+ Meer informatie

II Wijzigingen in bijlagen van de kerkorde

11 minuten leestijd

De synode heeft een aantal bijlagen van de kerkorde gewijzigd.

Bijlage 1
De synode besloot
de punten 4a en 4d van de instructie van deputaten geestelijke verzorging van de varenden samen te voegen tot één punt, en punt 4b van de instructie te laten vervallen.

Bijlage 7A
De synode besloot de artikelen 5, 7, 12 en 15 als volgt te wijzigen:
5. De uitkeringen uit de kas aan de emerituspredikanten en de predikantsweduwen zijn afgeleid van de door de generale synode vastgestelde uitkeringsgrondslag. Deze is vanaf 2012 gefixeerd op 130% van het middelloon (gemiddelde van de aanvaarde minimumtraktementen gedurende 37 jaren). De in art. 7 en 12 bedoelde uitkeringen kunnen jaarlijks door middel van indexering worden aangepast. Voor het toepassen van indexering gelden de volgende regels:
a. deputaten emeritikas volgen het indexeringsbeleid van PFZW;
b. indexeert PFZW dan volgt de emeritikas, waarbij het door PFZW gehanteerde percentage als maximum geldt. Het indexeringspercentage zal lager zijn indien het behaalde beleggingsresultaat van de emeritikas over het voorgaande jaar, zoals berekend door de vermogensbeheerder, onder aftrek van 1%-punt, een lager niveau heeft dan dat van PFZW;
c. als de indexering van PFZW negatief is, beraden deputaten emeritikas zich op de situatie.
7. Voor de actuele hoogte van de diverse uitkeringen voor emerituspredikanten wordt verwezen naar ‘Overzicht uitkeringen emeriti’ op www.cgk.nl/emeritikas. Bovendien worden aan emerituspredikanten beneden de AOW-gerechtigde leeftijd de hun opgelegde aanslagen in de premieheffing voor de volksverzekeringen gerestitueerd voor zover de aanslagen betrekking hebben op de tijd die valt na de datum waarop hun uitkering uit de emeritikas is ingegaan.
12. Voor de actuele hoogte van de diverse uitkeringen voor weduwen wordt verwezen naar ‘Overzicht uitkeringen emeriti’ op www.cgk.nl/emeritikas. Bovendien worden aan de in dit artikel bedoelde weduwen, die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, alsmede aan de in dit artikel genoemde kinderen, de hun opgelegde aanslagen in de premieheffing voor de volksverzekeringen gerestitueerd voor zover de aanslagen betrekking hebben op de tijd die valt na de datum waarop hun uitkering uit de emeritikas is ingegaan.
15. Aan volle wezen beneden de leeftijd van 16 jaar en aan volle wezen in de leeftijd van 16 tot 27 jaar die studeren of invalide zijn en die niet over voldoende inkomsten beschikken, wordt een uitkering uit de kas verstrekt gelijk aan 50% van de door deze wezen genoten uitkering krachtens de ANW, onder aftrek van eigen inkomsten, anders dan de genoten ANW-uitkering. Wordt de ANWuitkering voor een volle wees beëindigd of ingetrokken omdat hij voor een uitkering krachtens de Wajong in aanmerking komt, dan blijft deze wees, indien zijn Wajong uitkering en zijn eventuele overige inkomsten niet voldoende zijn om in zijn onderhoud te voorzien, tot het bereiken van de 27-jarige leeftijd een aanvullende uitkering uit de emeritikas genieten, zodanig dat zijn inkomen gelijk is aan 150% van de uitkering krachtens de ANW voor wezen van 16-21 jaar.

Bijlage 7B
De synode besloot de artikelen 5, 7 en 12 als volgt te wijzigen:
5. De uitkeringen uit de kas aan de emerituspredikanten en de predikantsweduwen worden afgeleid van een door de generale synode vastgestelde uitkeringsgrondslag. Deze is vanaf 2012 gefixeerd op 130% van het middelloon (gemiddelde van de aanvaarde minimum-traktementen gedurende 37 jaren). De in art. 7 en 12 bedoelde uitkeringen zijn zonder toepassing van de uitkeringsfactor en kunnen jaarlijks door middel van indexering worden aangepast. De uitkering aan de predikant of weduwe wordt bepaald door de ‘uitkeringsfactor’ [37-(het verschil tussen het maximaal bereikbare aantal dienstjaren (minimaal 37) en de resterende diensttijd tot 65 jaar, gerekend vanaf 1 januari 2013)]/37. Het maximum van de formule is bepaald op 100%. Door deze factor te vermenigvuldigen met het uitkeringsbedrag wordt de te betalen uitkering bepaald. Voor het toepassen van indexering gelden de volgende regels:
a. deputaten emeritikas volgen het indexeringsbeleid van PFZW;
b. indexeert PFZW dan volgt emeritikas, waarbij het door PFZW gehanteerde percentage als maximum geldt. Het indexeringspercentage zal lager zijn indien het behaalde beleggingsresultaat van de emeritikas over het voorgaande jaar, zoals berekend door de vermogensbeheerder, onder aftrek van 1%-punt, een lager niveau heeft dan dat van PFZW;
c. als de indexering van PFZW negatief is, beraden deputaten emeritikas zich op de situatie.
7. Voor de actuele hoogte van de diverse uitkeringen voor emerituspredikanten wordt verwezen naar ‘Overzicht uitkeringen emeriti’ op www.cgk.nl/emeritikas.
12. Voor de actuele hoogte van de diverse uitkeringen voor weduwen wordt verwezen naar ‘Overzicht uitkeringen emeriti’ op www.cgk.nl/emeritikas.
De synode besloot het laatste deel van de laatste zin van art. 15 als volgt te wijzigen:
… krachtens de ANW voor wezen van 16-21 jaar.

Bijlage 8
De synode besloot sub 4a als volgt te wijzigen:
Classes zullen kerkenraden die gekomen zijn tot een nauwer samenleven als in 3c bedoeld, machtigen om niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers te zenden naar de classicale vergadering, die hen als leden met adviserende stem zal aanvaarden.

Bijlage 9
De synode besloot:
1. de titel te wijzigen in ‘Regelingen deputaten studiefonds’;
2. de regel ‘A. met betrekking tot het studiefonds’ (in de kerkorde, ed. 2011) te laten vervallen;
3. in art 1.1. de zinsnede ‘ingevolge de Wet Studiefinanciering (WSF 2000)’ te wijzigen in ‘ingevolge de regeling Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)’;
4. aan art. 1.3 toe te voegen: ‘Ter overbrugging van de periode na de afronding van de studie en hun eventuele intrede in een gemeente aan admissiale studenten die een bijdrage ontvingen uit het studiefonds, zo nodig ondersteuning aan te bieden in de vorm van een lening die onder nader door deputaten studiefonds te bepalen condities wordt verstrekt voor in principe een periode van zes maanden, en dezelfde voorziening mutatis mutandis aan te bieden aan de andere admissiale afgestudeerde studenten’;
5. in art. 3.1.1. aanduiding de Wet Studiefinanciering (WSF 2000) te wijzigen in: ‘ingevolge de regeling Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)’;
6. in art. 3.1.2 het genoemde te wijzigen in € 30.000,-;
7. in art. 3.1.3 het genoemde bedrag te verhogen tot € 60.000,-;
8. in art. 3.2 en 3.3. de aanduiding WSF te wijzigen in DUO;
9. art. 5.4 geheel te wijzigen in: ‘Indien de student verzoekt om alleen vergoeding van het instellingscollegegeld, maar verder geen gebruik maakt van het studiefonds, geldt een verhoogde inkomensnorm. De bijdrage is een schenking en wordt uitbetaald in een maandelijkse bedrag’;
10. art. 6 geheel te wijzigen in: ‘De lening dient in maximaal vijftien jaar te worden afgelost, te beginnen drie jaar na beëindiging van de studie. Deze aflossing geschiedt in maandelijkse termijnen’;
11. aan art. 9 het volgende toe te voegen: ‘Een en ander in het kalenderjaar waarin de bijdrage wordt verleend. Voor de bepaling van het inkomen geldt het betreffende kalenderjaar. De bijdrage uit het studiefonds en inkomsten uit preekbeurten tijdens de studietijd worden niet tot het inkomen gerekend. Ook inkomsten uit catechisaties worden niet meegerekend bij het bruto gezinsinkomen;
12. de bijlage bij de regeling studiefonds TUA als volgt te wijzigen:
art. 5.1. Bijdrage voor de kosten van collegegeld en studiemiddelen. Indien de student volledig gebruikmaakt van de regeling studiefonds:
art. 5.1.1. bijdrage voor vergoeding van het collegegeld óf het instellingscollegegeld uit te betalen in een maandelijks bedrag, schenking (aantekening: collegegeld studiejaar 2015/2016 bedroeg € 1951,-; instellingscollegegeld studiejaar 2015/2016 bedroeg € 5100,-);
art. 5.1.2. bijdrage voor de kosten van studiemiddelen en reiskosten, schenking, (per jaar € 2100,- afgerond) per maand € 175,-;
art. 5.2. persoonsgebonden budget, 50% schenking/50% lening, per maand € 575,-;
art. 5.3. gezinstoeslag, richtlijn €200,- per kind, 50% schenking/50% lening per maand max. € 800,-;
art. 5.4. indien de student verzoekt om alleen vergoeding van het instellingscollegegeld, maar verder geen gebruik maakt van het studiefonds, wordt de inkomensnorm verhoogd met € 5100,-. De bijdrage is een schenking en wordt uitbetaald in een maandelijkse bedrag. De bedragen gelden op basis van de gegevens 2016. Deze kunnen jaarlijks worden bijgesteld. Referentiepunt is DUO-norm.

Bijlage 24
De synode besloot:
1. het opschrift te wijzigen in ‘Instructie voor deputaten kerk en media’;
2. art. 1 te wijzigen in: ‘De generale synode benoemt vier deputaten voor kerk en media’;
3. art. 2a-d te laten vervallen en daarmee ook alle gekoppelde activiteiten.

Bijlage 27
De synode besloot
art. 4 lid 4 van het reglement voor de commissie geschiloplossing aan te passen door ‘twee weken’ te wijzigen in ‘vier weken’.

Bijlage 27A
De synode besloot tot de volgende wijzigingen in de integrale regeling appelprocedure:
1. in art 2.3: De regeling is ook van toepassing op verzoeken om revisie;
2. in art 4.4/aanhef: ‘appel schrift’ vervangen door ‘appelschrift’;
3. in art 4.4/tekst: de gronden waarop het appel berust, in die zin dat duidelijk is dat en waarom het besluit volgens de appellant in strijd is met de Heilige Schrift, de belijdenis van de kerk en/of de aanvaarde kerkorde en synodale besluiten, dan wel waarom de kerkelijke vergadering die het besluit heeft genomen in redelijkheid niet tot dit besluit heeft kunnen komen;
4. in art 6.3/eerste zin: De kerkelijke vergadering stelt verweerder in de gelegenheid met een verweerschrift op het appel te reageren;
5. in art 7.3/tweede regel: ‘kerkelijke vergadering’ vervangen door ‘commissie’;
6. art 7.4: vervallen;
7. in art 8.1: invoegen: en degenen die hen hebben geadviseerd;
8. in art 8.2: ook verwijzen naar artikel 7.3; en bij art. 8.2 in de eerste regel de woorden ‘zo nodig’ in te voegen voor ‘zowel appellant als verweerder’;
9. in art 8.4: de verwijzing naar artikel 7.5 vervangen door een verwijzing naar de (hernummerde) bepalingen 7.4 en 7.5;
10. in art 8.5: de verwijzing naar artikel 7.9 wordt een verwijzing naar art 7.8;
11. in art 8.6: invoegen aan het slot van de eerste zin: dan wel verweerder in redelijkheid niet tot dit besluit heeft kunnen komen;
12. in art 9.4/regel 1: het woord ‘appelbesluit’ in de eerste regel vervangen door: het appel tegen het appelbesluit;
13. in art 11: In afwijking van het bepaalde in artikel 4.5 heeft het instellen van revisie tegen een primair besluit geen opschortende werking tenzij de kerkelijke vergadering die het besluit heeft genomen bij het nemen van dat besluit bepaalt dat het instellen van revisie opschortende werking heeft;
14. in art 11.4: na ‘revisieverzoek’ de woorden ‘tegen besluiten van andere kerkelijke vergaderingen dan de generale synode’ in te voegen en aan het eind van 11.4 na ‘overwogen’ toe te voegen: ‘tenzij het is gericht tegen een primair besluit van de generale synode’, om zo de tekst van art. 11.4 in lijn te brengen met de hoofdtekst van art. 31 K.O.;
15. toe te voegen aan artikel 9 (appel tegen het appelbesluit): ‘9.5 Indien het appel tegen het appelbesluit gegrond wordt verklaard, doet de PS (of de GS, indien sprake is van een appel tegen een appelbesluit van de PS) wat de classis (respectievelijk de PS) had behoren te doen op het appel tegen het primaire besluit.’

Bijlage 28
I, 7

De synode besloot deze vraag als volgt te wijzigen: Studeert de predikant – mede met het oog op de prediking - ijverig? Voldoet hij aan de verplichting tot permanente educatie volgens de besluiten van de generale synode, en stelt u hem als kerkenraad daartoe ook voldoende in staat? Hoe neemt u kennis van het resultaat?
IV, 1-7
De synode besloot deze paragraaf als volgt te wijzigen:
1. Houden de diakenen afzonderlijk vergaderingen naar artikel 40 K.O. en doen zij verantwoording van hun arbeid en beheer aan de kerkenraad?
2. Is er goed overleg tussen de diakenen enerzijds en de predikant en de ouderlingen anderzijds?
3. Hoe geven de diakenen vorm aan de toerusting van de gemeente om te groeien naar een leven van barmhartigheid, gerechtigheid en rentmeesterschap?
4. Gaan de diakenen daarvoor ook op diaconaal huisbezoek, ook om noden in eigen gemeente op te sporen?
5. Met welke instellingen op maatschappelijk gebied, andere diaconale organisaties of kerken werken de diakenen samen?
6. Op welke wijze schenken de diakenen aandacht aan hen die speciale zorg behoeven: werklozen, gehandicapten, langdurig zieken, ouderen?
7. Bestaat er een diaconale steungroep of iets dergelijks die werkt onder auspiciën van de diaconie?
8. Openbaren de diakenen christelijke bewogenheid in allerlei nood en gedragen zij zich zoals het een christen betaamt?

Bijlage 37
De synode besloot artikel 4B aldus te formuleren:
Ten behoeve van de generale synode het vertegenwoordigen van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland als werkgever in de zin der wet, van alle medewerkers van de deputaatschappen die bedoeld worden in art. 84 K.O., lid 1.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.