+ Meer informatie

Een oproep in de Saambinder

Weduwe van J. Kwantes: „Altijd, zelfs onder het eten, was mijn man bezig met het evangelisatiewerk"

13 minuten leestijd

Op de begrafenis van evangelist J. Kwantes zei iemand tegen mevrouw H. Kwantes-de Nooijer: „Uw man was een zeer uniek mens". Nu, vijf jaar na zijn overlijden, zegt mevrouw Kwantes in haar woning in Alkmaar-Oudorp: „En hij was uniek. Al valt het niet mee om dat van je eigen man te zeggen. Altijd was hij bezig met de vraag hoe hij anderen kon inwinnen voor de dienst van de Heere. Altijd. Zelfs onder het eten. Dan zat hij aan tafel heen en weer te wiegen en na te denken".

Zelfs haar postcode herinnert mevrouw Hendrika Kwantes (62) aan het evangelisatiewerk van haar man, die op 13 oktober 1986 op 64-jarige leeftijd overleed. Jaren geleden belde Kwantes tijdens het huis-aan-huis-evangeliseren aan bij een vrouw, die hem allervriendelijkst ontving. „Bent u daar eindelijk? Komt u binnen".

Kwantes was altijd bijzonder spraakzaam, maar nu stond hij toch even perplex. Komt u binnen? Een evangelist? Die wordt tenslotte niet zo vaak met open armen ontvangen. Zonder een antwoord af te wachten liep de vrouw hem voor naar de keuken. Daar wees ze Kwantes op de ketel van de centrale verwarming. Of Kwantes die wilde repareren. Nu had Kwantes vroeger veel geklust, dus die kachel was geen probleem. Of hij een kop koffie wilde. Graag.

„Maar weet u eigenlijk wel waarvoor ik kom?", vroeg Kwantes. Aan tafel kwam alles uit. De vrouw had de evangelist aangezien voor de verwarmingsmonteur, met wie ze een uur eerder een afspraak had gemaakt. Na een gesprek met de vrouw vertrok Kwantes naar het volgende adres. Later ontdekte hij dat het die dag de 18e december was en dat hij had aangebeld bij huisnummer 29, waar een CV stuk was. 1829 CV.

Aangeprezen

„Een leuke samenloop van omstandigheden, niet?", zegt mevrouw Kwantes. „Achteraf hebben we er hartelijk om gelachen". Ze staat op uit haar fauteuil en pakt uit de kast het boekje "And'ren Aangeprezen", waarin haar man schrijft over voorvallen en gebeurtenissen uit zijn leven. In de keuken keft het hondje van huisgenote Rina. Buiten, voor het raam, passeert de buurman. Een parapluutje opgestoken. Oudorp is een rustig dorp.

Vanuit dit rijtjeshuis trok Kwantes er op uit. De wereld in. Mensen op de brede weg waarschuwen voor het naderend einde. Getuigen van zijn Levensvorst — het was zijn lust en zijn leven. Niets en niemand ontzag hij. Altijd en overal sprak hij van het ene nodige.

In het boekje schrijft hij over de postcode: „Vanuit de gestoorde CV hebben we een gesprek opgebouwd over de storingen die er zijn ontstaan door de zondeval, waardoor wij als mensen, niemand uitgezonderd, op een heel bijzondere wijze 'in de kou zijn komen te staan. Maar ook dat er Iemand gekomen is om die storingen op te heffen".

Waarschuwing

Bij Kwantes groeide het verlangen tot het werk van evangelist nadat hij zelf door een waarschuwing van een oude man was stilgezet. Op jonge leeftijd kerkte hij geregeld bij ds. C. Smits en ds. J. A. Riekel in Sliedrecht, waar hij in 1922 werd geboren. Maar hoe ouder hij werd, hoe meer hij de kerkgang verzuimde.

Tijdens de oorlog werd Kwantes tewerk gesteld in Duitsland, waar hij enkele zware bombardementen overleefde. Na de bevrijding keerde hij terug naar Nederland, naar Walcheren, om mee te helpen aan de wederopbouw. In Vlissingen leerde hij Hendrika de Nooijer kennen, met wie hij op 22 april 1949 in het huwelijk trad. Om haar een plezier te doen, deed hij belijdenis in de Hervormde Kerk.

Mevrouw Kwantes: „We leefden onbezorgd en deden eigenlijk nergens aan. We gingen lang niet elke zondag naar de kerk. Totdat we een keer logeerden bij mijn schoonouders. Die bezochten altijd de kerk en om hun een plezier te doen gingen wij die zondag ook netjes mee. Onderweg naar huis sprak een oude man mijn man aan. Hij zei: „Jan, jongen, zo zal het niet gaan. Zo kun je God niet ontmoeten"".

Zaterdagmiddag

„Mijn man ging er niet op in. Eigenlijk was hij een beetje gepikeerd. En toch kon hij die woorden niet kwijtraken. Hij moest er almaar aan denken. Ik zal nooit vergeten hoe hij op een zaterdagmiddag niet verder kon. We waren op weg naar de bioscoop. Hij had de kaartjes op zak, maar hij kon er niet meer heen. Hij moest sterven, maar hij kon niet sterven, want dan moest hij voor God verschijnen.

In de tijd die volgde, liep mijn man verschillende kerken af. Nu ging hij graag naar de kerk. Uiteindelijk bezocht hij ook de gereformeerde gemeente in Vlissingen, waar destijds ds. De Wit preekte. Ds. De Wit heeft hem toen zijn leven verklaard. Onder de eerste preek in die kerk liet de Heere hem zien dat Hij van Kwantes afwist.

Mijn man kreeg daarop een nauwgezet leven, zo nauwgezet, dat zelfs mensen uit de kerk soms tegen mij zeiden: „Dat jij het bij zo'n man kunt uithouden". Maar het was geen opgelegd leven, het was een teer leven. We moeten eerlijk zijn: als de Heere een mens stilzet, kan er niet veel meer door hoor.

Al spoedig kwam bij mijn man het verlangen om anderen onder het Woord te brengen. Hij had zelf in de wereld geleefd, maar de Heere had hem teruggebracht, met heel zijn gezin, want we hadden inmiddels drie kinderen. En nu wilde hij anderen in de wereld vertellen over het werk van de Heere.

Gelukkig heeft de Heere ook ons hart omgebogen. Hij heeft mij voor opstand bewaard. De Heere doet geen half werk. Wat moet een evangelist met een vrouw die nergens van wil weten? Later zijn we lid geworden van de Gereformeerde Gemeenten. Vaak heb ik de Heere gevraagd of hij mijn man daar een plaatsje in Zijn dienst wilde geven".

Radio's uit

„En de Heere heeft zich niet onbetuigd gelaten. In 1964 mocht hij diaken worden. Ondertussen sprak hij iedereen aan, die op zijn weg werd geplaatst. Hij werkte in de bouw en tijdens de schaft sprak hij vaak met zijn collega's over wat nodig is voor de eeuwigheid. Dat legde beslag. Dan gingen de radio's uit.

Toch liet de wens om evangelist te worden, hem niet los. Alleen, zou een timmerman voor dat werk geschikt zijn ? Bovendien was er maar één post, in België. Onder een preek van ds. Snoep over zondag 10 van de Heidelberger Catechismus mocht mijn man het aan de Heere overgeven. Dat gaf een hele rust in zijn leven.

Kort daarna verscheen in de Saambinder een oproep voor evangelisten. En dan zie je hoe wonderlijk Gods wegen zijn: terwijl mijn man met die vragen liep en verder van niets wist, was het deputaatschap bezig om het evangelisatiewerk met een post uit te breiden. Mijn man heeft die Saambinder gepakt en is naar zijn kamer gegaan om de zaak voor de Heere neer te leggen.

Op een avond werd ds. Snoep door het deputaatschap gebeld met de vraag of hij mijn man wilde zeggen dat hij was aangenomen. Het was kwart over elf. We lagen al op bed, toen ds. Snoep aanbelde. Nou, je begrijpt wel dat we die nacht niet veel hebben geslapen. Maar de duivel lag ook niet stil. Al snel kwam hij op mijn man af: „Moet jij dat doen? ' Een bouwvakker?" Waarop de Heere mijn man voorkwam met de woorden: „Want Ik zal u mond en wijsheid geven"".

Broodje

„Op zondag 15 maart 1970 werd mijn man in Gouda bevestigd in het ambt van ouderling, met als speciale opdracht om als evangelist werkzaam te zijn. Mijn man begon in Alkmaar gewoon op straat met aan te bellen en de mensen te vertellen over de Bijbel. Meestal gaf hij hun het Johannes-evangelie en een folder met zijn adres en telefoonnummer. Tegen het middaguur haalde hij vaak ergens een broodje uit de muur.

Na verloop van tijd sprak hij met een bestuur van een school af dat hij een klaslokaal mocht huren voor het houden van samenkomsten. Bij de eerste samenkomst kwamen drie mensen opdagen. Drie mensen. Bij de tweede, een halfjaar later, kwamen er zeventien. Mijn man was ontzettend blij, toen hij al die mensen op het plein zag wachten.

De conciërge had beloofd de schooldeur te openen. De man kwam echter niet opdagen. Na enig wachten besloot hij naar zijn huis te gaan. De conciërge bleek op vakantie te zijn. Op naar de directeur. Nee, die had geen sleutel. Naar een bestuurslid. Had ook geen sleutel. Ontmoedigd besloot mijn man naar de school te gaan en te zeggen dat de dienst deze keer niet kon doorgaan. Toen hij het schoolplein opliep, zag hij niemand. Maar de deur was open. Hij stapte het gebouw binnen en zag iedereen in het lokaal zitten. Wat is dat voor mijn man een groot wonder geweest: de gesloten deur was toch geopend.

Achteraf bleek dat een bezoeker een stel sleutels had geprobeerd. Eentje bleek precies te passen. Mijn man heeft daarover nog vaak gesproken. Als de Heere Zelf niet opent, wie zal het dan doen? Daarna heeft mijn man elke zondag in het lokaal een toespraak gehouden, zoals hij dat zelf altijd noemde. Na vier jaar werd het te klein. Via een makelaar kwamen we aan een heel geschikt gebouwtje aan 't Wuiver. Daar komen we nu nog elke zondag samen met zo'n honderd mensen".

Winkelstraat

„Weinig mensen in Alkmaar is de weg tot de Heere niet aangezegd. Dagelijks trok mijn man erop uit. In een drukke winkelstraat is het gebeurd dat een man heftig met een krant begon te zwaaien. Hij begon zijn gal te spuwen over de wereld en de maatschappij. Al gauw stond er een hele groep om hem heen. Toen de man was uitgeraasd, nam mijn man het woord over en wees hij de mensen op het ene nodige.

Meestal ging hij de deuren langs. Hij hield van het gesprek onder vier ogen, maar soms duurde het lang voordat zo'n gesprek met iemand tot stand kwam. Vaak deden ze de deur voor zijn neus dicht. Maar het Woord lag er. Hij ging niet weg zonder te hebben gewaarschuwd.

Iedereen sprak hij aan, niemand ging hij voorbij. Eens was hij aan het colporteren, toen het volgende huis een seksboetiek bleek te zijn. Voorbijgaan? Hij durfde het niet. Mijn man ging naar binnen en raakte aan de praat met de eigenaar. Enkele weken nadien zat de man met zijn vriendin in de samenkomst. Het was zelfs zo dat de man binnen korte tijd zijn hele zaak opdoekte en een mooie lectuurwinkel begon. Later is hij verhuisd naar het oosten".

Midden in de nacht

„Soms werd mijn man later opgebeld door iemand aan wie hij een folder had gegeven. Soms midden in de nacht. Wie in de dienst van de Heere werkt, doet dat niet alleen tussen acht uur 's morgens en vier uur 's middags. Mijn man werd ooit gebeld door een jongeman, wiens broer ernstig ziek lag. Ongeneeslijk ziek. In zijn jeugd was hij vaak gewaarschuwd, maar hij had alles in de wind geslagen. Nu lag hij met de dood voor ogen. Of mijn man eens langs wilde komen. Mijn man is gegaan. Nooit is hij vergeten de angst die er in de ogen van die jongen lag. „Voor eeuwig te laat", zei de zieke, „nu weet ik dat God bestaat". Daar heeft mijn man het nog dikwijls over gehad. De weg geweten en niet bewandeld. We hebben nooit meer iets van hem gehoord.

Een andere man belde hem ook een keer 's nachts op. Hij leefde totaal onkerkelijk, was rijk, had alles wat zijn hartje begeerde, maar zat helemaal in de put en zag het niet meer zitten. Mijn man heeft een tijdje met hem gesproken en de Heere heeft dat gesprek willen gebruiken. De man leeft nu met zijn hele gezin mee".

Onbeschoft

„En niet alleen die man is hij tot zegen geweest. Ook voor anderen was hij het middel waardoor mensen onder het Woord werden gebracht. Zo werd hij ooit gewezen op een man in de omgeving van Schagen. Daar moest-ie maar eens langs gaan. Het was een onbeschoft iemand, voor wie de kerk niets, helemaal niets betekende. Hij woonde met zijn vrouw op een boerderij en was in bezit van een stel paarden.

Mijn man erheen. Hij kon de weg moeilijk vinden. Een deel van de straat was opengebroken. Op een gegeven ogenblik kwam er een vrouw naar hem toe. „Bent u van het wegwerk?", vroeg ze. „Ja", zei mijn man, „maar niet van dit wegwerk. Ik ben van een ander wegwerk. Ik mag dè Weg wijzen".

Die vrouw bleek getrouwd te zijn met de paardenhouder. Mijn man heeft met die mensen een goed gesprek gehad. Hij heeft er de Boodschap neergelegd. Drie jaar later bleek het Gods tijd te zijn geweest. Bij die man was de rust opgezegd. Maar naar de kerk? Nee, dat wilde hij in het begin niet. Dat wilde hij voor zijn vrouw niet weten. Overdag zat hij vaak op zolder bij het paardentuig. Zijn vrouw dacht dat hij daarmee bezig was, maar ondertussen zat hij in zijn Bijbeltje te lezen. Op den duur kon hij het niet langer verborgen houden. Als de Heere werkt, dan komt het een keer naar buiten. Nu gaat hij al jaren naar de kerk. Wonderlijk hé?"

„Mijn man ontmoette ooit een meisje dat totaal werelds was opgevoed. Ze werkte bij de V&D en kreeg kennis aan een jongen die daar vakantiewerk deed en bij zijn opa logeerde. „Je moet ook eens meegaan naar de post", zei die jongen. Zij mee. Ze raakte onder de indruk en begon thuis christelijke boeken te lezen, vooral 's avonds op bed. De vijandschap van haar ouders was groot. Nu is het meisje met de jongen getrouwd en heeft ze een keurig gezin.

Heimwee

Ook ging mijn man zo nu en dan op bezoek bij de bewoners van het bejaardentehuis. Op een dag ontmoette hij in de gang een oud vrouwtje, dat blind was. Toen ze zijn stem hoorde, vroeg ze: „Zeg meneer, bent u die man van heimwee naar God?" Mijn man keek verbaasd op. Heimwee naar God? Wat was het geval? Die vrouw had van een ander vrouwtje een bandje gekregen met daarop een toespraak van mijn man, jaren geleden gehouden.

De blinde vrouw was toen 74 jaar en was nog nooit naar de kerk geweest. En het Woord op dat bandje had haar geraakt. Ze had heimwee naar God gekregen. Nou, dat was wel zo'n ontmoeting geweest! Tot haar dood toe heeft mijn man haar geregeld bezocht. Vier jaar na die eerste ontmoeting is ze ruim in de Heere gestorven".

Dichte deuren

„Mijn man heeft opmerkelijke dingen meegemaakt, maar dat gebeurde uiteraard lang niet elke dag. Een evangelist stuit meestentijds op dichte deuren. Mijn man was altijd bezig met de vraag hoe hij de dienst des Heeren het beste aan anderen kon aanprijzen. Altijd. Zelfs onder het eten. Dan zat hij aan tafel heen en weer te wiegen en na te denken.

Op vakantie ging hij zelden. Hij wilde mensen inwinnen voor Gods koninkrijk. Een keer zijn we toch gegaan, een weekje naar de Veluwe, waar onze oudste zoon woont. Dat was op het laatst van zijn leven. Achteraf denk ik dat het een voorteken was van de ziekte van mijn man.

Die ziekte openbaarde zich in het voorjaar van 1986. Het ging niet goed met hem. Hij zag er slecht uit. Hij kwam in het ziekenhuis terecht. En toch ging het goed. Want daar heeft hij de vrijspraak van de Koning mogen ontvangen. De Heere heeft toen zijn schuld kwijtgescholden. Toen was hij geen evangelist meer, dat kun je begrijpen. Hij was een zondaar, naar wie God uit genade had omgezien. Mijn man kon sterven.

Het werk van de post lag mijn man op zijn ziekbed erg zwaar. Pas toen de Heere zei: „Ziet, Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld", kon hij ze loslaten. Evangelist Versteeg mocht het werk voortzetten. De laatste woorden die mijn man tot hem sprak, waren: „De goedertierenheden des Heeren zijn groot". En ik kan niets anders zeggen dan dat de Heere dat tot hiertoe heeft waargemaakt".

Volgende week in de serie "M'n Man" een gesprek met de weduwe van schrijver-schilder J. W. Ooms.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.