gaan, want.... de Heere hield haar als met onzichtbare Hand vast. Ja, meer, zij mocht Hem aangrijpen in Zijn Godheid, als de ware Messias! En de Heere brengt haar tot hartgrondig belijden. Zij mocht de Heere toevallen in Zijn recht: Ja Heere! Ik ben een hondeke, een onreine heidin, ik heb geen recht op Uw hulp. Kent u hiervan iets, lezer(es) ? O, dat is zulk een zalig buigen en vallen. Een plaats als kind aan ’s Heeren tafel achtte zij zichzelf niet waardig, maar het geloof in het heil, dat ook straks de heidenen zal ten deel vallen, deed haar pleiten: „doch de hondekens eten ook van de brokskens, die daar vallen van de tafel hunner heren.”

Niet als kind dus aan de tafel, maar dat zij mocht zijn een hondeke (aanduiding hier voor huisdier) onder de tafel en van de brokjes mocht krijgen, zie, dàt begeerde zij. Maar daarin zag zij ook: hoe groot de OVERVLOED is van ’s Heeren genade en heil als van de ALGENOEGZAME Messias en Verlosser!

Toen heeft Jezus klaar gezien in dit treffende geloof de wenk en wil van Zijn Vader, om zulk een ellendige de helpen. Daarom verbond Hij aan Zijn betuiging als een rijke bevestiging van haar geloof „O vrouw, groot is uw geloof” Zijn machthebbende Woord: „U geschiede, gelijk Gij wilt!”

Zulk een toevluchtneming beschaamt Hij niet. „En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.”

Rijke bemoediging voor alle worstelende smekelingen aan de Troon der genade. Daarom:


„Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;
Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet;
N o o i t zal Hij Zijn gevangenen begeven.”


Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.