+ Meer informatie

DE NAAM CHRISTUS (1)

5 minuten leestijd

79.

De naam van de Middelaar, „Jezus”, is Zijn persoonsnaam, en de naam „Christus” is Zijn ambtsnaam.

We hebben al stil gestaan bij de bijzondere, rijke betekenis van het ambt. Christus’ ambtelijke bediening is de bediening van het werk des Vaders in het grote werk der verlossing! En dit ambtelijk werk betreft het werk der verlossing vóór de Zijnen, die Hem van de Vader van eeuwigheid gegeven zijn, maar ook in de Zijnen, als het werk van de toepassing van Zijn verworven weldaden, dus ook ambtelijk, door Zijn Woord en Geest. We hopen D.V. hierop nog nader terug te komen. Tot die ambtelijke bediening is Christus gezalfd. En deze zalving houdt in: verordening en bekwaammaking. „Verordinering” naar zijn beide naturen, Zijn Goddelijke en Zijn menselijke natuur, terwijl Christus alleen naar Zijn menselijke natuur is bekwaamgemaakt. Vanzelf, want naar de Goddelijke natuur behoefde geen bekwaammaking plaats te hebben.

De bekwaammaking naar Zijn menselijke natuur had dus plaats in de tijd. Het was de Heilige Geest, Die het lichaam van Christus heeft toebereid in de schoot van Maria. „De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen”, Luk. 1 : 35. Zo is bij de doop in de Jordaan de Heilige Geest op Christus gedaald met de volheid van Zijn gaven, van wijsheid, macht en heiligheid.

Deze zalving werd afgebeeld in de zalving van de profeten, van de priesters en van de koningen in het oude verbond. De heilige zalfolie was het beeld van de Heilige Geest, Die hen vaardig maakte tot hun bediening.

Met deze zalving ging niet altijd gepaard de zaligmakende werking van Gods Geest. We lezen bij Saul, dat God hem het hart veranderde in een ander. Dit was niet het ontvangen van een nieuw hart, van een levendgemaakt hart. Saul was daarvan vreemd. Maar dit „veranderen van zijn hart in een ander” wilde zeggen, dat Saul werd bekwaamgemaakt tot zijn koningsambt. Daartegenover deelde David als de man naar Gods hart wél in de weldaad van de vernieuwing van zijn hart, toen hij gezalfd werd door Samuël. Beider koningschap was ook zeer verschillend. Sauls koningschap belichaamde het aardse koningschap, terwijl dat van David belichaamde het geestelijk koningschap, het koningschap van Christus. Het verschil kwam ook uit in de wijze van de zalving. Saul werd gezalfd met de kruik en David met de hoorn, welke wijst op het onverbreekbare.

Zo is Christus gezalfd tot DRIEVOUDIGE bediening van het ambt, tot profetische, priesterlijke en koninklijke bediening.

Waren de drie ambten onder Israël gescheiden, in Christus zijn alle drie verenigd. We mogen nooit stellen, dat Christus de drie ambten los naast elkander heeft uitgevoerd. Wanneer Hij als Profeet optrad, was Zijn prediking ook met priesterlijke bewogenheid tot de armen van geest, ja, met koninklijke macht. Hij leerde „als machthebbende” en niet als de Schriftgeleerden. In de priesterlijke volbrenging van Zijn offerande heeft Hij ook „profetisch” geleden en heeft Hij Zijn offerande koninklijk volbracht.

Deze drievoudige ambtsbediening was noodzakelijk tot herstelling van de drievoudige taak, welke de mens had uit te voeren, toen God hem geschapen had en wel als profeet, priester en koning. Daarin kwam hij het rijke beeld van Zijn Schepper te vertonen, waarnaar hij geschapen was, namelijk in KENNIS, GERECHTIGHEID en HEILIGHEID, Als profeet kende Adam zijn Schepper en Zijn werken. Als priester moest hij zichzelf Gode en Zijn dienst opofferen en als koning regeerde hij over al het geschapene.

Maar de mens heeft deze drievoudige ambtsheerlijkheid verbroken. Hij is verduisterd geworden in zijn verstand, blind in ’s hemels wegen. Hij offert zich nu op aan de duivel en aan de dienst der zonde, mist alle gerechtigheid om voor God te bestaan en draagt het slavenkleed der zonde, is geworden dienstknecht der zonde, slaaf van de duivel.

De verbroken ambtsheerlijkheid is echter weer door Christus hersteld.

Als Profeet heeft Hij hersteld de ware kennis, als Priester de volkomen gerechtigheid en als Koning de heiligheid en daarmede is dus hersteld het geschonden Beeld Gods, welk herstel omvat het grote werk der verlossing. Heeft nu Christus als Profeet, Priester en Koning het beeld Gods hersteld vóór de Zijnen, Hij doet dit ook in Zijn volk, langs de weg van hartvernieuwende genade, door Zijn Woord en Geest, opdat zo de ambten van Christus zouden funktioneren in de harten van Zijn volk! En waarin komt die functionering uit? Wel, in hetgeen onze Heidelberger zo schoon verklaart in zondag 12, vraag en antwoord 32. Lees u zelf die zondagsafdeling en bemerk daarbij de schone betekenis van de „christennaam”. Leide dit ook tot ernstig zelfonderzoek. Zijn we waarlijk een „christen” geworden? En wordt dit gezien in de praktijk van het leven, in een wandel in de tere vreze van Gods heilige Naam?

Wat heeft de naam „christen” in onze vervlakte tijd, waarin de afval zo schrikbarend toeneemt, haar volle schone klank verloren en wel door het naam-christendom, dat christenzijn en werelddienst wil verenigen en wil doen samengaan. En dit kan niet naar Gods Woord en naar de beleving van dat Woord! Hoeveel wordt er niet goed gepraat, dat duidelijk door Gods Woord wordt aangegeven als zonde, als „vlees” en vleselijke godsdienst. Wat erg is het, dat al meer de vorm de plaats gaat innemen voor het wezen der dingen, voor het dienen van God in geest en waarheid!

Moet daarom niet in grote ernst en diepe bewogenheid de eis der bekering en de oproep tot bezinning en reformatie doorklinken, in de kerken, in de gezinnen, op de scholen, ja allerwegen?

Doorwaaie de Heilige Geest de hof van Zijn kerk, opdat weer eens de specerijen uitvloeien!

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.