+ Meer informatie

Zending in Rhodesia

5 minuten leestijd

Ouderling Mpofu — een gewonde jongen — een stervend meisje

Al meerdere malen is de oude inlandse ouderling Mpofu genoemd. Oud, ja, dat is hij. Maar hoe oud, weet niemand te zeggen, want dat weet hij zelf niet. Zijn leeftijd is moeilijk te schatten. Is de man tachtig of mogelijk negentig, niet één weet het. Zijn leeftijd wordt geschat naar gebeurtenissen, die in zijn jeugd plaats vonden.

Hij is klein van persoon en op het eerste gezicht zou je zeggen, dat hij opgeleefd is, uitgeteerd. Hij weegt nauwelijks vijftig kilo. Maar laat zijn lichaam dan uitgemergeld zijn, zijn geest is nog levendig, en vurig verzet hij nog veel werk. Hij preekt geregeld en elke morgen en iedere avond houdt hij huisgodsdienstoefening met de internaat-scholieren. Vervolgens leidt hij de aannemingscatechisatie en bezoekt dagelijks de mensen in hun kralen.

Het is een bijzondere man. Hij heeft nooit leren lezen, en toch leest hij vlot. Geen woord engels kent hij. Het schijnt wel, dat de Heere hem het leren lezen in een ogenblik heeft geleerd. Er zijn meer zulke voorbeelden. Toen Van Woerden hem eens vroeg, hoe het kwam dat hij lezen kon, werd hij verlegen en zei: „De mensen vroegen de Heere Jezus ook, vanwaar deze Mens zulke wijsheid had." Het was alsof hij wou zeggen: het is een wonder; het is zomaar gekomen.

Gedurende enkele dagen van het begin van 1958 was Van Woerden op het zendingsstation in Ingwenya. Het huis, waar hij intrek moest nemen, bestond slechts uit één kamer en was gebouwd als een negerhut: vier muren van twee meter hoog en daarop een rieten dak, bij wijze van hooiberg. De meeste huizen gaan hier maar enkele jaren mee, en moeten dan worden afgebroken. Baksteen is onbetaalbaar en daarom gebruikt men als bouwmateriaal lemen stenen, die plaatselijk gestoken en in de zon gedroogd worden. De witte mieren eten de muren gewoonweg op en gebruiken dan het leem om hun hoge mierenheuvels te bouwen. Vele mieren bouwen hun nest in de muur zelf. Ja, die mieren zijn een grote plaag. Als men een plank een dag buiten laat liggen, is hij reeds half opgegeten.

Gaat maar even het huis binnen. Langs de muren kruipen huishagedissen en kameleons. Van Woerden zit op de rand van zijn bed en schrijft. Een tafel is er niet.

Er komt iemand binnen en zegt: „Ifundise, er is een man aan de achterdeur. Hij vraagt om hulp."

Van Woerden staat op en gaat naar de achterdeur. Hij ziet niemand. Toch blijft hij staan: je kan nooit weten. Even later komt langs het bospad een man, die een jongetje ondersteunt. Het kind strompelt met de man mee.

Op twintig meter afstand gaan ze zitten, hun ogen vragend op Van Woerden gericht. Deze ziet, dat de jongen een lap om zijn voet heeft.

Gewoontegetrouw moet Van Woerden nu eerst groeten en daarom begint hij: „Salabonani" (Wij zien jullie).

Een langgerekt „Yebo" (ja) is het antwoord.

„Kunjani? " (hoe is jullie gezondheid).

„Sikona" (W T ij zijn wel).

„Wat wensen jullie? "

„Wij zijn ziek." (We moeten weten, dat deze mensen in de meervoudsvorm spreken. Wij zijn wel, betekent dus, dat er wel één ziek is, maar de andere niet).

Nu komen de man en de jongen naderbij. Het eerste wat Van Woerden doet is, de bebloede lap van de voet te verwijderen. Vreselijk, de grote teen is helemaal verbrijzeld. Vanmorgen om half zes is het ongeluk gebeurd. Nu is het tien uur, dus hebben deze mensen vier en een half uur door de rimboe moeten sjouwen. De afstand is ongeveer twintig kilometer.

De wond wordt verzorgd en de jongen wordt naar een bij-

gebouwtje gebracht. Een hospitaal is er niet. Enkele dagen zal hij er moeten blijven, totdat hij in staat is om naar huis te gaan. Als het kind nu maar blijven wil!

Die avond, bij de huisgodsdienstoefening, werd de gewonde jongen binnen gebracht en luisterde mee naar het Woord van God. Wie zal zeggen, waarom die jongen zich moest wonden? Het zou best kunnen, dat hij naar het Woord Gods gebracht moest worden. De Heere zou kunnen werken in het hart van dit kind, zoals Hij enige tijd geleden werkte in het hart van het twaalfjarig meisje Georgina. Reeds enkele maanden had zij tuberculose, een zeer gevaarlijke ziekte in die streken. Er is geen sanatorium en röntgenfoto's kunnen niet worden gemaakt.

Op het laatst van haar ziekte, toen zij niet meer in staat was de diensten in het kerkje bij te wonen, vroeg zij om dan toch buiten de hut gedragen te mogen worden als er kerkdienst was. Dan kon ze tenminste van ver het zingen van de psalmen horen.

Haar vader, die een verstokte heiden was, had al meermalen getracht, de hulp van een toverdokter in te roepen, maar het meisje had haar vader dat verboden. De „boze geesten" moesten niet bezworen worden.

Op zekere dag vroeg ze haar moeder of ze enige tijd alleen in de hut mocht zijn, om de Heere te bidden. De moeder ging weg en liet Georgina alleen.

Toen moeder terug kwam, sprak het meisje: „Ik zal u nu allen spoedig verlaten, maar niemand moet om mij huilen. Ik ga naar een veel beter land. In dat land is volmaakt geluk. O moeder, zoek toch Christus voortdurend." Nu duurde het met Georgina niet lang meer. Zij ging de weg van alle vlees en met een gegronde hoop op de gerechtigheid van Christus.

Enkele meters buiten de onaanzienlijke lemen hut werd zij begraven, volgens de gewoonte van deze volksstam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.