+ Meer informatie

Ambt en Persoon

6 minuten leestijd

Dient een Kerkeraad een weerspiegeling te zijn van de verhoudingen die er in een gemeente voorkomen òf is dit niet nodig? Met deze vraag hebben we in hele korte trekken samengevat, hetgeen de redaktie aan aan ons voorlegde en waarover we enkele opmerkingen willen maken.

Laten we dan eerst mogen zeggen dat een Kerkeraad samengesteld dient te zijn uit mensen, die de Here Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben en die een onberispelijk leven leiden, waarbij wij als sieraad der Godsvrucht vooral de wijsheid willen noemen. Wijze broeders kunnen veel begrijpen ook al kennen ze alle dingen niet. Zij zullen telkens opnieuw bereid zijn tot het trachten te verstaan van allerlei vragen en ook de rust vinden om te leiden in nieuwe wegen. Het is voor de bouw van het lichaam van Christus niet primair nodig dat wij in onze vragen en noden gehoord worden door een even ongeletterd òf geletterd mens, als we zelf zijn. Wanneer het op de diepste levensvragen aankomt zal een door God geleerde ons zeer van dienst kunnen zijn, óók al zijn alle moderne inzichten en ontwikkelingen niet door hem heen gegaan.

Maar wanneer hetgeen we zo juist memoreerden gepaard kan gaan met een zekere functioneel — aan de gemeente verwante opbouw, dan is dit o.i. zeker te prijzen. Daarbij noemen we dan allereerst de leeftijdsfactor. Weerspiegelt de Kerkeraad de gemiddelde leeftijd van de gemeenteleden? Of zal men vaak in onze kerken nog de „oude” Kerkeraad tegenkomen? Wil men de jongere broeders nog een plaats geven, dan is het diakenambt voorlopig wel geschikt; het ambt van „ouderling” blijft voor de „ouderen’” beschoren! Wanneer dat met wijsheid verband houdt kan het nog begrijpelijk worden geacht, doch dan moet men naar twee kanten voorzichtig worden. Het is nl. niet altijd gezegd dat de wijsheid alleen aan ouderen is beschoren, én wanneer men nog vele oudere broeders tegenkomt om die reden, dan vrage men zich eens kritisch af of men nu gezocht heeft naar waarachtige wijsheid, dan wel dat men alleen zocht naar behoudzucht. Dit laatste is natuurlijk beslist iets anders. Alleen een behoudend mens zijn om de voortgang der Kerk zowat stil te zetten, duidt niet meer op wijs zijn. Een Kerkeraad die zoekt naar de voordracht van nieuwe ambtsdragers lette o.i. wel op de leeftijd van de broeders, waarbij een variatie in leeftijden binnen het college ook zeer nuttig kan zijn. Wij kennen wel gemeenten in ons land waar de gemiddelde leeftijd der Kerkeraadsleden boven de zestig ligt, soms zelf wel boven de vijfenzestig. Gezond lijkt ons dat niet; voor de gemeente niet en voor het gesprek in de Raad zelve niet. Vallen deze oudere broeders dan door de dood weg, dan vindt er een enorme leeftijdsverschuiving plaats, die voor de voortgang niet goed is

Een tweede element der weerspiegeling van de gemeente in de Kerkeraad kan zijn de beroepsfactor. In de Kerkelijke gemeente zullen we meestal wel terugvinden het patroon van de burgerlijke gemeente, hoewel in onze kerken en vaak een grotere groep van de ene categorie wordt aangetroffen en verhoudingsgewijs minder van andere categoriën. In gemeenten met een plattelandskarakter vinden we de landarbeiders vaak in onze kerk terug, terwijl de patroon-boer tot een andere Kerkgenootschap behoort. In gemeenten met een industriëel karakter vinden we de werknemers (hand- en hoofdarbeiders) vaak in onze kerk. terwijl de werkgever elders zijn geestelijk tehuis heeft gezocht. Onze Kerk was typisch een kerk van „de kleine luyden”, hoewel verschillende gemeenten zich nu van het werknemer- oude middenstandspatroon los gaan maken.

Gemeenten met een uitgesproken plattelandskarakter vindt men steeds minder Van de 167 gemeenten onzer kerken bevonden er zich ruim 100 in een plattelandssamenleving, waarbij boeren, landarbeiders. onderwijzer(s), oude- middenstanders een rol speelden. Vele van deze gemeenten ondergaan langzaam maar zeker een struktuurwijziging. De landbouw neemt in belangrijkheid af, de middenstand verandert (ambachtelijk en handeldrijvend in de oude situatie wordt leidinggevend toezichthoudend, administratief kader in de nieuwere tijd, de industriël aanpak zet door. De overige 67 gemeenten bevinden zich reeds in een uitgesproken industrieel klimaat òf grootstedelijk verband. Onze kerken hebben met deze verschuiving ongetwijfeld te maken.

De Kerkeraad, die voor deze wijzigingen gevoel heeft, tracht daarmede in de samenstelling van het college o.i. ook rekening te houden. Heeft dit dan een bepaald nut? Toch wel, omdat de leef- en denkwijze van de in de gemeente levende groeperingen van mensen dan niet voorbijgaat aan de Kerkeraad. Waar dit wel gebeurt ziet men de gevolgen vaak òf hoort men de klachten erover: „Die ouderiing begrijpt mij ook niet, want hij kent mijn werk- en leefomstandigheden niet.”

Het is natuurlijk niet mogelijk dat elk beroep, dat in de gemeente voorkomt ook terugkeert in de Kerkeraad. Toch moet er een weerspiegeling zijn. Een zich wijzigende struktuur in de burgelijke gemeente heeft gevolgen in de kerkelijke gemeente en het getuigt ook hier van wijsheid wanneer men dit onderkent en begeleidt. Het niet verwerken van deze wijzigingen heeft ook in onze kerken sporen nagelaten. Intellectuelen hebben onze kerken vaak verlaten, grote groepen die een middenpositie innamen in het maatschappelijk verkeer werden evenzeer teleurgesteld en verdwenen. Dit overgaan naar een ander kerkverband is zeker niet altijd aan de betrokkene te (ver)wijten, doch een Kerkeraad dient zich kritisch af te vragen òf men wel voldoende evolutie heeft bewerkstelligd in die vlakken, waar de werkelijke kriteria toch niet lagen en liggen. Heeft men m.a.w. die leiding gegeven aan het geestelijk leven die ook alle leden kon aanspreken, òf sprak men een eenzijdige „taal”!

De sociale geslaagdheid van een gemeente brengt met zich dat gedachten en meningen divergeren. Een weerspiegeling vindt men daarvan zoveel mogelijk terug in de Kerkeraad, welke uiteraard verwachten mag een harmonische, christelijke synthese op te bouwen.

In de derde plaats moet men o.i. in een Kerkeraad broeders opnemen die in een gemeente uit een sfeer òf groep komen, die niet de geestelijke gedachtenwereld van de meerderheid vertolken. Wij drukken ons terzake voorzichtig uit over feiten, die we in onze gemeenten allen kennen.

Zijn de Predikant en de Kerkeraad nogal „zwaar”, dan is men geenszins bereid om een „lichte” ouderiing te kiezen en vaak omgekeerd. Wij menen dat dit een onchristelijke houding is. die in onze gemeenten reeds veel schade en verlies heeft veroorzaakt. Een onbereidheid om elkander als ware broeders te erkennen is vaak het grondmotief van de afwijzende houding om in het ambt te laten stellen, doch een interactie tussen beide gedachtenwerelden zou van ongemeen belang zijn geweest voor de opbouw van de gemeente. Een krampachtigheid had geweken, een eenzijdigheid had voorkomen, en een conservatisme òf reactie-houding had vermeden geworden. Tenslotte achtte „de een de ander uitnemender dan zichzelve”. Tot die houding zijn we nog te weinig gekomen en daardoor is het beeld wel eens ontstaan van het huis dat tegen zichzelf verdeeld is.

Een Kerkeraad moge, tenslotte, dan zijn samengesteld uit wijze mannen-broeders, die niet zover van de gemeente afstaan door hun leeftijd, hun maatschappelijke status en daardoor hun leeftijd en denkwijze dat zij de gemeente niet verstaan (kunnen). Daarenboven zijn de broeders geestelijk zo ingesteld dat zij begeren te dienen in alle verhoudingen en situaties.

„De vreze des Heren — dat is wijsheid
en van het kwaad te wijken is inzicht”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.