+ Meer informatie

Wat verwacht U van het huisbezoek?

8 minuten leestijd

Het is een goede gewoonte dat in het augustusnumer van ons blad een artikel gewijd wordt aan het huisbezoek. Dat gebeurde soms onder de titel: Handreiking voor een huisbezoek. Daarbij werd een Schriftgedeelte besproken dat uitgangspunt zou kunnen zijn voor het gesprek op het huisbezoek. Soms werden er enkele praktische aanwijzingen gegeven.

Ditmaal willen we het onderwerp benaderen vanuit de vraag: wat verwacht u ervan.

Men zal direct reageren met een tegenvraag: Wie is bedoeld met u? Slaat u op de huisbezoeker of op degene die huisbezoek ontvangt? Met opzet willen we beide mogelijkheden openlaten.

Het is niet verkeerd als een huisbezoeker zichzelf afvraagt: wat verwacht ik er eigenlijk van. Het is daarbij goed zichzelf ook de vraag te stellen: wat verwacht het gemeentelid ervan?

Misschien zijn er broeders die door de ervaring teleurgesteld zijn en zeggen: eigenlijk verwacht ik er niets meer van. Het omgekeerde kan ook het geval zijn. Er kunnen broeders met veel idealisme aan hun eerste ronde huisbezoek beginnen en verwachten dat het tot geweldig diepgaande persoonlijke gesprekken zal komen.

Soms krijg ik uit gesprekken de indruk dat de broeders het huisbezoek nog wel als een ambtelijke taak zien, maar er metterdaad niet zoveel meer van verwachten. Er zijn er die door de vraag verlamd worden: Kan het eigenlijk nog wel allemaal op dezelfde voet voortgaan? Is het huisbezoek, zoals wij dat in onze gemeenten kennen, eigenlijk niet uit de tijd? Is het niet een achterhaalde zaak ? Het laat zich indenken dat zulke vragen bepaald geen stimulans zijn om aan de winterronde te beginnen en (opnieuw) de wijk in te gaan.

Het zou interessant zijn te weten, waar zulke gevoelens vandaan komen. Zijn ze veroorzaakt door eigen ervaringen? Worden ze bepaald door het geestelijk klimaat van onze tijd? Zijn ze gevolg van een algemene indruk van het gemeentelijke leven?

Ik zou er sterk de nadruk op willen leggen, dat men als kerkeraadsleden aan het begin van een nieuw seizoen deze vragen met elkaar moet bespreken. Men dient ook in dit opzicht elkaar tot een hand en een voet te zijn. Men moet bepaalde broeders uit het kerkeraadsteam niet laten tobben. Als er hulp geboden kan worden, dan moet dat gebeuren. Daarbij heeft de predikant natuurlijk leiding te geven. Toch moet men van hem niet alles verwachten. Ouderlingen met een flink stuk ervaring kunnen voor jongere broeders in het ambt van onschatbare betekenis zijn. Laat men ook hierin elkaar opbouwen. Daarbij is de vraag op zijn plaats: Doen wij het op de goede manier? Doen wij het met de goede instelling? Moet er soms iets veranderen in de aanpak? Het is heilzaam om zulke vragen zichzelf en elkaar te stellen. Men kan immers ook van teleurstellenden ervaringen leren. Ja juist van zulke ervaringen.

Laat ik het zo mogen zeggen: Huisbezoek is het werk van de herders jegens de kudde. Met minder kan men niet toe, als men over het huisbezoek denkt en spreekt. Men zal als herders de kudde moeten kennen. Men zal haar moeten weiden. Met opzet gebruik ik het meervoud. Dat wil zeggen, dat niet alleen de predikant de herder van de kudde is. De ouderlingen zijn dat net zo goed. Alles wat dienstig is om de schapen van de kudde te kennen en te helpen, maakt deel uit van het huisbezoek. Ook het omgekeerde geldt: Het huisbezoek is hét middel om de schapen als schapen van de kudde te kennen en te dienen.

Wat verwacht u ervan?

Niets minder dan dat u in de naam van de Here Jezus Christus met de mensen omgaat; en dat u zijn dienstknecht bij hen bent om hen te helpen, te bemoedigen, te vermanen; waar het moet ook te bestraffen; om hen in het geloof op te bouwen en tot het christelijke leven in de volle lengte en breedte van ons bestaan op te wekken en toe te rusten; om hen tot bekering te roepen. Het laat zich denken dat ouderlingen dit eigenlijk een onmogelijke opdracht vinden. Wie is tot zulk een taak bekwaam, vraagt men zich onwillekeurig af. Het is niet verkeerd om de kleinheid van eigen kracht te beseffen. Dat doet temeer vragen om de hulp van de Heilige Geest. Nimmer mogen we onder de indruk van de zwaarte van het ambt de eisen lager stellen of van het geweldige belang van ambtelijk werk ook maar iets afdoen.

Daarom is het zo goed, dat we vasthouden aan wat er eigenlijk van het huisbezoek verwacht mag worden.

Wanneer men over bovenstaande omschrijving wat nadenkt, zal duidelijk zijn, dat drie dingen nodig zijn: men moet de Schrift kennen. Er kan niet genoeg op aangedrongen worden, dat ambtsdragers juist met het oog op hun taak in de gemeente, zelf met Schriftonderzoek en bijbelstudie bezig zijn. Zo zullen ze ook. zondags luisteren naar de prediking.

Verder moeten ze de mensen kennen.

Ook de noodzakelijkheid van mensenkennis en het naar mensen kunnen luisteren kan niet genoeg benadrukt worden. Tenslotte: ze zullen het leven in onze tijd, de situatie van onze jonge mensen, de wereld van vandaag moeten kennen.

Ze moeten met de Schrift midden in het leven van mensen van vandaag staan. Dat behoeft niet allemaal zo plechtstatig te geschieden als vroeger wel eens het geval was. Huisbezoek kan ook een fijn, persoonlijk gesprek met ouders over hun kinderen, of met kinderen over hun jeugd zijn. Maar het moet altijd gevoerd worden voor Gods aangezicht. En het moet ook leiden tot voor Gods aangezicht. Dat is eigenlijk het verschil tussen huisbezoek en elk ander willekeurig gesprek: Het huisbezoek wordt in de naam van de Here Jezus Christus gebracht. Het wordt gevoerd om mensen met God te confronteren. Dat betekent letterlijk: om mensen voor Gods aangezicht te stellen.

Dat kan uiteraard op verschillende wijzen gebeuren. De wijkouderlingen zullen er goed aan doen bij bepaalde gezinnen eens extra binnen te lopen; of bepaalde jongelui eens apart voor een gesprek uit te nodigen.

Men kan voor het ene gezin een hele avond nodig hebben, terwijl men op een andere avond twee gezinnen kan bezoeken. Er is feeling en ervaring voor nodig om te weten wat kan en niet wat niet kan.

Het heeft mij altijd wat „roosterachtig” aangedaan, als ik hoorde dat men ’s middags om twee uur op het ene adres zou zijn, om drie uur op het andere en om vier uur op weer een ander adres. Het is mogelijk dat én ouderlingen én gemeenteleden zo getraind zijn, dat zulke bezoeken toch tot echt contact leiden. Het is ook mogelijk dat men moet zeggen: op deze wijze bereiken we ons doel eigenlijk niet. Ik wil dus geen woord kwaad zeggen van goede gebruiken die tot goede resultaten leiden. Maar het lijkt me wel goed, dat iedere kerkeraad zich de vraag stelt of laat stellen: doen wij het op de goede wijze? Doen wij het zo, dat het tot een echt gesprek komt over het leven met God, uit het geloof, in deze wereld. Ik zou me kunnen voorstellen, dat elk van de drie genoemde elementen een eigen accent krijgt. Het ene jaar dit, het andere jaar dat wat meer. In elk geval hoede men zich voor stereotiepe vragen die ieder jaar opnieuw in dezelfde volgorde worden gesteld. Dat werkt geestdodend.

Eigenlijk heb ik nu ook al iets gezegd van de vraag: wat verwacht het gemeentelid van het huisbezoek? Hulp en steun, meen ik te mogen antwoorden.

Leiding en begrip, bemoediging en onderricht; dat de ouderlingen naast de mensen staan; dat ze niet vanuit de hoogte spreken; dat ze niet vanuit een andere wereld spreken; maar dat ze in de naam van God woorden spreken die gemeenteleden kunnen helpen, die een weg wijzen en die getuigen van aanvoelen en meeleven.

Er zijn helaas ook mensen die het huisbezoek willen ontduiken. Zij zullen proberen het te torpederen. Dat komt overal voor. Zulke mensen hebben uiteraard andere verwachtingen van het huisbezoek. Zij staan er negatief tegenover.

Waar echter meeleven met de gemeente is en waar men bidt om naar het Woord van God in deze tijd te mogen leven, daar is een gesprek welkom, dat van aanvoelen en meeleven getuigt.

De mensen verwachten er wat van. Laat dat voor de ambtsdragers een stimulans zijn. En als ze misschien door ervaringen teleurgesteld zover gekomen zijn, dat ze er niets meer van verwachten, bidt dan dat ge zo uw werk moogt doen. dat huisbezoek in het leven van zulke mensen weer iets gaat betekenen.

Huisbezoek is een stuk zorg van de Opperherder der kudde aan zijn schapen. Alle verwachtingen moeten aan die zorg ondergeschikt gemaakt worden.

We bidden dat in vele, vele gemeenten het huisbezoek in dit nieuwe seizoen met vreugde verricht mag worden en tot opbouw van gemeenteleden én ambtsdragers mag zijn. Vergeet niet elkaar daartoe te bemoedigen. Maakt samen halverwege eens de balans op. Laten de kerkeraadsvergaderingen mogen dienen om tot dit werk te stimuleren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.