+ Meer informatie

OPENINGSWOORD

7 minuten leestijd

Geachte broeders,

Kardinaal Simonis trok op 6 maart jl. de aandacht door in een interview op te merken dat de paarse overheid erop uit is de religie uit de samenleving te bannen, met name door een stelselmatige negatie van wat kerken op ethisch terrein ten aanzien van maatschappelijke zaken van tijd tot tijd menen te moeten uitspreken. De scriba van de S.O.W.-kerken, dr. B. Plaisier, sloot zich enkele dagen later daarbij aan met de uitspraak dat de kerk vandaag wordt gezien als iets achterlijks, als een onderdrukkende gemeenschap. “Voor het wezen en de bedoeling van de kerk is totaal geen oog meer”, verzuchtte hij. Ook anderen spreken van een marginalisering van kerk en geloof in de samenleving. Ds. De Jong uit Staphorst toonde ook verontrusting en sprak uit dat de mond- en klauwzeer ramp, die ons land teistert, als een oordeel van God moet worden aangemerkt en niet los kan worden gezien van wetgeving die haaks staat op wat God in de bijbel aan aanwijzingen voor de inrichting van ons leven geeft. Hij had en heeft daarbij het oog op abortus, euthanasie en het zogenaamde homohuwelijk.

Enkele godsdienstsociologen zwakten het allemaal een beetje af, door op te merken dat het ontkerkelijkingsproces al lang aan de gang is en dat de invloed en de macht van de kerk wat ons land in onze regering betreft hebben ingeboet doordat het CDA uit de regering is geraakt.

Wat hiervan te zeggen? Op twee dingen valt te wijzen. De bruikbaarheid van de bijbel voor de oplossing van vragen en problemen van vandaag wordt door de moderne mens nog slechts beperkt geacht. Wat destijds in een heel andere cultuur en onder toen geldende omstandigheden door profeten, evangelisten en apostelen aan papier werd toevertrouwd, kan in een geëvolueerde wereld als de onze nog slechts beperkte betekenis hebben. In de ontwikkeling naar méér mondigheid en vrijheid wordt door mens en samenleving een consequent orthodoxe uitleg van de bijbel in elk geval als een “spaak in het wiel” ervaren, een gevoel dat in niet geringe mate verband lijkt te houden met het geslonken besef, dat achter de ons toevertrouwde heilige schrifturen werkelijk een persoonlijke God staat, tot wie mens en samenleving voor al hun doen en laten in een verhouding van rechtstreekse verantwoordelijkheid staan. Wanneer een samenleving, generaties lang gedrenkt in en beheerst door christelijke waarden en beginselen, aan dit besef ontzinkt, is weinig anders te vrezen dan onwelwillendheid en onbegrip tegenover degenen die daaraan nog wel willen vasthouden. Dat moet ons niet al te zeer verwonderen. “Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij mij meer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld uitgekozen heb, dáárom haat u de wereld.” Deze woorden van Jezus Christus hebben ook voor Zijn gemeente in de wereld van nu geldigheid en misschien moet worden gezegd, dat het niet voor de gemeente pleit wanneer de ernst en de vervulling van deze woorden vandaag niet zouden worden ervaren. Een gemeente van Christus die in deze wereld geen tegenspraak ondervindt, is waarschijnlijk een dode gemeente, uit wier handel en wandel niet het dragende beginsel van het evangelie kan worden afgelezen. Onder dat dragende beginsel is te verstaan het leven uit verzoening van de mens met God door het kruisoffer van Christus en als uitvloeisel daarvan de inrichting van het leven naar de wereld toe, naar het gezegende voorbeeld van Hem die deze verzoening tot stand bracht.

De vraag is echter — en dat is het tweede waarop moet worden gewezen — of de tegenspraak die het christelijk geloof ondergaat niet dikwijls voedsel vindt in het gedrag van hen, die zeggen voor dat geloof te staan. De haat van de wereld is er soms ondanks ons, maar niet zelden ook dankzij ons. Als christenen persoonlijk en in de verbanden waarin wij als gemeente van Christus in deze wereld functioneren, zouden we onszelf kritischer moeten afvragen of we in veel, waarmee de wereld ons nu eens schimpend dan weer ridiculiserend (belachelijk makend) om de oren slaat, niet “koekjes van eigen deeg” moeten herkennen. Want laten we ons er goed van bewust zijn dat de wereld scherp toeziet. De bewegingen op het christelijk erf worden door het verfijnde radarwerk van in godsdienst gespecialiseerde critici en cabaretiers nauwkeurig geregistreerd.

Het past ons christenen niet in deze wereld de verdrukte onschuld uit te hangen. Roepen we zelf niet vaak de geesten op? Helpen we zelf niet vaak karikaturen van ons zelf te scheppen? Dat gebeurt in grote en kleine verbanden. Om enkele recente voorbeelden te noemen: Als een rapport uitkomt, waaruit blijkt dat op vrij grote schaal nonnen, die bruiden van Christus heten te zijn, door geestelijken worden gedwongen de tegennatuurlijkheid van het celibataire leven te compenseren, dan schaadt dat het imago van de Rooms-Katholieke Kerk en haar geestelijk gedachtegoed in niet geringe mate. Als in alle dagbladen te lezen staat dat in Amerika 10% van de protestantse dominees bij het natrekken van internet op ingrediënten voor de zondagse prediking, na het amen nog even op zoek gaan naar sites met pornografie, dan is dat gratis aangereikt voer voor Freek de Jonge en Youp van ‘t Hek om er grappend en grollend het publiek mee te vermaken. Laten we over de impact van deze dingen niet gering denken. Als we menen opnieuw te moeten nadenken over Assen 1926 en over de vraag of de slang zintuigelijk waarneembaar en hoorbaar heeft gesproken, laten we dat dan zorgvuldig, behoedzaam doen en er naar streven geen uitspraken te doen die Martin Ros, die in Kampen present was om leuke momenten te registreren, op de zaterdag daarna in zijn zaterdagse Tros-boekenrubriek gebruikt om op ludieke wijze het luisterend publiek te laten weten hoe achterlijk en bijgelovig in gereformeerde kring nog altijd wordt gedacht. En wat denkt u van de indruk die het nu al zoveel jaren durende SOW-gesteggel op de buitenkerkelijke wereld maakt? Dacht u dat dit het nadenkende deel van de natie, onder wie ik ook sommige politici reken, ontgaat? Vergeet u dat maar. Het relativeert de overtuigingskracht waarmee kerken in de wereld de geloofwaardigheid van het evangelie voorstaan.

Ik denk ook even aan de zogenaamde “kleine oecumene”, om precies te zijn aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het proces van hun onderlinge toenadering is op een aantal plaatselijke ontwikkelingen na, er één van stapjes vooruit en weer terugtrekkende bewegingen. Terwijl we haast lijken te moeten maken vanwege signalen in het grote wereldgebeuren, die zouden kunnen doen vermoeden dat het einde van deze aardse bedeling dichtbij is. Het is mijn vurige hoop dat synoden en de landelijke vergadering in de naaste toekomst, wat mij betreft met instandhouding van de organisatorische structuren die elk kerkgemeenschap eigen zijn, de plaatselijke gemeenten groen licht zullen geven om over en weer predikanten uit te nodigen om in de verkondiging voor te gaan. Dan pas leer je elkaar herkennen en erkennen, te bemoedigen en indien nodig te corrigeren. Dan komt er meer schot in dan er nu in zit.

Vandaag zijn we bijeen om te zien of het wellicht nuttig kan zijn of nodig is in eigen kring orde op zaken te stellen. Onder de zegen van de Here der Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.