+ Meer informatie

EMANUELS ONDERTROUW

5 minuten leestijd

3.

Hier volgt het eerste gedeelte van de eerste brief.

Goede vriendin,

Nadem aal ik u geen klein respect en genegenheid toedraag, zo acht ik mij verplicht om u te doen weten, dat ik na lang en ernstig gevrij, eindelijk geresolveerd ben om mij tot het huwelijk te begeven; ’t is waar, dat ik er in ’t eerst veel tegen had, dewijl ik mijn eerste vrijers uitnemend aankleefde en zeer vermaakt was met haar gezelschap, en dat mijn oude vader en moeder, naar welker raad ik veel geluisterd heb, mij dat sterk hebben afgeraden. Waar nog bij kwam, dat mijn eerste bekende, toen zij merkte, dat ik tot dit huwelijk verzocht werd en dat ik daarnaar begon te luisteren, mij bespotte, alsof ik onzinnig was, dat ik een huwelijk zou aangaan, waardoor ik zodanige manier van leven moest leiden, geheel verschillend van mijn vorige, en dat van de gehele wereld wordt tegengesproken, en wezen mij meteen op een gering en veracht volk, en zeiden: Zie, dat is het volk, dat zo veel praats heeft van zo’n huwelijk als u in ’t hoofd hangt; wie wil dan zo dwaas zijn om zichzelf (onder voorgeven van zo’n huwelijk) in zo’n miserabele staat te laten?

Welke redenen mij geweldig geslingerd hebben, en als men hun tegemoet voert de noodzakelijkheid van dit huwelijk, als kunnende zonder hetzelve (gelijk mij uit klare bescheiden getoond werd) noch nu noch hierna waarlijk gelukkig zijn, zo wilden zij mij wijs maken, dat het altijd vroeg genoeg is om het jawoord te geven aan deze Bruidegom; maar ik ben nu volkomen onderricht geworden, dat zulks niet anders dan valse voorgevingen zijn; en mij is verhaald van zekere vijf maagden, die, omdat zij dit huwelijk tot het laatste gaarne hadden uitgesteld, dwaas genoemd worden, en toen zij op het laatste gaarne met de Bruidegom tot de bruiloft wilden ingaan, zo vonden ze de deur gesloten en zij moesten eeuwig buiten blijven.

En als ik u ook de waarheid zal zeggen, zo heb ik zo veel bericht ontvangen van de persoon, geslacht, goederen en staat van deze Bruidegom, dat ik niet een ogenblik langer wilde uitstellen, ja het is mij leed, dat ik hem het jawoord niet veel eer gegeven heb. Hij is een eniggeboren Zoon, van een Vader, Die onbegrijpelijk, heerlijk en goed is, en Die een onbedenkelijk groot en duurachtig goed heeft. Waar deze Zoon de enige erfgenaam van is, zodat ik, met hem trouwende, erfgenaam ben met hem en Zijn Vader is mijn Vader, en Zijn staat is mijn staat, en Zijn privileges de mijne. Hij is ook uitermate schoon, zijnde blank en rood, de banier dragend boven tienduizend, en heeft een uitermate lieftallig, vriendelijk, zachtmoedig en meedogend humeur, zodat het onmogelijk is, wanneer men Hem een weinig van nabij beschouwt, of men moet Hem liefhebben en men wordt door een aangename liefdedwang gedwongen om Hem van harte dit huwelijk toe te stemmen, al zou men ook met hem en om Zijnentwil allerlei smaad en schanden onderworpen zijn.

En zo sta ik dan nu een vrouw van groot aanzien, rijkdom en heerlijkheid te worden en al mijn leven (’t welk nooit eindigen zal) Zijn innigste en familjaarste gemeenschap te genieten.

Van welk alles Hij mij volkomen verzekeringen heeft gedaan door een zeer breed geschrift, zijnde gedicteerd van Hemzelf en van Zijn Vader, en geschreven van de allerdeugdzaamste en getrouwste mannen, die ooit de wereld gezien heeft, daartoe aangedreven zijnde van een Geest, Die van Hen beiden uitgaat, en dit geschrift is versterkt met twee grote zegels; dan heeft Hij mij nog een zeker onderpand gegeven, waardoor mij de waarheid van dat geschrift volkomen verzekerd wordt, en waardoor ik een kleine voorsmaak van dat grote geluk kom te genieten.

Nu geef ik u of iemand in de wereld te oordelen, of dit geluk van mij dinde verwaarloosd te worden.

Maar, opdat ik ook in dit uitnemend huwelijk voorzichtig en oprecht te werk mocht gaan, zo heb ik deze Bruidegom openhartig (hoewel met schaamte en ontsteltenis) verklaard, dat ik een dochter was van een geringe en verachte afkomst en dat ik uitermate veel grote en kleine schulden had, die ik geenszins wist op te rekenen en dat alles wat ik scheen gehad te hebben dat goed was, inderdaad niet anders was dan valse munt en dat ik nog daarenboven had een hoerachtig hart, een zwarte huid, schele ogen, kromme benen, een korselhoofd en vuile handen, waardoor ik nog steeds naar vreemde vrijers kwam om te zien en naar mijn eigen hoofd, naar het gezicht van mijn schele ogen en kromme voeten zocht te leven, en dat ik knorrig was als ik mijn zin niet kreeg en dat ik al het goede, dat Hij mij mocht believen mede te delen, door mijn vuile handen bezoedelen en bederven zou.Doch Hij liet Zich door dat alles niet afzetten, maar zei dat Hij mijn geringheid kende en wilde verbeteren, mijn geslacht en hart veranderen, mijn hoofd buigen, mijn huid en handen afwassen en wit maken, mijn treden vaststellen en mijn ogen rechtuit doen zien. En dat Hij al mijn schuld wilde overnemen tot Zijn rekening, als genoeg hebbende om alles te voldoen, al was de schuld nog duizendmaal groter en mijn gebrek nog duizendmaal erger. En dat ik in deze aan Zijn bereidwilligheid niet behoefde te twijfelen, dewijl zulks te doen Zijn begeerte. Zijn spijs en Zijn glorie was, en dat Hij daarvan om dit te verwerven, de allergrootste proef had gegeven door het vrijwillig uitdrinken van zo’n bittere beker, waaraan er duizenden bersten zouden.

Het gaat om de inhoud. Taal en stijl zijn ouderwets, maar dat is geen bezwaar. Wij gebruiken de tegenwoordige spelling en hebben hier en daar ter verduidelijking iets, doch zo weinig mogelijk veranderd, om het eigene van het werkje te behouden. Dat hopen we ook bij het vervolg te doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.