+ Meer informatie

Jan de Liefde

"Buitenkerkelijk" evangelist

11 minuten leestijd

In alle opzichten ging ds. Jan de Liefde een eigen weg. In plaats van een rustig bestaan als doopsgezind predikant verkoos hij een leven als evangelist in de bekendste Amsterdamse volksbuurt: de Jordaan. Met kracht en bewogenheid verkondigde de onafhankelijke en soms eigenzinnige Reveil-man daar het Evangelie aan armen en berooiden. In een aantal opzichten nam hij duidelijk afstand van het gereformeer de protestantisme. Maar in zijn gezangen en gedichten klinkt de verwondering over Gods genade.

Een van de eerste versjes die mijn moeder mij leerde was: "Klokje klinkt, vogel zingt". Het repertoire werd spoedig aangevuld met liederen als: "Er gaat door alle landen een trouwe Kindervriend..." en "O, wij kind'ren, wij leven, als de vogeltjes blij, want de Heere daarboven/ zorgt voor u en voor mij". Toen de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken en ik soms heel bang was, putte ik kracht uit deze liederen. En nog hoor ik, in alle verdriet en narigheid die er toen was, mijn moeder zingen: "O, daar te zijn waar nimmer tranen vloeien, waar 't hart geen angst, geen kommer kent noch pijn."

Strijdbaar man
Deze liederen worden gelukkig nog gezongen. Veel kinderen kennen ze. De man die ze gemaakt heeft, is het bekendst geworden door zijn onvergetelijke lied: "Van U zijn alle dingen, van U, o God, alleen". Wie was de dichter van deze algemeen bekende liederen? Velen weten het niet en sommigen herinneren zich hoogstens zijn naam: Jan de Liefde. Op grond van zijn gedicht "Van U zijn alle dingen" zou men kunnen veronderstellen, dat hij een man geweest moet zijn die in kalme berusting over zich laat komen wat God beschikt heeft. Niets is echter minder waar. Zeker, hij vertrouwt op Gods leiding in zijn persoonlijk leven en in de maatschappij. Maar hij weigert zich neer te leggen bij sociaal onrecht, armoede en onderontwikkehng. Hij is een strijdbaar man: dichter, componist, predikant, kanselredenaar, publicist, vurig evangelist, pedagoog, praktizerend christen.

Reveil
zoeken in de kringen van het Reveil, de 19e-eeuwse opwekkingsbeweging in ons land, waaraan de namen verbonden zijn van Groen van Prinsterer, Da Costa, Capadose, Heldring en vele anderen. Wie zich gaat verdiepen in zijn leven en werk, komt al gauw tot de ontdekking dat deze figuur niet zomaar een Reveil-man te noemen is. Hij past beshst niet in een bepaald hokje. Hij is iemand die het waagt tegen de mening van de meerderheid in te gaan. Allard Pierson typeert hem in zijn bekende boek "Oudere Tijdgenoten", dat over het Reveil handelt, als „een man van talent bij uitnemendheid. Als schrijver, redenaar, dichter, componist, humorist en theoloog, bij afwissehng of tegelijk, was hij rusteloos werkzaam naar de grote verscheidenheid van zijn aanleg. Ook hij was, als Da Costa en Capadose, klein van postuur, een zekere hoekigheid met grote beweeglijkheid verbindende. Benepen, afgepast, berekenend kwamen in zijn woordenboek niet voor. Hij droeg het hart op de tong."

Bekering
Jan de Liefde wordt op 25 december 1814 in Haarlem geboren. Zijn ouders zijn doopsgezind. Jan laat zich in 1832 inschrijven als student aan het Doopsgezind Seminarie te Amsterdam, want hij wil predikant worden. Op het seminarie gaat hij ervaren wat "leervrijheid" is. Zelf vertelt hij later, dat soms 's morgens een puur vrijzinnige hoogleraar nadrukkelijk betoogde datjezus een gewoon mens was en dat er 's middags een docent kwam die van harte de Godheid van Christus beleed. Als hij afgestudeerd is, wordt hij predikant, eerst in Woudsend en later in Zutphen. In deze stad maakt hij een echte bekering door. Hij gaat Schriftgetrouw preken, tot verbazing en soms zelfs ergernis van zijn eigen vrijzinnige doopsgezinde gemeenteleden, die dan ook demonstratief wegblijven. Anderen, onder wie veel hervormden, komen echter juist op zijn prediking af Bij hem vinden ze wat ze in hun eigen kerk missen: de verkondiging van de vrede voor het hart door het bloed van het Lam. Het kerkgebouw puilt uit van de bezoekers. Ze zitten tot op de preekstoeltrap. De Liefde begrijpt dat dit teEen evangelisatiebijeenkomst van "'t Heil". genover zijn kerkeraad zo niet langer kan. Hij legt zijn ambt neer en probeert een eigen gemeente te stichten: de Apostolisch-Christelijk-AfgescheidenGemeente, wat echter op niets uitloopt. Na enige maanden gaat hij een studiereis maken naar Duitsland, waar hij in aanraking komt met baptisten en broeders van de Vergadering, die toen vaak "Darbisten" genoemd werden. Zijn sympathieën voor de baptisten bemoeilijken zijn contact met meer kerkelijk georiënteerde Duitsers en hij keert terug naar Nederland.

Evangelist
In 1849 vestigt hij zich in Amsterdam. Daar is al een baptistengemeente, maar hij sluit zich er niet bij aan. Sterker nog: hij gaat steeds meer de nadruk leggen op de doop door de Heilige Geest, waarbij hij de vraag of de kinderdoop dan wel de volwassendoop juist is een volstrekt middelmatige zaak acht. Ieder moet daarin worden vrijgelaten, vindt hij. Al spoedig begint hij met evangelisatiewerk: zijn eerste bijeenkomsten houdt hij in de woonkamer van een visvrouw aan de Goudsbloemgracht, de tegenwoordige Willemstraat. Een handjevol mensen is aanwezig. Maar wat kan deze man mooi uit de Bijbel vertellen! Steeds meer bezoekers komen er en binnen korte tijd moet De Liefde al omzien naar een grotere ruimte. Honderden verdringen zich om hem te horen. In 1855 sticht hij een evangelisatie-vereniging om arme en berooide mensen, die aan de zelfkant van de maatschappij leven, te helpen en onderwijs te geven: "Tot Heil des Volks". Deze vereniging bestaat nog steeds en is gevestigd aan de Willemstraat. De aanhangers van het Reveil, die zelf ook veel werk van barmhartigheid verrichten, hebben aanvankelijk veel waardering voor zijn arbeid. Dat verandert echter als hij aan zijn werk een kerkelijk karakter gaat geven en in 1856 een eigen Vrije Evangelische Gemeente sticht.

Anti-kerkelijk
In zijn opvatting over de kerk gaat hij uit van de autonomie van de plaatselijke gemeente. Elke vorm van gezag boven de gemeente, of die nu komt van de zijde van de staat of uitgeoefend wordt door een synode, vindt hij volstrekt onaanvaardbaar. Dat is een belemmering voor het echte geloofsleven, > verklaart hij. Met die opvatting moet hij wel in conflict komen met die Reveil-mensen die juist grote waarde hechten aan herstel van de kerk, met name de Nederlandse Hervormde Kerk. Het komt dan ook tot een ernstige botsing met deze mensen op een vergadering van de "Christelijke Vrienden". Jan de Liefde is voor dit gezelschap geen onbekende. Trouw bezoekt hij de vergaderingen, waar hij vaak vooraanstaande leden van de Hervormde Kerk ontmoet: mr. Groen van Prinsterer, ds. Heldring, prof Chantepie de la Saussaye en anderen. In oktober 1854 zijn de Christelijke Vrienden opnieuw bijeen. Als hij zijn collega Heldring en prof Chantepie de la Saussaye hoort betogen dat men "piëteit voor de Hervormde Kerk" moet hebben, ook al wordt daar de dwaalleer geduld; dat men met "zachtmoedigheid" te werk moet gaan in de bestrijding daarvan en dat zich afscheiden onrecht is, kan De Liefde zich niet langer inhouden. Hij improviseert snel enkele stellingen en leest die voor, tot grote schrik en verontwaardiging van de aanwezigen.

Stellingen
Zachtmoedigheid? Een prijzenswaardige deugd, zegt hij, maar „een kerk, die onder een leugenachtige en tegen Gods Woord vijandige Synode rustig verblijven kan, heeft niet zo zeer vermaning nodig tot zachtmoedigheid als wel tot stoutmoedigheid!" De Hervormde Kerk werd door de voorgaande spreker een kerk van martelaren genoemd. Dat is waar, reageert De Liefde, maar de tegenwoordige predikanten die de moed niet hebben te protesteren tegen de Synode, zullen beslist geen martelaren worden... En dan die piëteit jegens het erfdeel der vaderen. Een goede zaak, vindt De Liefde, maar als dat erfdeel niets anders is dan zilver en goud en dergelijke, dan zou het de hoogste inpiëteit zijn terwille van deze dingen het behoud ook van één enkele ziel te vertragen. Nog is hij niet uitgesproken. Zijn laatste stelling is het scherpst. Het is de vraag, roept hij uit, of en in hoeverre het oorbaar is bij te dragen tot en te bidden voor de instandhouding van een Instituut dat meer leugen dan waarheid onder het volk verspreidt en mitsdien meer zielen vermoordt dan behoudt. Grote ontstemming in de vergadering. De voorzitter. Groen van Prinsterer, roept De Liefde formeel tot de orde, maar diep in zijn hart is hij het met deze scherpe kritiek op zijn eigen kerk eens. Een maand later schrijft hij aan Heldring, dat hij De Liefde "een kostbaar element in de strijd tegen het Laodicisme van vele predikanten" vindt.

Anti-modernistisch
Ds. De Liefde heeft intussen bij velen de zaak verbruid. Zij kunnen diens voortdurende kritiek op de Hervomde Kerk niet verdragen. „Waar bemoeit u zich eigenlijk mee, u behoort toch niet tot de Hervormde Kerk?", voegen zij hem toe. Hij blijft het antwoord echter niet schuldig: „Hierom bemoeien wij ons met die Kerk, omdat zij de naam van onze Heer en Heiland draagt en onder die naam al die leugenen verbreidt en al die ongerechtigheden pleegt, waardoor het arme volk vergiftigd en bedorven is." Als die Naam in het geding is, mogen wij niet zwijgen, houdt De Liefde zijn tegensprekers voor. Hij gaat vervolgens zijn eigen weg, wars van alle kerkisme, strijdend voor de geopenbaarde waarheid, het gezag van de Bijbel als Gods Woord. In woord en geschrift bestrijdt hij het verderfelijke modernisme, dat zijn tienduizenden verslaat. Met kracht neemt hij zijn evangelisatiewerk in de Amsterdamse Jordaan ter hand. In zijn eigen woning "Bethanië", sa- ' men met zijn vrouw, die de algemene vorming verzorgt, een aantal evangehsten op, van wie de meesten van zeer eenvoudige komaf zijn.

Geen formulierknecht
Onvermoeibaar trekt hij er 's avonds opuit om te evangeliseren in de achterbuurten van Amsterdam. De liefde van Christus dringt hem. In de leer sluit hij zich in grote lijnen aan bij de belijdenis der Reformatie. De belijdenisgeschriften verwerpt hij niet, maar hij wil zich niet binden „aan elke tittel of jota, aanhaling van teksten, wijze van bewijsvoering, of aan iets hoegenaamd, in deze belijdenisgeschriften voorkomende, dat niet als hoofdstuk ter zaligheid kan aangemerkt worden." Die kritische houding tegenover de belijdenisgeschriften vervreemdt hem van de afgescheidenen, die aanvankelijk. zij het met enige reserve, in hem een medestander gezien hebben vanwege zijn kritiek op de Hervormde Kerk. Zij keren zich echter van hem af, als zij bemerken dat hij -overigens met handhaving van de uitverkiezing- de algemene verzoening blijkt te leren. Ook zijn in 1863 gepubhceerde artikel over "Het derde eeuwfeest van de Heidelbergse Catechismus" zet kwaad bloed. Zeker, er staan prachtige dingen in deze catechismus, betoogt De Liefde, zoals het antwoord op de eerste vraag: "Wat is uw enige troost in leven en sterven?" Maar de catechismus heeft ook bijgedragen tot vele betreurenswaardige kerkscheuringen. „Ik wil gaarne geloven, dat menige ziel door de Catechismus tot kennis der zaligheid gekomen is, maar ik geloof tevens, dat ook menige ziel door hem tot onherstelbare dodigheid, dorheid en vormelijkheid is gebracht geworden", schrijft hij.

Betekenis
Het is verbazingwekkend te zien, wat deze man allemaal gepresteerd heeft. Wij zagen reeds dat hij behalve theoloog ook dichter en componist was, maar hij had daarnaast een groot schrijftalent. Hij gaf tijdschriften uit voor jong en oud: "Timotheus, tijdschrift voor de jeugd" en "Volksmagazijn voor Burger en Boer". Veel gevraagd waren zijn boekjes voor de jeugd, zoals "De Schoolvriend" en "De mensch en de dieren". Voor volwassen schreef hij tal van stichtelijke werken, maar ook een "Algemeene geschiedenis voor het volk". Zijn ijver was groot. Wie de beknopte Trommius in zijn kast heeft staan, dient daarvoor De Liefde dankbaar te zijn, want hij heeft de moeite genomen de "grote Trommius" -drie dikke foliodelen- tot een handzaam formaat terug te brengen. Een monnikenwerk en... hij wil niet hebben dat zijn naam op het titelblad vermeld wordt! Het pedagogische en muzikale werk van Jan de Liefde verdient nader onderzoek. Zijn forse kritiek tegen de vermolmde of versteende structuren van de kerk kwam bij hem voort uit een oprechte liefde voor de Naam en de Zaak van Christus. Wellicht kunnen wij ook in onze tijd met z'n vele kerkelijke problemen nog van hem leren. Zijn evangelisatiewerk, gecombineerd met maatschappelijke hulp, is voorbeeldig te noemen. Wie hem kritiseert om zijn soms afwijkende theologische inzichten, dient zich eerst af te vragen: hoe vaak ben ik al in de achterbuurten geweest om zielen te winnen voor Jezus?

Blijmoedig christen
De Liefde deed dat wel: hij was arm met de armen. Gekweld door geldzorgen moet hij in 1862 zijn kerkgebouw verkopen. Hij vertrouwt zijn gemeente toe aan evangelist Hardenberg en vertrekt zelf naar Londen. Daar gaat hij voor Engelse uitgevers werken, wat hem er financieel weer enigszins bovenop brengt. In zijn laatste levensjaren wordt hij gekweld door reumatiek en een ernstige longziekte. In 1868 keert hij, verzwakt en ziek, terug naar Nederland. Op 6 december 1869 sterft hij. Hij wordt begraven op de Ooster Begraafplaats te Amsterdam. De grafzerk vermeldt onder zijn naam: "Een prediker van het Evangelie van Jezus Christus door woord en schrift, een arbeider in des Heeren wijngaard, tot heil des volks, een verdediger van de waarheid waarmede Christus hem had vrijgemaakt". Voor Jan de Liefde, de eigenzinnige, soms dwarse, maar altijd blijmoedige gelovende strijder, die zo bewogen was met het eeuwige lot van zijn medemensen, die ieder mens de genade in Christus zo gunde, was waar geworden, wat hij zelf eenmaal voor kinderen gedicht had: "Blijf uw God verbeiden, beide in vreugd' en smart; 't leven moge u leiden, tot Zijn vaderhart."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.