+ Meer informatie

Tussen schemering en ochtendgloren

Een nacht in de natuur

6 minuten leestijd

In de avondschemering, als iedereen zich naar de warmte en huiselijkheid van de kachel rept, hebben wij ons verschanst naast een bouwvallig afdakje dat vroeger dienst deed als schuilgelegenheid voor dieren. Gehuld in camouflagenet en snowboots zitten wij, onder de wind, te wachten op de dieren die hopelijk zullen verschijnen. Nog éénmaal zet de zon de aarde in vuur en vlam, om daarna achter de kim te verdwijnen.

Het is stil, heel stil. Langzaam gaan de bomen zich aftekenen tegen de nog nakleurende hemel. Daar kraakt een takje; of was het de wind?
'n Paar hinden komen behoedzaam uit het dichte, dekking biedende bos langzaam de open vlakte op. Beschermd door het bijna-donker grazen ze rustig hun maaltje bijeen. Verderop staan edelherten, wier machtige geweien op gouden kronen lijken in het zachte avondlicht. Hoewel ze niet vermoeden dat zij bespied worden, zijn ze toch heel alert. Ze staan regelmatig even stil om hun oren te spitsen, om te zekeren, terwijl zij  toch geen andere vijand hebben dan de mens... Schaamte hierover dringt zich aan ons op te midden van de vredigheid die hier heerst.

Reigerboom
Langzamerhand raken onze ogen gewend aan de duisternis. Plotseling vliegt een dier al klapperend met zijn vleugels door het nachtelijk luchtruim. We durven nauwelijks adem te halen uit angst ons te verraden en de onbekende vlieger bang te maken. Boven de boomtoppen zien we zijn silhouet afsteken tegen de donkere hemel en na enig gestuntel op de takken zoekt een reiger nog laat zijn slaapplaats op. We zien nog een paar reigers die zich in de boom hebben teruggetrokken om de nacht door te brengen. Waarschijnlijk geldt voor reigers ook: hoe meer zielen, hoe meer vreugd.

In de "reigerboom" is de rust teruggekeerd, als we enig geritsel in de struiken horen. „Blijf zitten waar je zit en verroer je niet" is nu het parool. Het geritsel komt dichterbij en even zijn we bang dat het een rotte zwijnen is, waarvan de zeug als ze jongen heeft, en deze bedreigd weet, tot alles in staat is. In stilte taxeren we welke boom geschikt is als vluchtplaats! We krijgen een beetje een "slappelachgevoel" van de zenuwen, maar een dergelijke zorgeloosheid is hier misplaatst.

Dassen
Wat een verrassing als blijkt dat "meles meles" daar aangehobbeld komt en in zijn voetspoor een tweede. Twee logge, schommelende dassen met hun lieve gestreepte snoetjes en naïeve oogjes op zoek naar regenwormen: hun lievelingskostje. Niet ver hier vandaan, in de buurt van een maïsveld, ligt hun enorme burcht, waar ze, als ze hun buikje vol hebben, naar terug hobbelen.

Naarmate de nacht vordert komen er steeds meer geluiden op ons af: het kraakt, ritselt en piept, terwijl af en toe een vogel alarm slaat. Een bosmuisje komt te voorschijn uit een piepklein spleetje van een boomstronk, rondkijkend met zijn kleine kraaloogjes. In een boom komt wat beweging en we zien hoe een nerts, bijna onhoorbaar, uit zijn veilige holwoning kruipt. Tussen de bladeren maakt een egel ons attent op zijn aanwezigheid door zijn gesmak. Het bolletje stekels op poten is een nogal luidruchtige eter en knabbelt aan een paddestoel. Al wat honger heeft, is of gaat op pad om de maag te vullen, constant op de hoede om niet als maagvuüing voor een ander te dienen.

Konijntjes
We besluiten ons "kamp" een eindje verder op te slaan aan de rand van het nu bijna kale loofbos, waar in de verte een riviertje als een kronkelend rimpelloos lint het landschap in tweeën deelt. Wat nevel hangt vlak boven het water, waardoor het kouder lijkt dan het is. In het duister noteren we zo goed als het gaat onze belevenissen tot nu toe en laten ons de meegebrachte bouillon goed smaken. We zijn één met het landschap en de natuur; niets verraadt onze aanwezigheid, ook niet bij de konijntjes die vlakbij speels hun kostje zoeken. Ineens gaat er één rechtop zitten, het neusje en de oortjes gericht naar de richting waar een geluid vandaan komt. De andere konijntjes houden nu ook op met eten en gaan eveneens rechtop zitten, gespannen ruikend en luisterend. Wij ook! Aha, onraad, daar komt wat aan. 't Is vast een vos op zoek naar zijn warme maaltijd. De konijnen stuiven paniekerig uiteen en rennen voor hun leven recht naar hun hol, wapperend met hun witte staartjes.

Een vreemde vos
Sluipend komt Reintje naderbij, maar in het licht van de maan is hij niet goed te zien. Hij ziet er vannacht zo vreemd uit, hij lijkt wel twee keer zo dik als anders. Misschien een oude zieke vos die er toch op uit moet, wil hij niet van honger sterven. De natuur is hard voor oude en zieke dieren. Hij komt nog dichterbij en springt verrassend behendig op het houtwalletje, op nog geen drie meter bij ons vandaan. Stomverbaasd kijken we recht in de ogen van een heuse wasbeer, compleet met zijn "inbrekersmasker". Dit echte nachtdier houdt in koude streken een winterslaap, maar in ons relatief warme land niet. Wat een belevenis: een echte wasbeer voor de lens; alsof het niets kost schieten we bijna een heel rolletje op hem vol! De wasbeer vertrouwt het zaakje kennelijk niet meer als hij het geluid van de sluiters hoort en maakt zich rap uit de voeten.

Een oehoe!
Terwijl onze gedachten nog bij de wasbeer zijn, scheert een enorme vogel vlak voor ons langs. Hij is zo groot dat we niet eens bedenken kunnen wat het zal zijn. We houden ons muisstil, maar van de spanning schop ik per ongeluk de thermoskan om, waardoor de vogel opvliegt en pal boven ons hoofd gaat zitten. Te dichtbij eigenlijk om hem door de zoeker goed te
kunnen zien. Maar we hebben geluk, want hij draait zijn kop naar ons toe en we staan oog in oog met een rasechte oehoe! Ongelooflijk, dit kan haast niet waar zijn. Zijn ogen, als vurige kolen, staren ons aan en heel even kunnen we zijn enorme gevederte gestalte redelijk goed bekijken. Even plotseling als hij gekomen is verdwijnt hij tussen de bomen, laag over de grond scherend, en lost hij op in de duisternis. Misschien is dit een van de exemplaren die opnieuw zijn uitgezet, gissen we, en noteren plechtig dat we vannacht een heuse oehoe hebben waargenomen.

Ganzen
Intussen is het een stuk kouder geworden en begint er enige bedrijvigheid uit de mensenwereld tot ons door te dringen. Hier en daar hangt een zware nevel over het land en in de uiterwaarden -die eruit zien als waren ze met poedersuiker bestrooid- vindt een haas nog wat eetbaars. De eerste vroege vogels die ons goedemorgen toeroepen zijn grauwe ganzen, die bij duizenden het koude noorden ontvlucht zijn. Ze zijn nog maar net gearriveerd, vandaar dat ze om de haverklap opvliegen onder luid gegak. Langzaam ontwaakt de zon en verspreidt haar warmte, waardoor mist en nevel verdwijnen. Als een vurige bol staat zij daar weer en beschijnt zij de aarde. Het wordt tijd om op te stappen. Stijf staan we op en steken fotospullen en notitieblok bij ons. Zij dragen de bewijzen van onze waarnemingen van een nacht in de natuur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.