+ Meer informatie

RELATIE- EN SOCIAAL-MAATSCHAPPELIJKE PROBLEMEN IN DE GEMEENTE VAN CHRISTUS

11 minuten leestijd

vanuit de prediking bezien

Het is mijn taak het onderwerp in te leiden onder het gezichtspunt van de prediking. Ik vat het onderwerp vooral op als relatieproblemen. Deze hebben ongetwij-feld ook een sociaal-maatschappelijk aspect. De eigenlijke problematiek raakt echter de onderlinge relatie van mensen.

Het evangelie wil via de prediking op deze relaties inwerken. Het wil ze zuiveren en heiligen. Waarom zien we daarvan zo weinig resultaat? Schiet de prediking te-kort? Is ze te weinig concreet, te weinig waarschuwend en richting wijzend?

Ik vind het moeilijk om een algemeen oordeel te vellen over de prediking in onze kerken. Ik hoor te weinig preken om op een verantwoorde wijze een indruk van het geheel van de prediking te geven. Het lijkt mij het beste om erop te wijzen hoe het moet zijn, èn op storende factoren die zich in de prediking zelf en in de verwerking van de prediking voordoen. De mij toegemeten tijd wil ik invullen met het aan u voorleggen van een vijftal Stellingen, waarop ik een korte toelichting zal geven.

1. In de prediking moeten allerlei relatieproblemen aan de orde komen; niet zo uitvoerig als in het pastoraat en de hulpverlening maar wel meer dan incidenteel, dus fundamenteel.

Onze Heere Jezus heeft bij Zijn hemelvaart Zijn apostelen opgedragen alle volken tot Zijn discipelen te maken, hen te dopen en hen te leren onderhouden wat Hij hun bevolen heeft. Hiermee is niet alleen de magna charta, maar ook een summary van de prediking gegeven. Tot de prediking behoren ook de geboden van God omtrent de omgang van mensen met elkaar, in huwelijk en gezin, in kerk en samenleving. Hiertoe behoort ook het onderricht omtrent de samenlevingsverbanden die God heeft gesteld: huwelijk en gezin, seksualiteit en overheid, het mijn en dijn, handen uit de mouwen steken en te juister tijd thuis houden. Dat liefde de drijfveer van alle gehoorzaamheid is, heeft Jezus Zelf in de samenvatting van de wet duidelijk gemaakt. Hij heeft daarvan in de Bergrede indrukwekkende voorbeelden gegeven.

In de prediking moet ook het christelijke leven, wil men de heiliging, aan de orde komen. Dat moet concreet, duidelijk en persoonlijk gebeuren. De gemeente moet zondags het abc van het christelijke leven uitgelegd en aangereikt krijgen. Dat kan in een preek niet zo uitvoerig en gedetailleerd als in een pastoraal gesprek of in een vormingscursus. Het moet er wel in aan de orde komen. De gemeente heeft er recht op. Het Woord zelf vraagt erom. De eer van God is gemoeid met de prediking van de heiliging van het leven. De catechismusdiensten geven aanleiding tot regelmatige bespreking van alle facetten van het leven met elkaar en in de wereld. Er zijn genoeg teksten die dat in niet mindere mate doen. Deze prediking moet door de ouderlingen gebruikt kunnen worden in pastorale gesprekken (onder ander op huisbezoeken).

2. Her toenemen in omvang en intensiteit van relatieproblemen in gezinnen en in het leven van enkelingen kan te wijten zijn aan gebrek aan concreetheid van de prediking bij de behandeling van de vragen rond de heiliging van het leven.

Ik onderstreep het hulpwerkwoord kan. Ik kom in de volgende Stelling over nog andere oorzaken te spreken. Toch moet gevreesd worden dat allerlei overtredingen van Gods geboden met betrekking tot de omgang met elkaar ontstaan en gedijen, doordat ze niet of niet concreet genoeg in de prediking aan de orde komen. De zonde groeit het best in het donker. Als het licht van het Woord niet ontdekkend en onderwijzend over zulke relaties valt, blijven ze in het donker. Daar vinden de werken der duisternis plaats.

ledere aanwezige vrage zich af wanneer hij voor het laatst in een preek man en vrouw in hun onderlinge relatie heeft horen aanspreken; wanneer voor het laatst onderwijzend en tegelijk hulpverlenend, richtinggevend iets gezegd is over de verhouding ouders en kinderen; wanneer voor het laatst punten uit de seksuele ethiek in de prediking aan de orde zijn geweest. Hierbij kan ook aan incest gedacht worden, maar dan niet als een kreet van de prediker om te laten zien dat hij de krant heeft gelezen, maar als een handreiking tot hulp aan slachtoffers en daders. Uit gesprekken weet ik dat alleen al de harte-lijke voorbede het gevoel kan geven dat slachtoffers niet genegeerd worden en bij de pastor met hun beschadiging welkom zijn.

Als deze onderwerpen, te zamen of stuk voor stuk, het laatste kalenderjaar niet ter spra-ke zijn gekomen, moet er wel iets scheefgroeien in de gemeente. Dan is de heiliging voorzover al in de prediking aanwezig, een dogmatisch, maar geen praktisch, ethisch thema.

In het voorgaande heb ik om meer gevraagd dan om het noemen van de feiten. Er moet op de Problemen ingegaan worden om te laten zien, dat - zoals mijn leermeester prof. Kremer het uitdrukte - genade geneest. Het heil heelt en herstelt - concreet.

3. Het is eenzijdig de oorzaak van de toename van relatieproblemen alleen te zoeken in gebrekkige aandacht van de prediker daarvoor. Evenzeer moet gedacht worden aan de invloed van de secularisatie en aan de gebrekkige verwerking van de prediking in de prak-tijk; soms ook aan het ontbreken van een uitwerking van de prediking in het pastoraat.

Ik vraag niet om een theoretische verhandeling over de secularisatie, noch om een verbale kruistocht daartegen. Andere gelegenheden en lokaties zijn daarvoor meer geschikt dan de prediking. Neen, het gaat mij erom dat de prediker laat voelen, dat hij weet in welke Godloze en antichristelijke samenleving wij ons elke dag bewegen. En dat de gemeente erop gewezen wordt, hoe dit klimaat op onze voorstellingen en gevoelens, op onze zinnen en begeerten inwerkt; en hoe wij van die invloed gereinigd moeten worden; en hoe we ons ertegen moeten wapenen.

Het gaat mij ook om de bredere maatschappelijke en culturele bedding, waarin deze relatieproblemen ons leven binnenkomen. Ik vraag dan om heel praktische aanwijzing van die kanalen, om christelijke weerbaarheid tegen een egoistische genotscultuur, om hulp van Christus’ wege bij de zelfverloochening in huwelijk en kerk, om wijsheid en geduld bij het kiezen van woorden in de omgang met kinderen, om souplesse enerzijds en om standvastigheid anderzijds, als we het ”gij geheel anders” uit Efeziërs 4 met onze gezinnen in praktijk moeten brengen.

Er komt nog iets bij: In hoeverre verwerken gemeenteleden de hulp die in de prediking wordt geboden? Nemen ze de woorden echt mee voor het onderlinge gesprek thuis? Wordt er nog wel eens over nagedacht en nagepraat? Komen kerkmensen in hun gebeden wel eens terug op de preken die ze zondags hebben gehoord? Men spreekt tegen-woordig nogal eens over een followup. Dat is het vervolg. Is dat er ook? Zou een nabespreking van de preek met telkens een ander deel van de gemeente, niet veel meer moeten plaatsvinden?

Een enkele maal breek ik een preek wel eens abrupt af met: ”wordt vervolgd”. Dan be-doel ik niet te verwijzen naar de volgende kerkdienst, maar naar wat de gemeente moet doen ter verwerking van de preek in de nieuwe week. Het amen direct daarop komt on-verwachts, maar is soms heilzaam.

Ik wijs ook nog op de noodzaak dat de prediking in het pastoraat - mag ik het zo zeggen? - geëffectueerd wordt. De volgende spreker zal dieper ingaan op het pastoraat. Het zij mij vergund in elk geval te wijzen op de noodzaak van een nauwe samenwerking tussen beide.

4 De gemeente moet in de prediking kritisch en didactisch toegerust worden, om het ver-schil te onderkennen tussen het leven met Christus, in de kracht van de Geest, en een leven naar het patroon van deze wereld.

Deze Vierde Stelling is een ontvouwing van de voorgaande. Toch hecht ik eraan haar apart aan u voor te leggen, en dat om twee redenen.

Allereerst, wij zijn als christenheid, ik vrees ook in onze kerken, bezig de antithese kwijt te raken. Hiermee bedoel ik niet de antithese als principe voor het organiseren van verschwende zuilen op het maatschappelijke middenveld. Ik bedoel ermee, dat er een fun-damentele tegenstelling is tussen geloof en ongeloof, tussen een leven met Christus en een leven zonder God. leder schijnt wel in iets te geloven. We kunnen toch moeilijk be-weren dat alleen dat kleine groepje orthodoxe christenen behouden wordt. Dat is toch te pretentieus en te egoistisch. Zouden wij het recht hebben anderen, vooral anders-gelovigen, het heil te ontzeggen?

Ik spreek in dit verband van een vervlakking en vervaging die enorme afmetingen aan-neemt. Deze vervaging raakt niet alleen de geloofsinhoud, maar ook de geloofsbeleving. Dat wil ook zeggen: het christelijke leven, de omgang met elkaar als man en vrouw, als kinderen en ouders, de seksuele ethiek.

”Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (1 Johannes 5 :12). Daar hoort bij het woord van Jezus uit Johannes 14 : 21: ”Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren”. Het leven met Christus omvat ook onze levenswijze, onze handel en wandel. Dat moet door Christus’ aanwezigheid gestempeld zijn. Op het verschil tussen dit leven met Christus en dat zonder Christus moet gewezen worden in de prediking.

Vervolgens, wij kunnen alleen met Christus leven in de kracht van de Heilige Geest. Juist met het oog op het overwinnen van relatieproblemen moet op de Heilige Geest gewezen worden. Hij brengt de liefde van Christus in ons. Hij oefent ons in het christelijke leven van zelfverloochening en dienstbaarheid, van de minste te willen zijn, van zwijgen als het hart tot scheiden dringt, van dienen als ervaren ondankbaarheid onze daden verlamt. Ik meen dat drie elementen in de praktische toerusting van de gemeente een geweidige rol speien: Gods geboden, de liefde van Christus, en de kracht van de Heilige Geest. Zij moeten alle drie praktisch en pastoraal, duidelijk en persoonlijk gericht aan de orde komen.

5. De gemeente moet het als haar missionaire roeping zien om ook in relatieproblemen een andere oplossing te zoeken dan welke de wereld zoekt. Het blijft ook voor de gemeente een strijd. Deze is echter niet zonder belofte of uitzicht, als alle ambtsdragers samen met de gemeente zich ervoor inzetten.

We willen bij het oplossen van relatieproblemen letten op de roeping die Christus Zijn gemeente heeft gegeven, dat is het licht laten schijnen, opdat zij door het zien van uw goede werken, uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken (Mattheüs 5 :16). Een woord van dezelfde strekking vinden we bij Paulus in Filippenzen 2:14-16, alles doen zonder morren of bedenkingen (ook in het onderhouden, het heelhouden en heelmaken van re-laties), ”opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende ster-ren in de wereld”, en dan volgt erop: ”het woord des levens vasthoudend!” Het evange-lie is ook voor relaties een woord des levens.

Wij moeten ons bewust zijn van de missionaire roeping bij het heelhouden en heelmaken van relaties. Daar moet iets van uitgaan. Men bedenke dat de eerste christelijke gemeenten vooral ook door hun levenswandel zending hebben bedreven. Hun manier van leven maakte indruk op hun heidense omgeving. Nu we opnieuw in het heidendom zijn terechtgekomen, kon het wel eens zijn dat onze levenswandel een belangrijk evangelisatie-middel is.

Dus het is toch mogelijk, dat er een verandering ten goede komt, zeggen we dan. Verge-ving en vernieuwing blijken concreet te functioneren.

Het blijft een strijd. Misschien hebben sommige ambtsdragers wel aan heel concrete situaties in hun wijk zitten denken. De vele uren die ze eraan besteed hebben - en toch niet gelukt, ja echt mislukt.

Ik weet ervan. Niet versagen. Volhardend doorgaan, en dan samen met anderen. Dat komt zo dadelijk breder aan de orde.

Het werk is niet zonder belofte, noch zonder uitzicht. We mogen om Gods genade bidden, om de vernieuwende kracht van de Heilige Geest. De prediking moet door haar moedgevende karakter ook ambtsdragers en gemeenteleden toerusten tot volhouden. De strijd niet opgeven. Niet versagen, maar doorgaan. Juist de laatste maanden heb ik ambtsdragers gesproken die ervan vertelden, hoe er in vastgelopen verhoudingen toch weer beweging kwam, de beweging van de liefde; hoe mensen die elkaars vijand aan het worden waren, elkaars broeders en vrienden werden. Dat is zegen op de arbeid. Wat word je daar blij van. Ik voelde die blijdschap nog natrillen in onze gesprekken. Wat is het nodig dat voor zulke verrassende Veranderungen aan God dank wordt gebracht. Het onderwerp dat ik u mocht voorleggen, behoeft eigenlijk een kleine aanvulling. Het gezichtspunt van de prediking en dat van de voorbede met de dankzegging.

Ze horen bij elkaar. Dat waar je over preekt, wordt ook in de voorbede genoemd. En dat waarvoor je bidt, krijgt in de prediking een plaats. Wordt vervolgd - en versta er onder wat u wilt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.