+ Meer informatie

De Leesdienst

10 minuten leestijd

De Leesdienst

„De Geest is de levendmaker, de levenschepper, die het spreken levend en daardoor geloofwaardig maakt, die de aangesprokene geloven doet en daardoor in het leven van de taal stelt.” (K. Heeroma).

Je begint met goede voornemens, en al gauw moet je jezelf erop betrappen dat je met je gedachten afgedwaald bent. Om je heen zie je de mensen plichtshalve luisteren(?) en de kinderen wippen met hun benen heen en weer. Hoe komt het dat de leesdient vaak zo saai is?

Ja, luisteren naar een lezer is moeilijker dan naar een spreker. De lezer kijkt in zijn boek, de spreker kijkt ons aan. Een spreker is actief, een lezer passief: de spreker máákt iets, hij laat ons meewerken, je ziet hem met de materie worstelen en zoeken naar het juiste woord — de lezer brengt het kant-en-klare. En hoe zit het met de overtuigingskracht? Theoretisch zou een gelezen preek evenveel beslag op de hoorders moeten leggen als een „gepreekte” preek. Maar voor ons gevoel komt die laatste recht uit het hart en leest de ouderling maar andermans woorden. De voordracht is ook al een heel moeilijk punt. Eentonigheid, of preekallures …

Toch zijn er ook wel enkele dingen te noemen in het voordeel van de leesdienst. De gemeenschap kan in een leesdienst wel eens hechter zijn dan wanneer een vreemde dominee voorgaat. De ouderling en de gemeente kennen elkaar. De gebeden voor de bijzondere behoeften kan de ouderling beter uitspreken dan een vreemde predikant. En wat de geschreven preek aangaat: de auteur heeft de gelegenheid gehad, zijn woorden zorgvuldig te kiezen, gaaf Nederlands te schrijven en helder op te bouwen.

SCHRIJVEN.

(In het verzoek om dit artikel is mij gevraagd om taalkundige en stilistische aanwijzingen zowel voor de schrijvers als de lezers van preken. „Aanwijzingen”: het wordt dus misschien wat schoolmeesterachtig, maar ik wil in elk geval proberen praktisch te zijn).

Schrijven nu is weerstanden overwinnen „Ik wou dat ik het zeggen kon.” „Ik ben bang dat ik fouten maak.” „Ik kan nooit precies dàt in m’n woorden leggen wat ik er met mijn stem in leggen zou”. „Ik zie liever de mensen voor me.”

„Als ik een alinea overlees, is het net alsof ik er geen leven in heb kunnen krijgen. Hoe doen die mensen het toch die maar achter elkaar opschrijven wat ze denken?” — Nu, die laatsten zijn er weinig of in ’t geheel niet. Het resultaat lijkt zo, omdat het zo vloeiend en helder is. Heeft men eens gelegenheid het handschrift te bestuderen, dan ziet men dat het vol doorhalingen en herschikkingen zit. En wat het eerste betreft: begin dan met het hardop te zeggen en aarzel niet, de pen op het papier te zetten. Alleen door te schrijven komt men tot goed schrijven.

De voorwaarde voor boeiend schrijven is: zelf geboeid zijn. Als je in vlam staat voor een zaak, en goed weet waar je heen wilt, komen de woorden vanzelf. De woorden … Sommige zijn heel gewoon, maar er zijn er ook met zo’n geweldige lading dat het een boodschap op zichzelf is, één zo’n woord te noemen. Laten we elkaar opscherpen in eerbied voor de draagwijdte vàn die majestueuze woorden. Laten we ze niet slordig gebruiken.

Maar er zijn ook heel gewone eisen waarmee men bij het schrijven van onze taal rekening moet houden. Daar zijn boekjes voor. Heel duidelijk is b.v. Dr. B. C. Damsteegt, In de doolhof van het Nederlands (Tj. Willink, Zwolle, ƒ 3,90). De officiële regels inzake spelling en woordengeslacht (des, der, hem, haar) geeft de Woordenlijst van de Nederlandse Taal (Nijhoff, Den Haag ƒ 5,50). Enkele praktische wenken zijn:

— Bouw de zinnen helder op en maak ze niet te lang. Alleen maar korte en gebroken zinnetjes in aldoor aparte alineaatjes („hijgstijl”) is ook lelijk.

— Vermijd de lijdende vorm. „Dit wordt door de apostel hier aldus bedoeld” is veel slapper dan ,,Hier bedoelt Paulus”.

— Breng afwisseling in de woordkeus. Als de woordkeus aldoor dezelfde is, wordt de woordkeus saai en lijkt zij (of hij? Zie Woordenlijst) onbeholpen.

— Grammaticaal en stilistisch zijn de voornaamwoorden erg moeilijk (hij,zij, het, deze, dit, dat, wat). B.v. De Kerkeraad heeft in zijn vergadering besloten dat hij … De vereniging: haar, zij. Het bestuur: zijn, het. Ik geloof dat dit ons alleen aangaat (waarop slaat „dit”?) Een boek wat ik gelezen heb — na een zelfst. naamwoord moet het zijn: dat. Na iets, het enige en niets kan men kiezen tussen dat en wat. Hun = dativus (aan, voor hen). Ik beloofde hun een vrijgeleide. Hen = accusativus. Je moet hen waarschuwen. We hebben nog niet met hen (eventueel: met ze) gepraat.

— Wees zuinig met dus, immers, maar, echter, ook, o, wat een, en vooral met het stijlverslappende „dan ook”.

— Gebruik omdat bij een reden, doordat bij een oorzaak.

— Herhaal niet per ongeluk na drie zinnen wat u zojuist gezegd hebt.

— Clichés en afgesleten termen hebben weinig of geen uitwerking.

— Spits het oor voor kernachtige uitdrukkingen. Onze taal, van noord tot zuid, zit vol kostelijke, pittige woorden. Neem ze op in uw actieve woordenschat.

— Schrijf gerust de kleine tussenzinntjes op die u bij het spreken gebruikt. „Dat had u niet gedacht”. „Daar slaan we de spijker op de kop”. „Nu verandert alles”. Wat u twee keer zou zeggen, schrijf dat ook twee keer op.

— Laat de hoorder meedenken. Als u zoekt naar het hoge woord dat eruit moet, laat ons meezoeken.

Vanouds wijzen de leerboeken voor stijl en welsprekendheid ook methoden aan om ons taalgebruik te oefenen. We hebben op het ogenblik een prachtig hulpmiddel erbij gekregen in de bandopnemer, die ons in de gelegenheid stelt onszelf te controleren. Het is b.v. heel goed, te luisteren naar het ritme van onze zinnen. Met enige oefening hoort men al gauw, of het ritmisch verloop van een zin bevredigt of niet. Het hoeft daarvoor niet rimpelloos glàd te zijn. Soms vraagt de inhoud juist om een stug ritme. Als de zinnen maar niet „slap en vadzigh hangen” om met Vondel te spreken.

Naast de zelfcontrole prijst men verder het lezen aan. Een schrijver die een goede stijl heeft en over veel woorden beschikt, brengt ons altijd hogerop. Wel moeten we dan aktief en kritisch lezen, met de schrijver discussiëren, het goed gekozen woord op de tong proeven. U zult dit kennen, het is een verrukkelijke bezigheid voor de geest. Ik heb ook ondervonden dat we onszelf goed kunnen helpen door vlak voor het schrijven een stuk te lezen van een levendig stilist, b.v. een van onze zeventiende-eeuwers (Hooft, Huygens, Revius) of uit later tijd b.v. Is. van Dijk. Het is of de eigen woorden daarna gemakkelijker toestromen.

Ten slotte twee middelen tot opscherping van het taalgevoel en activering van de geest: het maken van vertalingen en het voeren van gesprekken. Vertalen is zoeken, eerst naar de zin van de tekst en dan naar het Nederlands dat in betekenis en sfeer het oorspronkelijke het dichtst benadert; een geweldig leerzame sport. Bij een Franse schrijver vond ik het discussiëren als stijl- en denkoefening. Inderdaad kom je tot de gelukkigste formuleringen als je met een kritische ge-spreksgenoot de zaken eens grondig „doorpraat”.

Zo komen we tot een stijl die leeft. En hoe brengen we onze boodschap nu zo dat de mensen haar ook onthouden? Dat hebben we niet in de hand, het is zo. maar schrijven en spreken is ook een vak, en dat vergt menselijke toewijding. Gaat het u zoals mij, dat u blij bent met de preek die u kunt navertellen? We zullen het wel eens worden over de vraag, wat de stilistische geheimen hiervoor zijn.

1. Beeldende taal. De dominee heeft zo prachtig verteld. Ik vergeet die geschiedenis nu nooit meer, ik zag het voor mij. Dat zit hem vaak in het tekenende detail, zie er de kinderbijbels van Van de Hulst en Anne de Vries maar op na (waardevolle hulpmiddelen!) Niet te veel details, de verbeeldingskracht van de hoorder moet ook wat te doen hebben. En als u kunt, vertel dan niet alleen het verhaal maar breng in de weergave ook de spanning van de achtergrond. werp het volle licht op het menselijke gebeuren, waardoor elk bijbels verhaal zo intens geestelijk is.

2. Het exempel of de symbolische anekdote. Zoals Jezus onderwees met kleine verhalen mogen ook wij met voorbeelden uit het dagelijks leven de boodschap vlakbij brengen. De gelijkenissen in de Bijbel hebben meer verdiepingen dan onze voorbeelden, maar de aantrekkelijke, in de goede zin populaire trant is aan beide gemeen. In de preken-bundel. „Het Leven” van Ds. van Zwoll staat b.v. het kleine verhaal van de katoenfabriek met het belangwekkende voorschrift aan de wand. „Draden in de war, vragen aan de voorman”. Ook om het vervolg een prachtig exempel. Zoiets beklijft.

3. Concreet spreken. Men moet eigenlijk van elk woord dat men zegt, precies weten wat het betekent en hoe het overkomt. Daarvoor is het raadzaam vooral bij de bijbelse kernwoorden stil te staan en ze exact te omschrijven! eerst voor uzelf, daarna in de gesproken of geschreven preek. Concreet is ook: de gebeden eenvoudig voorzeggen waartoe u in de preek opwekt. Blijf met uw woorden dicht bij de mensen. Van meer dan kanselhoogte klinkt: En gij, vreesachtigen”. Tussen ons in zou u zeggen: „Mensen, weten jullie soms ook geen raad als je aan het felle licht van Gods troon denkt?”

4. Helder indelen. Dat is wel het voornaamste punt. Alleen met een heldere. ordelijke gedachtengang kan iedereen meedenken. Het hoeft niet simpel te zijn of kinderachtig, als het maar overzichtelijk is. Dan kunnen we het navertellen en we blijven er in onze gedachten mee bezig. Een goed begin, goede alinea-indeling, een goed slot.

Lezen.

Ook lezen is een vak, met technische en psychologische kanten.

Over de spreektechniek zou veel te zeggen te zijn. Ik mag misschien zakelijk een paar dingen noemen. Om verstaanbaar te zijn moet u niet zo hard mogelijk spreken, maar in de eerste plaats goed gearticuleerd. Vermijd een platte uitspraak (zulleke, zeuven, zogenèèmd of zogenoamd, werkng eetn, laupe). Spaar de keel, van veel roken komt kuchen.

Bij een goede leestechniek behoort, dat men de zinsbouw doorziet. Daarom moet iedereen het voorlezen van een preek nauwkeurig voorbereiden. Daarbij is het goed, de kernzinnen te onderstrepen.

Met het woord psychologisch, zoëven gebruikt, wilde ik aanduiden dat goed lezen iets van ons innerlijk vraagt. Als u zich inleeft en met hart en ziel achter de boodschap staat, komt er leven in uw woorden — ja, het zijn dan werkelijk ook ùw woorden. De toon en de sfeer brengt u in de voordracht met uw eigen stem en optreden. Eerlijk duurt daarbij het langst, wees dus natuurlijk en vriendelijk, lees met temperament, ga niet galmen of imiteren.

De Nederlandse taal is prachtig. Wie de moeite neemt zich eens te oefenen met een enkel zinnetje, gaat het horen. Je kunt b.v. heel gewoon zeggen: de bergen daverden— maar je kunt het ook zo zeggen dat de bergen er werkelijk even waren en werkelijk daverden. Wat u ziet, ziet degene die luistert ook. Als u van het beeldende woord houdt, lees dan eens voor uzelf hardop psalm 104. Of probeer de intimiteit te treffen van psalm 131. Alles in de bijbel is vol fijne nuancen, waarom zouden we het saai en eentonig maken?

De taal is ons hoogste instrument. Lopen met de voeten kan het dier ook, en met de handen iets maken eveneens tot op zekere hoogte. Het bewustzijn, denken en formuleren maakt onze adeldom uit. De Here zelf is langs de poort van de taal met ons in contact getreden. Daarom was ik blij, iets over de taal in dit blad te mogen schrijven.

DRIEBERGEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.